Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3240

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
81/280395-24; 81/374783-24 (t.t.z. gevoegd)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 57 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en gebruik van valse facturen

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 27 mei 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en het gebruik van valse facturen. De zaak betrof twee strafzaken die zijn samengevoegd. De verdachte werd gedeeltelijk vrijgesproken voor enkele aangiften over 2018 en 2019, omdat de omzet in die periode werd toegerekend aan zijn besloten vennootschap en niet aan zijn eenmanszaak.

De rechtbank stelde vast dat de verdachte in de periode van mei 2019 tot en met december 2020 onjuist voorbelasting heeft geclaimd voor zijn eenmanszaak, terwijl deze niet actief was. Daarnaast gebruikte hij op 14 november 2022 valse facturen van een ander bedrijf om voorbelasting te claimen bij de Belastingdienst. De rechtbank vond de verklaringen van de verdachte en een getuige over de facturen niet betrouwbaar en concludeerde dat de facturen vals waren.

De rechtbank kwalificeerde de feiten als opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting en het opzettelijk gebruik van valse geschriften. Gezien de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder gezondheidsproblemen en schulden, en het ontbreken van een strafblad voor soortgelijke feiten, legde de rechtbank een taakstraf van 150 uur op met aftrek van voorarrest. De eerder opgelegde strafbeschikkingen werden vernietigd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 150 uur taakstraf met aftrek van voorarrest wegens opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting en gebruik van valse facturen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 81/280395-24; 81/374783-24 (t.t.z. gevoegd)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 mei 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1976] in [geboorteplaats] (Marokko),
BRP-adres: [adres] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

Op 27 maart 2025 zijn twee strafbeschikkingen tegen de verdachte uitgevaardigd, waartegen de verdachte op 1 mei 2025 verzet heeft ingesteld. De strafzaak is op 2 december 2025 door de politierechter verwezen naar de meervoudige kamer, waarna de strafzaak van de verdachte inhoudelijk is behandeld op de openbare zitting van 13 mei 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie mr. O.J.M. van der Bijl;
  • de advocaat van de verdachte mr. M. van Leeuwen (hierna: de advocaat).

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
81/280395-24 (zaak I)
in de periode van 3 juli 2018 tot en met 22 december 2020 elf keer onjuist en/of onvolledig kwartaalaangiften voor de omzetbelasting heeft gedaan, wat ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven;
81/374783-24 (zaak II)
op 14 november 2022 opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste geschriften alsof deze echt waren, door valse of vervalste facturen van het bedrijf [bedrijf 1] op de sturen naar de Belastingdienst.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht om de strafbeschikkingen te vernietigen en de verdachte vrij te spreken van beide feiten. Voor zover van belang voor de beoordeling, zal de rechtbank de standpunten van de advocaat hierna bespreken.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Zaak I (aangiften omzetbelasting)
3.3.1.1.
Gedeeltelijke vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte vrijgesproken moet worden van het opzettelijk onjuist doen van kwartaalaangifte omzetbelasting voor het tweede, derde en vierde kwartaal van 2018 en het derde en vierde kwartaal van 2019. Dit zijn de aangiften waarin volgens het Openbaar Ministerie ten onrechte geen omzet is aangegeven, en daarnaast ook geen verschuldigde btw.
