Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3254

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
C/16/585452 / HA ZA 24-617
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 3:105 BWArt. 3:306 BWArt. 3:314 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaringseigendom van strook grond bij burenruzie over erfgrens

Partijen zijn buren met een geschil over de erfgrens. Eiseres stelt eigenaar te zijn geworden van een strook grond tussen de kadastrale grens en een feitelijke erfgrens door verjaring. De rechtbank oordeelt dat eiseres door onafgebroken bezit te goeder trouw gedurende tien jaar eigenaar is geworden van de strook grond. Gedaagde betwist dit, maar slaagt er niet in het ontbreken van goeder trouw te bewijzen.

De rechtbank wijst de vordering toe en veroordeelt gedaagde tot verwijdering van een zonder toestemming geplaatste stalen buizenconstructie en tot herstel van de toegang tot de strook grond naast het bijgebouw van eiseres. Tevens wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €4.053,50, gebaseerd op een offerte na correcties voor te hoge posten.

De vordering tot herstel van de beschadiging aan de bijwoning door gedaagde wordt afgewezen vanwege de verstoorde relatie; eiseres moet dit zelf regelen maar gedaagde moet de kosten vergoeden. Gedaagde wordt ook veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente. De vorderingen van gedaagde in reconventie worden afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Eiseres is eigenaar van de strook grond door verjaring; gedaagde moet constructie verwijderen, toegang herstellen en schadevergoeding betalen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/585452 / HA ZA 24-617
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. O. Planten,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 1] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.G. Galama.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiseres] met producties 1 t/m 6,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [gedaagde] met producties 1 t/m 17,
- de conclusie van antwoord in reconventie van [eiseres] ,
- de eisvermeerdering van [eiseres] en producties 7 en 8,
- de bezichtiging ter plaatse en aansluitende mondelinge behandeling op 19 augustus 2025,
- de aanvullende producties 9 t/m 13 van [eiseres] ,
- de voortzetting van de mondelinge behandeling op 11 maart 2026.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De kern van de zaak

Partijen zijn buren van elkaar en hebben een geschil over de erfgrens. De kadastrale grens wijkt af van wat volgens [eiseres] de erfgrens is. [eiseres] stelt dat zij door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond tussen de kadastrale grens en de “erfgrens” zoals die volgens haar al jaren wordt gehanteerd. [eiseres] krijgt in deze procedure gelijk en de rechtbank verklaart voor recht dat zij eigenaar is van deze strook grond. [gedaagde] moet de schade vergoeden die hij heeft veroorzaakt aan de eigendommen van [eiseres] .

3.De beoordeling

in conventie
Productie 9 tot en met 13 worden toegelaten
3.1
[gedaagde] maakt bezwaar tegen de producties 9 tot en met 13 van [eiseres] , omdat die binnen de termijn van 10 dagen voor de zitting zijn ingediend en dus te laat. Deze stukken bevatten volgens hem nieuwe elementen waar hij zich niet behoorlijk op heeft kunnen voorbereiden. De rechter is het niet met [gedaagde] eens en beslist dat de producties worden toegelaten.
  • Productie 9 bevat correspondentie tussen de advocaat van [eiseres] en de afdeling handhaving van de gemeente [.] . De advocaat vraagt daarin wat de stand van zaken is van het handhavingsverzoek dat [eiseres] op 17 juni 2025 heeft ingediend. Onderwerp van dat handhavingsverzoek is een door [gedaagde] gebouwde schuur. De gemeente bevestigt dat het handhavingstraject nog loopt en dat er bezwaar is ingediend tegen het verzoek om handhaving. De correspondentie bevat geen informatie waar [gedaagde] niet van op de hoogte is.
  • Productie 10 bevat het bezwaarschift dat [gedaagde] tegen het handhavingsverzoek heeft ingediend. Dat is van [gedaagde] zelf afkomstig en is dus ook geen nieuwe informatie.
  • Productie 11 bevat het relaas van bevindingen van het kadaster dat op 19 september 2023 op verzoek van [gedaagde] is opgemaakt. Ook dat stuk kent [gedaagde] al.
  • Productie 12 is een offerte van [bedrijfsnaam] voor het herstellen van de erfafscheiding en de bestrating. Hier heeft [gedaagde] tijdens de zitting kennis van kunnen nemen en hij heeft er ook verweer tegen gevoerd. Hij wordt hierdoor dus niet in zijn belangen geschaad.
