ECLI:NL:RBMNE:2026:3265
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging maatwerkvoorziening hulp bij huishouden
Deze uitspraak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal om de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden te beëindigen. Verzoeker ontving deze hulp op basis van een indicatie tot 5 oktober 2025, maar de feitelijke ondersteuning werd eerder stopgezet. Het bezwaar van verzoeker tegen deze stopzetting werd door het college niet-ontvankelijk verklaard omdat het geen appellabel besluit zou betreffen.
Verzoeker stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van onverwijlde spoed, omdat de situatie niet onomkeerbaar was en de huishoudelijke taken later alsnog konden worden uitgevoerd. Bovendien was inmiddels weer hulp toegekend voor de periode van 22 september 2025 tot en met 10 november 2026, en kon verzoeker vanaf mei 2026 weer feitelijk hulp ontvangen.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het bestreden besluit niet evident onrechtmatig was, zodat ook op die grond geen voorlopige voorziening kon worden getroffen. Gezien het ontbreken van spoedeisend belang en evidente onrechtmatigheid werd het verzoek afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van hulp bij het huishouden wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en evidente onrechtmatigheid.