Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de e-mail van de bewindvoerder van [gedaagde] aan de rechtbank van 29 januari 2026;
- de e-mail van de bewindvoerder van [gedaagde] aan de rechtbank van 2 maart 2026;
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
In deze civiele zaak tussen eiser en gedaagde heeft de rechtbank Midden-Nederland op 3 juni 2026 uitspraak gedaan over een verzoek tot ontslag van instantie in reconventie. Na het tussenvonnis van 14 januari 2026, waarin werd vastgesteld dat de procedure in conventie geschorst en doorgehaald werd vanwege de schuldsaneringsregeling die op gedaagde van toepassing is, bleef de procedure in reconventie voortbestaan.
Gedaagde stelde een tegenvordering in, maar de bewindvoerder van gedaagde weigerde het geding in reconventie over te nemen. De kantonrechter constateerde een procedurele vergissing doordat eiser niet eerder de gelegenheid had gekregen om ontslag van instantie te vragen. Op verzoek van eiser werd dit alsnog toegekend op grond van artikel 313 in Pro verbinding met artikel 27 van Pro de Faillissementswet.
De kantonrechter ontslaat eiser van de instantie in reconventie, waarmee de procedure in reconventie wordt beëindigd. De uitspraak is gedaan door kantonrechter B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
Uitkomst: De kantonrechter verleent ontslag van instantie in reconventie op grond van artikel 313 jo. 27 Faillissementswet.