  • Productie 13 is een factuur van mr. Planten gericht aan [eiseres] . Dit is een aanvulling op de al eerder ingediend de facturen en dient ter onderbouwing van de vordering om de werkelijk gemaakte proceskosten te vergoeden.
De verklaring voor recht wordt toegewezen; [eiseres] is eigenaar van de strook grond
3.2
[eiseres] is eigenaar van het perceel aan de [adres] in [plaats 1] . Zij stelt dat de vorige eigenaar van het perceel rond het jaar 2000, in overleg met de toenmalige buurman (de oom van [gedaagde] ), een hekwerk (hierna: het schapenhek) heeft geplaatst om de grens tussen beide percelen af te bakenen. Die situatie heeft volgens haar ongewijzigd voortgeduurd totdat [gedaagde] in september 2024 het schapenhek van [eiseres] heeft verwijderd en hij een stalenbuizenconstructie heeft geplaatst op de door het kadaster in 2023 gereconstrueerde grens. Omdat de strook grond tussen het schapenhek en de kadastrale grens tien jaar te goeder trouw in bezit is geweest bij de eigenaar van het perceel van [eiseres] , is volgens haar die strook grond door verjaring eigendom geworden van de vorige eigenaar van het perceel. Toen [eiseres] het perceel kocht in 2014 is die eigendom op haar overgegaan. Voor zover er geen goeder trouw aangenomen kan worden, geldt dat eigendom is ontstaan doordat de strook grond 20 jaar in bezit is geweest bij [eiseres] en de vorige eigenaar.
3.3
[gedaagde] betwist dat er sprake is van verjaring. Daartoe voert hij aan dat de strook grond waarvan [eiseres] stelt dat die haar eigendom is niet goed is af te bakenen. Dat komt doordat het schapenhek verplaatsbaar was en breed begroeid was, waardoor de grenslijn achteraf niet objectief te reconstrueren is. De verklaring voor recht die [eiseres] vordert is daarom onvoldoende duidelijk. Daarnaast heeft [eiseres] volgens [gedaagde] niet overtuigend bewezen dat de strook grond onafgebroken in bezit is geweest bij haar en bij de vorige eigenaar van het perceel. Verder is de erfafscheiding in 2000 niet in overleg met zijn oom geplaatst en bestond er tussen zijn oom en [eiseres] ook al geschil over de erfgrens. Er is dus geen sprake van goeder trouw.
De gevorderde verklaring voor recht is duidelijk
3.4
[gedaagde] stelt dat de verklaring voor recht onvoldoende concreet is geformuleerd en dat onduidelijk is op welk stuk grond die betrekking heeft. Dat verweer slaagt niet. Op de kadasterkaart die hoort bij de meting die het kadaster in 2023 heeft verricht (productie 16 bij de conclusie van antwoord en productie 11 bij de dagvaarding), is goed te zien om welke strook grond het gaat. Deze kadasterkaart wordt aan dit vonnis gehecht. Voor extra duidelijkheid heeft de voorzieningenrechter de door het kadasters gecorrigeerde grens rood gemaakt en de erfgrens waar voorheen het schapenhek stond zwart. De vordering van [eiseres] gaat over de strook grond tussen de rode stippellijn en de zwarte lijn.
Onafgebroken bezit te goeder trouw is voldoende aangetoond
3.5
Op grond van artikel 3:99 lid 1 BW Pro worden rechten op onroerende zaken door een bezitter te goeder trouw verkregen door een onafgebroken bezit van tien jaren (verkrijgende verjaring). De bewijslast om aan te tonen dat er sprake is van onafgebroken bezit rust op [eiseres] . Slaagt zij daarin dan wordt ten gunste van haar het vermoeden van goeder trouw aangenomen. Het is dan aan [gedaagde] om het ontbreken van goeder trouw aan te tonen.