De beschuldiging heeft betrekking op aangiften die de verdachte heeft gedaan voor zijn eenmanszaak [eenmanszaak] (hierna: de eenmanszaak). De verdachte was echter eveneens directeur-grootaandeelhouder van de besloten vennootschap met de naam [B.V.] B.V. (hierna: de B.V.). De Belastingdienst en de FIOD hebben onderzoek gedaan naar de verdachte, onder meer vanwege overboekingen door de bedrijven [bedrijf 2] en [bedrijf 3] B.V. De rechtbank stelt vast dat deze overboekingen zijn gegaan naar de bankrekening van de B.V. (en niet die van de eenmanszaak), dat facturen aan [bedrijf 2] en [bedrijf 3] B.V. facturen zijn van de B.V. en dat de werkzaamheden voor [bedrijf 2] en [bedrijf 3] B.V. zijn uitgevoerd op basis van een overeenkomst van opdracht goederenvervoer met de B.V. Uit het dossier blijkt niet dat de eenmanszaak in de ten laste gelegde periode een overeenkomst had met [bedrijf 2] en [bedrijf 3] B.V. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat in de ten laste gelegde periode alle omzet is gemaakt door de B.V. De B.V. was daarmee de aangifte- en belastingplichtige voor de omzetbelasting, en niet (de verdachte als eigenaar van) de eenmanszaak.
Het enkele feit dat op de facturen vanuit de BV het btw-nummer van de eenmanszaak van de verdachte stond, maakt niet dat het gaat om omzet van de eenmanszaak. Er is geen rechtsregel waar dat uit volgt. De verdachte heeft hierover, zowel bij de FIOD als op de zitting, overigens verklaard dat hij werkte met een gratis boekhoudprogramma waarmee hij facturen opmaakte. De verdachte vergat weleens sommige gegevens te wijzigen, waardoor het btw-nummer van de eenmanszaak op de facturen van de BV terecht is gekomen. Het is de verdachte niet opgevallen, omdat het btw-nummer in het klein onderaan de facturen wordt weergegeven. De rechtbank vindt de uitleg van de verdachte voorstelbaar. Die verklaring past ook bij bevinding van de FIOD dat de eenmanszaak per 15 april 2020 is opgeheven, en daarmee onwaarschijnlijk is dat er in het derde en vierde kwartaal van 2020 zoals tenlastegelegd nog omzet is gemaakt.
In de vijf hierboven genoemde kwartaalaangiften is ook geen voorbelasting teruggevraagd. Ten aanzien van deze vijf kwartaalaangiften kan de rechtbank daarom niet vaststellen dat de verdachte onjuist aangifte omzetbelasting heeft gedaan. De rechtbank zal de verdachte daarom gedeeltelijk vrijspreken van het feit.
3.3.1.2.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het feit gedeeltelijk is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
3.3.1.3.
Bewijsoverwegingen
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat in de ten laste gelegde periode door de verdachte zes keer voorbelasting is geclaimd. De rechtbank is van oordeel dat het opgeven van deze voorbelasting onjuist is geweest en dat de verdachte dit opzettelijk heeft gedaan. Er is namelijk niet gebleken dat de verdachte (vanuit zijn eenmanszaak) in de ten laste gelegde periode activiteiten heeft verricht. Dat betekent dat er ook geen kosten kunnen zijn gemaakt waarvoor door derden btw bij de eenmanszaak in rekening is gebracht. De verdachte heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat dit anders was. Hij heeft hierover, ondanks daar vele keren te zijn uitgenodigd, geen enkele informatie of administratie verstrekt. De verdachte heeft verklaard dat hij vanuit verschillende bedrijven ritten voor [bedrijf 4] heeft gereden en dat deed omdat hij (vanwege) boetes anders geen opdrachten meer kreeg. De bedrijven volgden elkaar steeds met een tussenpoos op. Uit die verklaring volgt dat de eenmanszaak in de bewezenverklaarde periode niet actief was. Uit het dossier blijkt ook niet van een lopende overeenkomst tussen de eenmanszaak en opdrachtgevers (of onderaannemers) en ook niet dat er facturen zijn voldaan door de eenmanszaak aan onderaannemers. Hiermee kan het niet anders zijn dan dat de verdachte onjuist en opzettelijk voorbelasting heeft geclaimd voor de eenmanszaak. Het opvoeren van btw die niet is voldaan als voorbelasting, is naar zijn aard geschikt om te weinig belasting te heffen. De rechtbank vindt dan ook bewezen dat de verdachte het feit onder zaak I heeft gepleegd. In totaal is door de verdachte (€ 3.939,00 + € 3.790,00 + € 7.263,00 + 12.500,00 + € 2.500,00 + € 5.600,00 =) € 35.592,00 ten onrechte aan voorbelasting geclaimd.
