Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3299

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/5618
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 21.1 sub a van het bestemmingsplan Bebouwde kom WoudenbergArtikel 1.90 van het bestemmingsplan Bebouwde kom WoudenbergArtikel 1.48 van het bestemmingsplan Bebouwde kom Woudenberg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning kamergewijze verhuur aan statushouders

De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen een omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Woudenberg op 16 april 2026 aan Omnia heeft verleend voor kamergewijze verhuur aan drie alleengaande statushouders in een eengezinswoning voor maximaal vijf jaar. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze vergunning en vorderde schorsing.

De voorzieningenrechter beoordeelde of het bestreden besluit zodanig gebrekkig is dat het niet in stand kan blijven. Hoewel de vergunning afwijkt van het bestemmingsplan en beleidsregels, is het college bevoegd om gemotiveerd van deze regels af te wijken vanwege bijzondere omstandigheden, zoals de taakstelling voor huisvesting van statushouders en de krappe woningmarkt.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de motivering van het college voldoende is om de afwijking te rechtvaardigen. Ook zijn maatregelen getroffen om overlast te beperken, zoals sociaal beheer en beperking van het aantal bewoners. Gezien het belang van het college bij de subsidieregeling HAR+ en de mogelijkheid om de situatie aan te passen bij een negatieve beslissing in bezwaar, is geen voorlopige voorziening nodig.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af, waardoor Omnia de vergunning kan gebruiken. Deze uitspraak bindt niet in een bodemprocedure en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor kamergewijze verhuur aan statushouders wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/5618

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. F.A. Kempers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woudenberg (het college), verweerder
(gemachtigde: B. Bouwman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Omnia Wonen uit Harderwijk (Omnia).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning die het college op 16 april 2026 aan Omnia heeft verleend voor kamergewijze verhuur aan statushouders in een eengezinswoning aan de [adres] in [woonplaats] voor de duur van maximaal 5 jaar.
1.1.
Verzoeker is het daar niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 16 april 2026 heeft het college aan Omnia een omgevingsvergunning verleend voor kamergewijze verhuur aan statushouders in een eengezinswoning aan de [adres] in [woonplaats] voor de duur van maximaal 5 jaar.
2.1.
In de omgevingsvergunning is vermeld dat de gemeente Woudenberg een taakstelling heeft ten aanzien van het huisvesten van statushouders. Volgens de omgevingsvergunning wordt met dit initiatief beoogd om drie alleengaande statushouders die in afwachting zijn van gezinshereniging te huisvesten. In de omgevingsvergunning is vermeld dat met dit initiatief geen woning wordt omgezet in een andere functie en dat alleen de vorm van de bewoning wijzigt. Volgens de omgevingsvergunning wordt door het huisvesten van de drie statushouders in de woning de druk op de woningmarkt beperkt omdat nu maar één woning ingezet hoeft te worden voor drie personen in plaats van een woning voor ieder individu. Hierdoor blijven twee woningen beschikbaar voor andere woningzoekenden.
2.2.
Verzoeker heeft tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en zijn vrouw, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college en [A] , beleidscoördinator bij het college. Namens Omnia was [B] aanwezig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Beoordelingskader voorlopige voorziening hangende bezwaar
3. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het bestreden besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. De voorzieningenrechter geeft daarom eerst een voorlopig oordeel over de vraag of het bestreden besluit rechtmatig is of niet. Daarna zal zij beoordelen of de belangen van verzoeker om het bestreden besluit te schorsen al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van het college en Omnia om het bestreden besluit in stand te laten. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele bodemprocedure niet.
Inhoudelijk toetsingskader omgevingsvergunning
3.1.
In de omgevingsvergunning is vermeld dat deze is verleend voor de activiteit afwijken van de regels in het omgevingsplan. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Daarnaast bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.
3.2.
Voor het perceel van Omnia was voor 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Bebouwde kom Woudenberg” van toepassing. Dit bestemmingsplan maakt nu dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Woudenberg.
3.3.
Op grond van het bestemmingsplan “Bebouwde kom Woudenberg” geldt op de locatie van de woning is de bestemming ‘‘Wonen’’. De gronden waar de bestemming ‘‘Wonen’’ aan is toegekend mogen gebruikt worden voor ‘‘het wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor aan huis gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten’’. [1] Op de locatie mag een hoofdgebouw (een woning) gebouwd worden ten behoeve van de functie ‘‘Wonen’’. Onder een woning moet worden verstaan een ‘‘complex van ruimten geschikt voor de huisvesting van één huishouden’’. [2] Een huishouden is gedefinieerd als ‘‘een samenwoning van een groep mensen in gezinsverband of daarmee vergelijkbare samenstelling, waarbij geen sprake is van een van tevoren vaststaande tijdelijkheid van de samenwoning’’. [3]
3.4.