3.6
[eiseres] heeft haar stelling dat er sprake is van onafgebroken bezit met meerdere stukken onderbouwd. Zo heeft zij foto’s overgelegd die de vorige eigenaar van het perceel haar heeft gestuurd. Deze foto’s zijn van 2005 en daarop is het schapenhek duidelijk te zien (productie 2). Daarmee is aangetoond dat het schapenhek in ieder geval vanaf 2005 op dezelfde plek heeft gestaan. Ook op foto’s van [eiseres] zelf is het schapenhek te zien (productie 1). Dat betekent dat het schapenhek er nog stond toen [eiseres] in juni 2014 het perceel kocht. Op één van de foto’s is verder te zien hoe vanaf het perceel van [gedaagde] met een graafmachine de begroeiing van het schapenhek wordt verwijderd. Deze foto toont aan dat het schapenhek er in ieder geval nog stond toen [gedaagde] in september 2020 eigenaar werd van het naastgelegen perceel. Verder heeft [eiseres] een advertentie overgelegd uit het guldentijdperk (dus voor 2002) waarin het perceel te koop werd aangeboden. Op de foto bij die advertentie is te zien dat ook toen al de erfgrens werd gemarkeerd door de paal van het toegangshek op het perceel van [eiseres] en een heg die loopt langs de grote boom vooraan op het perceel van [gedaagde] . Dat lijkt erop te wijzen dat voordat in 2002 het schapenhek werd geplaatst de toenmalige eigenaars van de percelen al uitgingen van een feitelijke erfgrens op dezelfde plek. Met deze stukken heeft [eiseres] voldoende aangetoond dat de strook grond 10 jaar onafgebroken in bezit is geweest. Daarmee wordt een vermoeden van goeder trouw aangenomen.
3.7
[gedaagde] heeft zijn stelling dat de goeder trouw ontbreekt niet met stukken onderbouwd. Het ontbreken van goeder trouw heeft hij dus niet voldoende onderbouwd. Er wordt dus uitgegaan van goeder trouw aan de kant van [eiseres] en de vorige eigenaar van het perceel. Overigens wordt het bestaan van goeder trouw ook nog eens bevestigd door de email van de vorige eigenaar, waarin die verklaart dat het schapenhek in 2000 in overleg met de oom van [gedaagde] is geplaatst en dat daarbij de boom op het begin van zijn erf als uitgangspunt is genomen (productie 2). In tegenstelling tot [gedaagde] was de vorige eigenaar zelf aanwezig bij het maken van de afspraak met de oom van [gedaagde] , zodat daaraan meer waarde gehecht kan worden dan aan de niet nader onderbouwde stelling van [gedaagde] .
3.8
De rechter is dan ook van oordeel dat [eiseres] door verkrijgende verjaring eigenaar is geworden van de strook grond tussen de zwarte lijn en de rode stippellijn.
3.9
Voor zover er desondanks van uitgegaan zou moeten worden dat er geen sprake is van goeder trouw dan geldt dat [eiseres] op grond van artikel 3:105 lid 1 BW Pro eigenaar is geworden van de strook grond. Dit artikel bepaalt dat een bezitter van een onroerende zaak, ook als die niet te goeder trouw is verkregen, de eigendom van die onroerende zaak kan verkrijgen op het moment dat de vordering tot beëindiging van het onrechtmatige bezit is verjaard (bevrijdende verjaring). De in artikel 3:105 BW Pro bedoelde verjaringstermijn is twintig jaar (artikel 3:306 BW Pro) en vangt aan op de dag nadat een niet-rechthebbende bezitter is geworden (artikel 3:314 lid 2 BW Pro).
3.1
Het schapenhek is in 2000 door de vorige eigenaar geplaatst. Als daarmee de strook grond niet te goeder trouw in bezit is gekomen dan is de vordering om een einde te maken aan dat bezit in 2020 verjaard, tenzij de strook grond door de rechthebbende is opgeëist. [gedaagde] heeft wel gesteld dat zijn oom een discussie had met [eiseres] over de erfgrens, maar heeft dat niet onderbouwd. Aan die stelling gaat de rechter daarom voorbij. [gedaagde] is in september 2020 eigenaar geworden van het perceel, maar heeft dat jaar geen aanspraak gemaakt op de strook grond en het schapenhek tot september 2024 laten staan. Daarmee is voldoende vast komen te staan dat de strook grond 20 jaar onafgebroken in bezit is geweest bij de opvolgende eigenaren van het perceel aan de [adres] .
Conclusie
3.11
[eiseres] is door verjaring eigenaar geworden van de strook grond tussen de kadastrale erfgrens en waar tot 14/15 september 2024 het schapenhek stond. De vordering om dat voor recht te verklaren wordt toegewezen.
