ECLI:NL:RBMNE:2026:3298

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/2947
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens tijdige beslissing bezwaar

Verzoekster heeft op 12 mei 2025 beroep ingesteld tegen het College van Gedeputeerde Staten van Flevoland omdat verweerder niet tijdig had beslist op haar bezwaar van 21 november 2024. Op 21 mei 2025 heeft verweerder alsnog een beslissing op bezwaar genomen, waarna verzoekster het beroep heeft ingetrokken en vergoeding van proceskosten heeft gevraagd.

De rechtbank heeft het verzoek tot vergoeding van proceskosten beoordeeld zonder partijen te horen, omdat zij voldoende informatie had. Op grond van de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht kan de rechtbank proceskosten toewijzen als het bestuursorgaan tegemoet is gekomen aan de indiener van het beroepschrift.

Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek, wat de rechtbank interpreteert als geen bezwaar tegen vergoeding. De proceskosten worden vastgesteld op €467,-, gebaseerd op een puntensysteem. Daarnaast is verweerder verplicht het griffierecht van €385,- te vergoeden, maar verzoekster moet dit rechtstreeks bij verweerder claimen.

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van €467,- aan verzoekster. De uitspraak is gedaan op 24 april 2026 door rechter R.C. Stijnen.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €467,- aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het beroep wegens alsnog tijdige beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2947

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., te [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. J.R. Bügel),
en

het College van Gedeputeerde Staten van Flevoland, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van 12 mei 2025 dat verzoekster heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 21 november 2024.
Op 21 mei 2025 heeft verweerder alsnog een beslissing op bezwaar genomen.
Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.B. Overtoom, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.