In de omgevingsvergunning is vermeld dat met de beoogde vorm van bewoning geen sprake is van één huishouden in de zin van het omgevingsplan. Daarom is het initiatief in strijd artikel 21 van Pro het bestemmingsplan “Bebouwde kom Woudenberg” wat onderdeel is van het tijdelijk omgevingsplan gemeente Woudenberg.
3.5.
In de omgevingsvergunning is vermeld dat het omgevingsplan geen mogelijkheden biedt om mee te werken aan een afwijking van het omgevingsplan. Dat betekent dat een buitenplanse omgevingsplan activiteit vergund dient te worden om het initiatief toe te staan. Voor de afwijking van het omgevingsplan zijn de ‘‘Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden tijdelijk omgevingsplan 2025’’ vastgesteld. [4] In artikel 4.4.9 van deze beleidsregels is bepaald dat afwijkend gebruik van bouwwerken alleen is toegestaan als de overwegingen om af te wijken zorgvuldig zijn onderbouwd. In artikel 4.4.9.a is bepaald dat geen afwijking van het omgevingsplan wordt verleend voor het omzetten van een woning of woongebouw in een andere functie. In dit artikel is vermeld dat er al een tekort is aan woningen binnen de gemeente.
3.6.
Bij een afwijking van het omgevingsplan moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om vast te kunnen stellen of hier sprake van is, bij de aanvraag een goede onderbouwing van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving vereist. Bij de omgevingsvergunning heeft verweerder een onderbouwing toegevoegd.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
Beleidsregels
3.7.
Verzoeker voert aan dat de omgevingsvergunning is verleend in strijd met de beleidsregels van de gemeente Woudenberg. Verzoeker wijst erop dat in de beleidsregels is bepaald dat geen afwijking van het omgevingsplan wordt verleend voor het omzetten van een woning of woongebouw in een andere functie. Uit de definities van de beleidsregels volgt volgens verzoeker dat onder woning enkel bewoning door één huishouden wordt verstaan. Het college erkent volgens verzoeker ook dat drie alleengaande statushouders niet één huishouden vormen. De omgevingsvergunning had daarom niet verleend mogen worden.
3.8.
Het college heeft in de omgevingsvergunnig aangegeven dat de gemeente een taakstelling heeft ten aanzien van het huisvesten van statushouders en dat met dit initiatief wordt beoogd om drie alleengaande statushouders die in afwachting zijn van gezinshereniging te huisvesten. Volgens het college is de omgevingsvergunning niet in strijd met de beleidsregels verleend omdat met dit initiatief geen woning wordt omgezet in een andere functie, omdat enkel de vorm van wonen wijzigt. [5]
3.9.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het omzetten van een woning naar kamergewijze verhuur een wijziging van functie, gelet op de definities van de begrippen ‘‘woning’’ en ‘‘wonen’’ in zowel het omgevingsplan als de beleidsregels. Hierdoor wijkt het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter af van de beleidsregels. Anders dan verzoeker meent, betekent dit niet meteen dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden.
3.10.
Op grond van artikel 2.5.1 van de beleidsregels is het college immers bevoegd om van de beleidsregels af te wijken. Hieraan zijn echter wel voorwaarden verbonden. In artikel 2.5.1 van de beleidsregels is onder het derde gedachtestreepje bepaald dat het college bevoegd is om zowel in positieve als in negatieve zin, indien uitdrukkelijk gemotiveerd wordt waarom er afgeweken wordt, af te wijken van deze beleidsregels indien vanwege bijzondere omstandigheden een strikte toepassing van deze beleidsregels, naar oordeel van het college, zou leiden tot onredelijke beperking van de gebruiks- en/of bouwmogelijkheden.
3.11.
Verweerder heeft op de zitting de motivering om van het omgevingsplan af te wijken nader aangevuld en toegelicht. Toegelicht is dat de gemeente Woudenberg een taakstelling van het rijk heeft ten aanzien van het huisvesten van statushouders. Deze taakstelling houdt in dat de gemeente verplicht is per halfjaar 7 tot 8 statushouders op te vangen en te huisvesten. In de gemeente Woudenberg is op dit moment al sprake van een krappe woningmarkt door een tekort aan woningen. Het college zoekt voor de huisvesting van statushouders naar een manier die zo min mogelijk belastend is voor de woningmarkt. Met de gekozen vorm in de verleende omgevingsvergunning, de huisvesting van drie statushouders in een eengezinswoning, kan het college bereiken dat er maar één eengezinswoning hoeft te worden gebruikt voor drie statushouders en niet drie eengezinswoningen. Het college heeft daarbij ook getracht de woonfunctie van de woning zo min mogelijk aan te tasten door de benedenverdieping van de woning als een woonverdieping in tact te houden. Ook heeft het college het aantal statushouders dat in de woning kan wonen laten aansluiten bij het aantal slaapkamers in de woning. Daarbij zullen de statushouders de woning daadwerkelijk gebruiken als woning door in de woning te gaan wonen.