[gedaagde] moet de stalen buizen constructie verwijderen
3.12
Uit toewijzing van de vordering om voor recht te verklaren dat [eiseres] eigenaar is van de strook grond, volgt dat [gedaagde] de stalen buizen constructie moet verwijderen. Die heeft hij immer zonder toestemming van [eiseres] op haar grond geplaatst. De vordering tot verwijdering wordt daarom toegewezen. [gedaagde] krijgt daar 30 dagen de tijd voor, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis.
Dwangsom
3.13
De gevorderde dwangsom van € 250,- per dag wordt bij gebrek aan betwisting toegewezen. Wel stelt de rechter daar een maximum aan van € 10.000,-.
[gedaagde] hoeft de schade aan de bijwoning niet te laten herstellen
3.14
[eiseres] vordert dat [gedaagde] de beschadiging aan de bijwoning laat repareren door een vakkundig aannemer, niet zijnde [gedaagde] zelf. Deze vordering wordt afgewezen, omdat de verhouding tussen partijen ernstig verstoord is en het daarom niet wenselijk is dat [gedaagde] iets laat doen aan een eigendom van [eiseres] . [eiseres] moet deze schade dus zelf laten herstellen, maar [gedaagde] moet daar wel voor betalen. Overigens heeft [eiseres] de kosten voor dit herstel laten opnemen in de offerte van [bedrijfsnaam] uit [plaats 2] . Zij gaat er dus kennelijk al van uit dat zij dit zelf moet regelen. Voor de hoogte van het schadebedrag dat [gedaagde] moet vergoeden verwijst de rechter naar de overwegingen onder het kopje
“ [gedaagde] moet schadevergoeding betalen”.
[gedaagde] moet de toegang herstellen tot de strook gelegen rechts van de bijwoning
3.15
Aan het einde van de oprit van [eiseres] heeft [gedaagde] een zwarte schutting geplaatst. Die schutting loopt door tot de zijmuur van de bijwoning van [eiseres] . Het gevolg daarvan is dat [eiseres] vanaf haar perceel niet meer bij de zijgevel van haar bijgebouw kan, terwijl zij dat voorheen wel kon. [gedaagde] moet ervoor zorgen dat [eiseres] daar weer bij kan. Omdat partijen hebben afgesproken dat de schutting kan blijven staan, zal er een toegangsdeur gemaakt moeten worden in de schutting. [gedaagde] heeft aangeboden om dat zelf en op eigen kosten te doen. [gedaagde] is aannemer en heeft de schutting zelf geplaatst. De rechter gaat er dan ook van uit dat [gedaagde] in staat is om een toegangsdeur te maken. Omdat de schutting waarin de deur gemaakt moet worden eigendom is van [gedaagde] staat de verstoorde relatie tussen partijen er niet aan in de weg dat [gedaagde] de toegangsdeur zelf maakt. Hij krijgt daarvoor dertig dagen de tijd.
[gedaagde] moet €4.053,50aan schadevergoeding betalen
3.16
[eiseres] vordert een bedrag van € 6.616,28 inclusief btw aan schadevergoeding. Zij baseert deze vordering op onrechtmatig handelen door [gedaagde] en onderbouwt het schadebedrag met een offerte van [bedrijfsnaam] uit [plaats 2] (productie 12). Het gaat daarbij om de volgende schadeposten:
- herstel van de beschadiging aan het bijgebouw;
- herstel van de toegang tot de strook grond naast het bijgebouw;
- plaatsen van een nieuwe erfafscheiding op de plek waar het schapenhek stond;
- terugplaatsen van de klinkers;
- terugplaatsen van het toegangshek.
3.17
Vast is komen te staan dat [eiseres] eigenaar is van de strook grond tussen de kadastrale grens en de erfgrens waar het schapenhek stond. [gedaagde] had het schapenhek en de klinkers die op deze strook grond lagen dus niet mogen verwijderen. Ook had hij het toegangshek van [eiseres] niet mogen verplaatsen. Door dat toch te doen, heeft hij onrechtmatig gehandeld. De schade die hij daardoor heeft veroorzaakt zal hij moeten vergoeden. Dat geldt ook voor de beschadiging aan de bijwoning die hij heeft veroorzaakt bij het weghalen van het oorspronkelijke hekwerk met toegangshek of door het plaatsen van een metalen rand. En voor het herstellen van de toegang tot de strook grond rechts van de bijwoning.
