Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3252

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
11627202 \ MC EXPL 25-1974
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 313 FaillissementswetArt. 27 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van instantie in schuldsaneringsprocedure op grond van Faillissementswet

In deze civiele zaak tussen eiser en gedaagde heeft de rechtbank Midden-Nederland op 3 juni 2026 uitspraak gedaan over een verzoek tot ontslag van instantie in reconventie. Na het tussenvonnis van 14 januari 2026, waarin werd vastgesteld dat de procedure in conventie geschorst en doorgehaald werd vanwege de schuldsaneringsregeling die op gedaagde van toepassing is, bleef de procedure in reconventie voortbestaan.

Gedaagde stelde een tegenvordering in, maar de bewindvoerder van gedaagde weigerde het geding in reconventie over te nemen. De kantonrechter constateerde een procedurele vergissing doordat eiser niet eerder de gelegenheid had gekregen om ontslag van instantie te vragen. Op verzoek van eiser werd dit alsnog toegekend op grond van artikel 313 in Pro verbinding met artikel 27 van Pro de Faillissementswet.

De kantonrechter ontslaat eiser van de instantie in reconventie, waarmee de procedure in reconventie wordt beëindigd. De uitspraak is gedaan door kantonrechter B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

Uitkomst: De kantonrechter verleent ontslag van instantie in reconventie op grond van artikel 313 jo. 27 Faillissementswet.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11627202 \ MC EXPL 25-1974
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.J.F. van de Voort,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 januari 2026;
- de e-mail van de bewindvoerder van [gedaagde] aan de rechtbank van 29 januari 2026;
- de e-mail van de bewindvoerder van [gedaagde] aan de rechtbank van 2 maart 2026;
- de e-mail van [eiser] aan de rechtbank van 9 maart 2026;
- de akte van uitlating in reconventie van de bewindvoerder van [gedaagde] van 11 maart 2026;
- de akte van [gedaagde] van 26 maart 2026 met producties;
- de e-mail van [eiser] aan de rechtbank van 21 april 2026.
1.2
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt gewezen.

2.De verdere beoordeling in reconventie

2.1
Ten aanzien van [gedaagde] is na de dagvaarding de schuldsaneringsregeling toegepast. In het tussenvonnis van 14 januari 2026 is geoordeeld dat de procedure in conventie daardoor van rechtswege is geschorst en is de procedure in conventie doorgehaald op de rol.
2.2
[gedaagde] heeft een tegenvordering ingesteld (de reconventie). In het tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld de bewindvoerder van [gedaagde] op te roepen het geding in reconventie over te nemen. Bij akte van 11 maart 2026 heeft de bewindvoerder aangegeven de reconventie niet over te zullen nemen.
2.3
De kantonrechter heeft [gedaagde] daarna in de gelegenheid gesteld te reageren op de repliek in conventie/antwoord in reconventie, wat hij op 26 maart 2026 heeft gedaan. Dit berust op een vergissing. [eiser] had de gelegenheid moeten krijgen om ontslag van instantie te vragen, zoals in het tussenvonnis is bepaald.
2.4
Op 21 april 2026 heeft [eiser] bij e-mail verzocht om – zo begrijpt de kantonrechter – ontslag van instantie in reconventie gevraagd. De kantonrechter zal dit op basis van artikel 313 in Pro verbinding met artikel 27 Faillissementswet Pro verlenen.

3.De beslissing

De kantonrechter
in reconventie
3.1
ontslaat [eiser] van de instantie.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op
3 juni 2026.
45353