De verdediging heeft de vraag opgeworpen of ten aanzien van alle aangiften de termijn al was verstreken voor het indienen van de aangiften. Het antwoord op die vraag is echter niet van belang. De tenlastelegging houdt immers niet in dat de verdachte niet of niet tijdig aangifte heeft gedaan. De beschuldiging houdt in dat de aangiften die de verdachte wel heeft gedaan, onjuist zijn. Ook een onverplicht gedane aangifte is ‘een bij de belastingwet voorziene aangifte’ als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
De rechtbank vindt bewezen dat de verdachte over het eerste en tweede kwartaal van 2019 en heel 2020 opzettelijk onjuist aangifte omzetbelasting heeft gedaan waardoor er te weinig belasting is geheven.
3.3.2.
Zaak II (gebruik valse facturen)
3.3.2.1.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het feit gedeeltelijk is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
3.3.2.2.
Bewijsoverwegingen
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 14 november 2022 25 facturen heeft opgestuurd naar de Belastingdienst die vals waren. De facturen doen voorkomen alsof zij afkomstig zijn van het bedrijf [bedrijf 1] terwijl dit niet het geval was. Op de facturen vallen meerdere aspecten op. Op één van de facturen wordt bijvoorbeeld het bankrekeningnummer van [B.V.] B.V. als begunstigde bankrekening vermeld. De opmaak, lay-out en het (typerend) gebruik van hoofdletters is gelijk aan facturen van [B.V.] B.V. aan andere bedrijven. Ook heeft een groot deel van de facturen een datum van na de opheffing van [bedrijf 5] op 1 september 2019. Verder heeft de getuige [getuige 1] - de persoon die handelt op naam van de eenmanszaak [bedrijf 1] en van wie de facturen afkomstig zouden zijn - in zijn verhoor bij de FIOD verklaard dat hij de facturen niet kent en niet heeft opgemaakt.
De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring die [getuige 1] later heeft afgelegd bij de rechter-commissaris, omdat de rechtbank deze verklaring niet betrouwbaar vindt. De verklaring bij de FIOD is naar het oordeel van de rechtbank het meest authentiek. Deze verklaring volgt het kortst op het ten laste gelegde feit en op dat moment is de getuige zeer stellig dat hij de facturen niet heeft opgemaakt. De getuige wist op dat moment nog niet waarover hij verhoord zou worden. Zijn verklaring bij de rechter-commissaris oogt warrig en de getuige weet belangrijke details, zoals de naam van zijn eigen bedrijf, niet meer te reproduceren terwijl hij de naam van een specifiek boekhoudprogramma wel weet. Het gebruik van dit boekhoudprogramma zou het verhaal van de verdachte bevestigen. Ook kan de getuige zich niet herinneren of hij de facturen wel of niet op de laptop van de verdachte heeft gemaakt. Ook de naam van de B.V. van verdachte kan getuige niet goed reproduceren (hij noteert deze als: ‘ [naam] ’). De rechtbank hecht daarom geen waarde aan de verklaring van de getuige bij de rechter-commissaris.