3.12.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze motivering op voorhand voldoende om zowel de afwijking van het omgevingsplan als de beleidsregels te rechtvaardigen. Het college zal echter in de beslissing op bezwaar nader op deze bezwaargrond van verzoeker moeten ingaan, en daarbij ook moeten aangeven en motiveren of dezelfde motivering ook zal worden gebruikt voor de onderbouwing van de afwijking van de beleidsregels.
Doorstroomfunctie van de beoogde kamergewijze verhuur
3.13.
Verzoeker heeft veel moeite met de doorstroomfunctie als gevolg van de tijdelijke kamergewijze verhuur van de woning. Verzoeker wijst erop dat door de tijdelijke bewoning de statushouders niet betrokken zullen zijn in en bij de wijk, en dat dit mogelijk zal leiden tot overlast. Volgens verzoeker past dit ook niet in het karakter van de wijk. Verzoeker had liever gezien dat er een (statushouders)gezin langdurig in de woning zou worden gehuisvest.
3.14.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college deze zorgen van verzoeker erkent en dat het college heeft gezocht naar een mogelijkheid om deze zorgen zo veel mogelijk weg te nemen en te beperken. Het college heeft op zitting naar voren gebracht dat het aantal statushouders dat in de woning zal komen wonen beperkt is tot drie mensen omdat dit het meest lijkt op de bewoning van een gezin. Ook kiest het college bewust voor mensen die nog minimaal een jaar moeten wachten tot hun gezinsherenigingsprocedure begint. Daarmee is waarschijnlijk dat de bewoning steeds één tot twee jaar zal duren. Daarnaast zal er sprake zijn van sociaal beheer als belangrijk instrument voor begeleiding en het voorkomen en oplossen van overlast. Het sociaal beheer zal zijn gericht op de inburgering en de wijze van wonen in een Nederlandse woonwijk. De sociaal beheerder zal intensief optrekken met de statushouders en zal het aanspreekpunt zijn voor de buurtbewoners, om taalbarrières en wederzijds onbegrip zo snel mogelijk weg te nemen.
Het college heeft op de zitting toegelicht dat de sociaal beheerder zich echt op deze taken zal richten, omdat stichting Vluchtelingenwerk de meer juridisch-maatschappelijke aspecten van de inburgering zal begeleiden. Daarmee heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende maatregelen genomen om de nadelen van de tijdelijkheid van de huisvesting van de statushouders te verminderen en beheersbaar te houden.
Belangenafweging
3.15.
Verzoeker heeft een voorziening gevraagd omdat hij wil dat in ieder geval wordt gewacht met de huisvesting van de statushouders tot en met de beslissing op zijn bezwaar. Het college heeft echter aangegeven dat voor de uitvoering van het beleid van kamergewijze verhuur aan statushouders de subsidieregeling HAR+ noodzakelijk is om het sociaal beheer te kunnen bekostigen.
3.16.
De voorzieningenrechter ziet gelet op de nadere motivering van het college zoals weergegeven na randnummer 3.10. geen reden om aan te nemen dat de omgevingsvergunning na heroverweging niet in stand kan blijven. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om hangende de bezwaarprocedure een voorlopige voorziening te treffen, mede gelet ook op het financiële belang van het college bij de subsidieregeling HAR+. De voorzieningenrechter vindt daarbij ook van belang dat ter zitting door Omnia is aangegeven dat, indien in een later stadium mocht blijken dat deze vorm van kamergewijze verhuur aan statushouders toch niet is toegestaan, zij op korte termijn kunnen en zullen zorgdragen dat de kamergewijze bewoning zal worden gestopt en zal worden vervangen door huisvesting van elke individuele statushouder in een eengezinswoning.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat Omnia gebruik mag maken van de omgevingsvergunning. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 21.1 sub a van het bestemmingsplan Bebouwde kom Woudenberg.
2.Artikel 1.90 van het bestemmingsplan Bebouwde kom Woudenberg.
3.Artikel 1.48 van het bestemmingsplan Bebouwde kom Woudenberg.
4.De beleidsregels zijn op 7 september 2025 vastgesteld.
5.Zie pagina 3 van het bestreden besluit.