Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3250

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
11997549 \ MC EXPL 25-6657
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 lid 1 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling promotionele bijdrage uit huurovereenkomst toegewezen aan Vereniging Bodyfashion

Vereniging Bodyfashion vordert betaling van een promotionele bijdrage die voortvloeit uit de huurovereenkomst van een showroomruimte in Almere, over de periode van 1 juli 2023 tot 30 juni 2026. [gedaagde] erkent een deel van de vordering tot en met 31 december 2025, maar betwist de bijdrage vanaf 1 januari 2026 en verzoekt om ontbinding van het vermeende verplichte lidmaatschap.

De kantonrechter oordeelt dat de promotionele bijdrage onderdeel is van de huurovereenkomst en dat [gedaagde] deze verplicht is te betalen zolang de huurovereenkomst loopt. Het verweer dat sprake zou zijn van een verplicht lidmaatschap wordt verworpen, omdat het gaat om een bijdrage gekoppeld aan de huur en niet om contributie. De kantonrechter wijst de vordering van Vereniging Bodyfashion toe, inclusief de hoofdsom, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.

Verder wordt vastgesteld dat de buitengerechtelijke incassokosten alleen worden toegewezen over het bedrag tot en met 31 december 2025, omdat voor de periode daarna geen incassokosten zijn gemaakt. De wettelijke handelsrente wordt toegewezen vanaf 10 februari 2026 over het resterende bedrag. Een verzoek om betalingsregeling wordt afgewezen, en [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de promotionele bijdrage, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11997549 \ MC EXPL 25-6657
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
VERENIGING BODYFASHION NEDERLAND,
te Amersfoort,
eisende partij,
hierna te noemen: Vereniging Bodyfashion,
gemachtigde: M.J. van Twuijver,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 november 2025 met 5 producties,
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie,
- de conclusie van repliek en een vermeerdering van eis in conventie en antwoord in reconventie met productie 6,
- de conclusie van dupliek in conventie en repliek in reconventie met een productie,
- de conclusie van dupliek in reconventie.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

2.1
[gedaagde] huurt een showroomruimte in [locatie] in Almere. Onderdeel van de huurovereenkomst is dat [gedaagde] naast de huur ook een promotionele branchebijdrage aan Vereniging Bodyfashion verschuldigd is van € 462,50 per half jaar (hierna: bijdrage). Vereniging Bodyfashion vordert in deze procedure betaling van de achterstallige bijdrage, vermeerderd met rente en kosten. Het gaat om de bijdrage over de periode van 1 juli 2023 tot en met, na eiswijziging, 30 juni 2026. Na de ontvangst van deelbetalingen door [gedaagde] staat er volgens Vereniging Bodyfashion op dit moment € 3.985,79 open.
2.2
[gedaagde] erkent dat zij € 3.315,07 van het openstaande bedrag moet betalen. Dit zijn de bijdragen tot en met 31 december 2025 vermeerderd met rente en kosten en verminderd met de betalingen. [gedaagde] betwist de vordering vanaf 1 januari 2026. [gedaagde] vraagt de kantonrechter om het verplichte lidmaatschap van de Vereniging Bodyfashion te ontbinden, omdat [gedaagde] hierin geen toegevoegde waarde ziet. [gedaagde] zegt dat zij ook geen inzage heeft gehad in de promotionele activiteiten.