De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de verklaring van de verdachte over de uitbetalingen (van voorschotten) aan [bedrijf 1] op geen enkele manier te verifiëren is, terwijl meerdere malen aan hem is gevraagd om daarover informatie aan te leveren. Er zijn bijvoorbeeld geen kwitanties aangeleverd, terwijl de verdachte heeft verklaard dat een deel van de betalingen aan [bedrijf 1] in cash zijn geweest en daar ook vastleggingen van zijn.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de facturen niet afkomstig zijn van [bedrijf 1] en dus vals zijn. Door het verstrekken van deze valse facturen is de Belastingdienst ten onrechte voorgehouden dat er sprake was van voorbelasting van een onderaannemer van de (zaak van) verdachte. Door het versturen van de valse facturen heeft de verdachte het oogmerk gehad om deze facturen als echt en onvervalst te gebruiken. De rechtbank vindt dit feit dan ook wettig en overtuigen bewezen. De rechtbank twijfelt er overigens niet aan dat de verdachte met zijn BV daadwerkelijk ritten heeft uitbesteed aan onderaannemers, maar kennelijk zijn de betalingen aan onderaannemers nooit goed administratief verantwoord.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
81/280395-24 (zaak I)
in de periode
1 mei 2019tot en met 22 december 2020 in Zeist, in elk geval in Nederland, telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten digitale aangiften voor de omzetbelasting over
- het eerste kwartaal van het jaar 2019 (ten name van [verdachte] ) en
- het tweede kwartaal van het jaar 2019 (ten name van [verdachte] ) en
- het eerste kwartaal van het jaar 2020 (ten name van [verdachte] ) en
- het tweede kwartaal van het jaar 2020 (ten name van [verdachte] ) en
- het derde kwartaal van het jaar 2020 (ten name van [verdachte] ) en
- het vierde kwartaal van het jaar 2020 (ten name van [verdachte] ),
telkens onjuist heeft gedaan, door telkens in de ingediende aangiften een onjuist bedrag voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven;
81/374783-24 (zaak II)
op 14 november 2022 in Zeist, in elk geval in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift, te weten
- een factuur van [bedrijf 1] met factuurnummer 201906-001, en
- een factuur van [bedrijf 1] met factuurnummer 201906-002, en
- een factuur van [bedrijf 1] met factuurnummer 201911-003, en
- een factuur van [bedrijf 1] met factuurnummer 201911-004, en
- een factuur van [bedrijf 1] met factuurnummer 201911-005, en
- meer andere facturen van [bedrijf 1]
als ware deze echt en onvervalst,
door die geschriften op te sturen naar de Belastingdienst
terwijl hij, verdachte, wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware die echt en onvervalst.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
81/280395-24 (zaak I)
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd
81/374783-24 (zaak II)
opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst
4.2.
Strafbaarheid feiten en de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar. Er is namelijk niets gebleken dat de strafbaarheid wegneemt.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
  • een taakstraf van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert,
  • een gevangenisstraf van 4 maanden geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft zich op het standpunt gesteld dat, bij een bewezenverklaring, het passend is om een geheel voorwaardelijke straf met een lange proeftijd op te leggen. De advocaat heeft verzocht om er rekening mee te houden dat de verdachte aanzienlijke schulden heeft, het slecht gaat met de gezondheid van de verdachte en hij al veel negatieve effecten heeft ondervonden van deze zaak.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan btw-fraude. Hij heeft bij het indienen van de aangiften omzetbelasting voor zijn eenmanszaak onterecht bedragen aan voorbelasting ingevuld. Door deze onjuiste aangiften is de belastingdienst niet in staat geweest de juiste belastingverplichtingen vast te stellen. Daarnaast heeft de verdachte gebruik gemaakt van valse geschriften door valse facturen aan de Belastingdienst toe te sturen. De Belastingdienst moet kunnen vertrouwen op de echtheid van documenten die worden ingestuurd. De goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting staat of valt met de juistheid en volledigheid van de ingediende aangiften en echtheid van documenten. In het geval hier niet van uit kan worden gegaan, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting volledig ondergraven en brengt de overheid en daarmee de samenleving nadeel toe.
Persoonlijke omstandigheden en het strafblad van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in aanmerking genomen. De verdachte heeft verschillende problemen met zijn gezondheid, hij heeft op dit moment geen werk en inkomen en hij heeft aanzienlijke schulden.