Reparatie van de schade aan het bijgebouw
3.18
De rechter heeft tijdens de bezichtiging ter plaatse op 19 augustus 2025 geconstateerd dat de beschadiging aan het bijgebouw minimaal is. Gelet daarop komt het bedrag van € 1.100 op de factuur van [bedrijfsnaam] de rechter erg hoog voor. Bovendien gaat het bij dat bedrag om een stelpost. Het bedrag van € 1.100,- is dus slechts een schatting en geen opgave van de werkelijke kosten. De rechter verwacht dat de kosten voor herstel van de beschadiging aan het bijgebouw niet meer dan € 250,- zal bedragen. De stelpost wordt dus slechts voor dat bedrag toegewezen. De offerte moet daarom met een bedrag van € 850,00 verminderd worden..
Kosten voor herstel van de toegang tot de strook naast het bijgebouw
3.19
Omdat [gedaagde] wordt veroordeeld om de toegang zelf en op eigen kosten te herstellen moet de offerte van [bedrijfsnaam] verminderd worden met de kosten die daarin zijn opgenomen voor het herstel van de toegang. Het gaat om een bedrag van € 260,00 aan materiaalkosten.
Kosten voor herstel van de erfafscheiding
3.2
[gedaagde] betwist dat voor de schade van het herstel van de erfafscheiding gerekend moet worden met de kosten van een nieuwe erfafscheiding en stelt dat er een correctie toegepast moet worden omdat het schapenhek al oud was en sowieso vervangen moest worden. De rechter volgt [gedaagde] hier niet in. Door het onrechtmatig verwijderen van het schapen hek is [eiseres] gedwongen om een nieuw hek te laten plaatsen.
Kosten voor het terugplaatsen van de klinkers
3.21
Om de stalen buizen constructie op de gereconstrueerde kadastrale grens te kunnen plaatsen, heeft [gedaagde] klinkers verwijderd van wat door [eiseres] als oprit werd gebruikt. Die klinkers heeft hij niet weggegooid. De kosten voor het terugplaatsen daarvan zijn opgenomen in de offerte van [bedrijfsnaam] en zal [gedaagde] moeten betalen.
Conclusie
3.22
De totale herstelkosten bedragen volgens de offerte van [bedrijfsnaam] € 5.468,00 exclusief btw. Na aftrek van de teveel berekende kosten voor de reparatie aan het bijgebouw (€ 850,00) en voor het herstel van de toegang tot de strook naast het bijgebouw (€ 260,00), blijft een bedrag van € 4.358,- over. Verder is de rechter van oordeel dat het bedrag uit de offerte naar beneden bijgesteld moet worden met de extra uren reistijd die het gevolg zijn van de keuze van [eiseres] voor een bedrijf uit [plaats 2] , terwijl gesteld noch gebleken is dat deze werkzaamheden niet door een bedrijf dichterbij uitgevoerd kunnen worden. De uren die met deze extra reistijd gemoeid zijn schat de rechter op 20. Die worden van het totaal aantal uren afgetrokken. Van de 75 uren blijven dan 55 uren over. Omdat van de vijf schadeposten er één wegvalt moet ook daarvoor een aantal uren in mindering gebracht worden. Voor het wegvallen van het herstel van de toegangspoort rekent de rechter 8 uur. Dan blijven er 47 uur over. Dat moet voldoende zijn voor de overige werkzaamheden. Het bedrag dat door de vermindering van de in totaal 28 uren van de offerte wordt afgetrokken is 28 x € 36,00 = € 1.008,00 . Uiteindelijk blijft er van de offerte een bedrag over van € 5.468,00 - € 850,00 - € 260,00 - € 1.008,00 = € 3.350,00 exclusief btw. Inclusief btw wordt dat € 4.053,50. Dat is het bedrag dat wordt toegewezen.