3.De beoordeling

[gedaagde] moet het gevorderde bedrag betalen
3.1
[gedaagde] heeft de hoofdsom tot en met 31 december 2025 en de bijkomende kosten erkend. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] ook de promotionele bijdrage voor het eerste half jaar van 2026 verschuldigd is, omdat de bijdrage uit de huurovereenkomst volgt. De vordering van Vereniging Bodyfashion wordt toegewezen. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
3.2
Volgens Vereniging Bodyfashion is geen sprake van een verplicht lidmaatschap. Vereniging Bodyfashion wijst erop dat het niet om contributie maar om een promotionele bijdrage gaat. [gedaagde] huurt, samen met andere huurders, een ruimte die onderdeel uitmaakt van het zogeheten Bodyfashion Center. Vereniging Bodyfashion heeft toegelicht dat de bepaling alleen voor de huurders in het Bodyfashion Center geldt en niet voor bedrijven die geen
body fashionaanbieden. Vereniging Bodyfashion zegt dat het [gedaagde] vrijstaat om haar lidmaatschap van de vereniging Bodyfashion op te zeggen, maar dat dit haar niet ontslaat van de verplichting om de promotiebijdrage te betalen. De promotiebijdrage volgt namelijk uit de huurovereenkomst. Vereniging Bodyfashion verwijst naar artikel 17 van Pro de huurovereenkomst. Daarin staat:
“Huurder is, gezamenlijk met de huurders welke bij het aangaan van de onderhavige huurovereenkomst deel uitmaken van de Vereniging Bodyfashion Nederland, een promotionele bijdrage aan de Vereniging Bodyfashion Nederland of haar rechtsopvolger(s) verschuldigd van € 55,00 exclusief BTW per m2 showroom per jaar. De Vereniging Bodyfashion Nederland zal de promotionele bijdrage zelfstandig bij de huurders factureren, innen, beheren en besteden. Verhuurder is in geen enkel geval aansprakelijk voor achterstallige betaling of andere zaken die in verband staan met de promotionele bijdrage. De promotionele bijdrage zal worden aangewend voor o.a. promotie en marketing van het gehuurde (nieuwsbrieven, catalogus, kick-off, beheren website) en andere organisatorische activiteiten om traffic van retailpartijen te genereren in [locatie] .”
3.3
De kantonrechter stelt Vereniging Bodyfashion in het gelijk. De promotionele bijdrage is onderdeel van de huurovereenkomst. [gedaagde] , die handelt in de uitvoering van een beroep, heeft hier bij het sluiten van de overeenkomst mee ingestemd. De kantonrechter begrijpt uit het standpunt van [gedaagde] dat zij af wil van de verplichting om de promotionele bijdrage te betalen. Dit kan niet, omdat de promotionele bijdrage is gekoppeld aan de huur. De verplichting om de bijdrage te betalen eindigt pas wanneer de huurovereenkomst ook eindigt. Hoewel de kantonrechter zich kan voorstellen dat bij [gedaagde] verwarring is ontstaan door het woord ‘lidmaatschap’ op de factuur, maakt dit het oordeel over de verschuldigdheid van de vergoeding niet anders. Omdat de bijdrage onderdeel is van de geldende huurovereenkomst, kan [gedaagde] de betaling daarvan niet weigeren. De conclusie is dat [gedaagde] de bijdrage zal moeten (blijven) betalen zo lang de huur voortduurt.
De buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente
3.4
Vereniging Bodyfashion vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Vereniging Bodyfashion heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Vereniging Bodyfashion heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Een bedrag van € 572,70 wordt toegewezen. Dit is het bedrag dat bij dagvaarding gevorderd is. De kantonrechter vindt het onredelijk om ook over de bijdrage vanaf 1 januari 2026 buitengerechtelijke kosten te rekenen, omdat [gedaagde] dit termijnbedrag tijdens deze procedure verschuldigd is geworden en niet is gebleken dat Vereniging Bodyfashion hiervoor buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt.
3.5
Omdat [gedaagde] met de betaling van de hoofdsom in verzuim verkeert, is zij wettelijke handelsrente verschuldigd. Tot en met 9 februari 2026 is € 739,80 aan wettelijke handelsrente toewijsbaar.
Slotsom
3.6
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom (dagvaarding)
- factuur van 9-1-2026 (eisvermeerdering)
- rente tot en met 9-2-2026
- buitengerechtelijke incassokosten



4.477,04
559,63
739,80
572,70
+
totaal
6.349,17
- betalingen
2.409,63
-/-
Totaal
3.939,54
3.7
Vanwege de betalingen die [gedaagde] heeft verricht, zijn de buitengerechtelijke incassokosten en de rente tot en met 9 februari 2026 reeds voldaan (artikel 6:44 lid 1 BW Pro). Dit betekent dat € 3.939,54 van de hoofdsom resteert. Over dit bedrag is [gedaagde] de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf 10 februari 2026 tot de dag van volledige betaling.
3.8
[gedaagde] heeft verzocht om een betalingsregeling. De kantonrechter kan geen betalingsregeling opleggen. Het is aan partijen om hier onderling afspraken over te maken.
De proceskosten
3.9
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Vereniging Bodyfashion worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.356,35

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan Vereniging Bodyfashion te betalen een bedrag van € 3.939,54, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW met ingang van 10 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan Vereniging Bodyfashion te betalen een bedrag van € 572,70 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.356,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
PM/45352