Strafkader
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf op zijn
plaats is. Bij het bepalen van de hoogte van de taakstraf neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte consequenties van deze zaak heeft ondervonden, doordat hij aanzienlijke schulden heeft gekregen. Daarnaast gaat het om oudere feiten, hoewel de vertraging in het behandelen van de zaak deels bij de verdachte zelf ligt. De rechtbank legt een lagere taakstraf op dan bij de strafbeschikkingen tezamen is opgelegd en door de officier van justitie nu is geëist, omdat de rechtbank uitgaat van minder fiscaal nadeel dan de officier van justitie en verdachte gedeeltelijk wordt vrijgesproken. De rechtbank ziet geen aanleiding om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zoals door de officier van justitie is geëist.
Alles afwegende legt de rechtbank aan de verdachte een taakstraf op van 150 uren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • 9, 22c, 22d, 57, 63, 225 artikelen van het Wetboek van Strafrecht;
  • 69 van de Algemene wet inzake Rijksbelasting.

7.De beslissing

De rechtbank:
strafbeschikkingen
- vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikkingen onder de parketnummers 81/280395-24 en 81/374783-24;
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 150 uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 75 dagen hechtenis;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. M.H. Erich en mr. J.P. Verboom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Scholten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
81/280395-24 (zaak I)
hij op één of meer tijdstippen in de periode 3 juli 2018 tot en met 22 december 2020 in Zeist en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,
(telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één (of meer) (digitale) aangifte(n) voor de omzetbelasting over
- het tweede kwartaal van het jaar 2018 (ten name van [verdachte] ) (DOC-004-01) en/of
- het derde kwartaal van het jaar 2018 (ten name van [verdachte] ) (DOC-004-01) en/of
- het vierde kwartaal van het jaar 2018 (ten name van [verdachte] ) (DOC-004-01) en/of
- het eerste kwartaal van het jaar 2019 (ten name van [verdachte] ) (DOC-004-01) en/of
- het tweede kwartaal van het jaar 2019 (ten name van [verdachte] ) (DOC-004-01) en/of
- het derde kwartaal van het jaar 2019 (ten name van [verdachte] ) (DOC-004-01) en/of
- het vierde kwartaal van het jaar 2019 (ten name van [verdachte] ) (DOC-004-01) en/of
- het eerste kwartaal van het jaar 2020 (ten name van [verdachte] ) (DOC-004-01) en/of
- het tweede kwartaal van het jaar 2020 (ten name van [verdachte] ) (DOC-004-01) en/of
- het derde kwartaal van het jaar 2020 (ten name van [verdachte] ) (DOC-004-01) en/of
- het vierde kwartaal van het jaar 2020 (ten name van [verdachte] ) (DOC-004-01),
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan en/of heeft laten doen, door
(telkens) op/in het/de ingeleverde/ingediende aangifte(n) een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting / voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven en/of doen of laten opgeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven;
81/374783-24 (zaak II)
hij op of omstreeks 14 november 2022 in Zeist en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift, te weten
- een factuur van [bedrijf 1] met factuurnummer 201906-001 (DOC-001-09), en/of
- een factuur van [bedrijf 1] met factuurnummer 201906-002 (DOC-001-10), en/of
- een factuur van [bedrijf 1] met factuurnummer 201911-003 (DOC-001-11), en/of
- een factuur van [bedrijf 1] met factuurnummer 201911-004 (DOC-001-12), en/of
- een factuur van [bedrijf 1] met factuurnummer 201911-005 (DOC-001-13), en/of
- een of meer andere facturen van [bedrijf 1] (DOC-001-14 – DOC-001-33)
als ware deze echt en onvervalst,
door dit/die geschrift(en) op te sturen naar de Belastingdienst, dan wel opzettelijk zodanige geschriften heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad,
terwijl hij, verdachte, wist en/of redelijkerwijs moest vermoeden, dat dit/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het/die echt en onvervalst.