De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen
3.23
[eiseres] vordert vergoeding van alle gemaakte buitengerechtelijke kosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Ten tijde van het indienen van de dagvaarding bedroegen de kosten volgens [eiseres] € 7.500,-. Ter onderbouwing van de werkelijk gemaakte kosten heeft [eiseres] bij de akte wijziging van eis een factuur en een urenstaat overgelegd (productie 7). Op die factuur staat een bedrag van € 8.494,25 waarin is begrepen het griffierecht van € 1.325,-. Het griffierecht valt in ieder geval niet onder buitengerechtelijke kosten. Voor de rest van het bedrag geldt dat uit de urenstaat opgemaakt kan worden dat het overgrote deel van de werkzaamheden is verricht in het kader van deze procedure. De kosten daarvan vallen onder de proceskosten en niet onder buitengerechtelijke kosten. Of en welke werkzaamheden specifiek zijn verricht ter verkrijging van voldoening buiten rechte kan de rechter niet uit de urenstaat en/of de factuur opmaken. De vordering wordt daarom als onvoldoende onderbouwd afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.24
[eiseres] is grotendeels in het gelijk gesteld. [gedaagde] moet daarom de proceskosten betalen. [eiseres] vordert de werkelijke kosten, maar daarvoor is alleen plaats in uitzonderlijke gevallen, namelijk bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door de wederpartij. Dat is hier niet het geval. Daarom wordt bij de begroting van de proceskosten het liquidatietarief toegepast. Daarbij geldt het tarief dat hoort bij een vordering van € 10.000,00 tot € 20.000,00 en wordt 1 punt toegekend voor de dagvaarding, 1 punt voor de plaatsopneming/mondelinge behandeling en 1 punt voor de voortzetting van de mondelinge behandeling). De proceskosten worden begroot op:
- dagvaarding
136,72
- griffierecht
1.325,00
- salaris advocaat
1.959,00
(3 punten × € 653,00)
Totaal
1 3.420,72
in voorwaardelijke reconventie
Vordering tot schadevergoeding in natura wordt afgewezen
3.25
Voor het geval de rechter tot het oordeel komt dat [eiseres] eigenaar is geworden van de strook grond vordert [gedaagde] dat [eiseres] op grond van artikel 6:103 BW Pro wordt veroordeeld tot schadevergoeding in natura. Die schadevergoeding zou dan moeten bestaan uit teruglevering van de strook grond aan [gedaagde] . Waarom [gedaagde] recht zou hebben op de strook grond als [eiseres] daar op rechtmatige wijze eigenaar van is geworden, is de rechter niet duidelijk. Het door [gedaagde] gestelde gebrek aan ondubbelzinnig bezit en goeder trouw is bij de conventionele vordering aan de orde geweest en heeft geleid tot het oordeel dat [eiseres] door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond en kan hier dus niet tot het oordeel leiden dat [eiseres] schade moet vergoeden.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.26
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres] betalen. Die kosten bestaan uit de kosten van het salaris van de advocaat en hangen deels samen met de vorderingen in conventie. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:€ 653,- (1 punt voor de conclusie van antwoord in reconventie).
In conventie en reconventie
[gedaagde] moet de nakosten en wettelijke rente betalen
3.27
Omdat [gedaagde] zowel in conventie als in reconventie de proceskosten moet betalen, wordt hij ook veroordeeld tot betaling van de nakosten in conventie en reconventie. Die kosten worden vastgesteld op € 296,- (plus eventueel de verhoging zoals vermeld in de beslissing).
3.28
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De rechtbank:
in conventie
4.1
verklaart voor recht dat [eiseres] eigenaar is geworden van de strook grond tussen de kadastrale erfgrens (de rode stippellijn op de aangehechte kadasterkaart) en waar tot 14/15 september 2024 het schapenhek stond (de zwarte doorgetrokken lijn op de kadasterkaart),
4.2
veroordeelt [gedaagde] om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis de stalenbuizenconstructie te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250.- voor ieder dag dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet totdat een maximum van € 10.000,- is bereikt,
4.3
veroordeelt [gedaagde] om binnen 30 dagen na dit vonnis de toegang te herstellen tot de strook grond aan de rechterkant van het bijgebouw van [eiseres] , door in de door hem geplaatste zwarte schutting een toegangsdeur of andere opening te maken waardoor [eiseres] de strook grond rechts naast haar bijgebouw kan bereiken,
4.4
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 4.053,50 aan schadevergoeding,
4.5
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.420,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.7
wijst de vordering van [gedaagde] af,
4.8
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 653,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in conventie en reconventie
4.9
veroordeelt [gedaagde] in de nakosten van € 296,-, te betalen binnen veertien dagen na betekening. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening,
4.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.11
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Gaertman als voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. G. Delissen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.