Bijlage II: Bewijsmiddelen [1]
81/280395-24 (zaak I)
Een geschrift, te weten de ambtsedige verklaring omzetbelasting van [ambtenaar] , als ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst, van 4 september 2023, met bijlagen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
De ondergetekende als ambtenaar werkzaam bij de Belastingdienst/ Centrale administratieve processen, verklaart dat zij in de door haar geraadpleegde systemen het volgende heeft waargenomen, ten behoeve van [verdachte] :
- dat het persoonlijk domein met gebruikersnaam [gebruikersnaam] van de aangever is geactiveerd met het daarbij opgegeven e-mailadres [e-mailadres] @hotmail.com;
- dat de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken 2e kwartaal 2018 t/m 4e kwartaal 2020 van belastingplichtige in het beveiligde gedeelte van de Belastingdienst internetsite zijn geplaatst;
- dat de inzending van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken 4e kwartaal 2018 t/m 4e kwartaal 2020 heeft plaatsgevonden via de internetsite Mijn Belastingdienst Zakelijk met gebruik van DigiD. [2]
Datum/tijdstip ontvangen aangiften:
Ond. Ref.nr Tijdvak Ontvangen op
OB [ID nummer] 1-jan-19 31-mrt-19 1-mei-19
OB [ID nummer] 1-apr-19 30-jun-19 5-aug-19
OB [ID nummer] 1-jan-20 31-mrt-20 11-mei-20
OB [ID nummer] 1-apr-20 30-jun-20 7-sep-20
OB [ID nummer] 1-jul-20 30-sep-20 31-okt-20
OB [ID nummer] 1-okt-20 31-dec-20 22-dec-20 [3]
Aangiftengegevens via DAS
Begindatum 2019-01-01
Einddatum 2019-03-31
ID [ID nummer]
Naam [verdachte]
Datum ondertekening 2019-05-01
Verschuldigde omzetbelasting 0
Voorbelasting 3939
Totaal te betalen terug te vragen -3939
Begindatum 2019-04-01
Einddatum 2019-06-30
ID [ID nummer]
Naam [verdachte]
Datum ondertekening 2019-08-05
Verschuldigde omzetbelasting 0
Voorbelasting 3790
Totaal te betalen terug te vragen -3790 [4]
Begindatum 2020-01-01
Einddatum 2020-03-31
ID [ID nummer]
Naam [verdachte]
Datum ondertekening 2020-05-11
Verschuldigde omzetbelasting 0
Voorbelasting 7263
Totaal te betalen terug te vragen -7263
Begindatum 2020-04-01
Einddatum 2020-06-30
ID [ID nummer]
Naam [verdachte]
Datum ondertekening 2020-09-07
Verschuldigde omzetbelasting 0
Voorbelasting 12500
Totaal te betalen terug te vragen -12500 [5]
Begindatum 2020-07-01
Einddatum 2020-09-30
ID [ID nummer]
Naam [verdachte]
Datum ondertekening 2020-10-31
Verschuldigde omzetbelasting 0
Voorbelasting 2500
Totaal te betalen terug te vragen -2500
Begindatum 2020-10-01
Einddatum 2020-12-31
ID [ID nummer]
Naam [verdachte]
Belanghebbende
Datum ondertekening 2020-12-22
Verschuldigde omzetbelasting 0
Voorbelasting 5600
Totaal te betalen terug te vragen -5600 [6]
Een geschrift, te weten het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van [eenmanszaak] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Inzien uittreksel - [eenmanszaak]
Op 16-04-2020 is geregistreerd dat de onderneming is opgeheven met ingang van 15-04-2020.
Onderneming
Handelsnaam [eenmanszaak]
Rechtsvorm Eenmanszaak
Startdatum onderneming 12-03-2018 (datum registratie: 12-03-2018)
Eigenaar
Naam [verdachte]
Geboortedatum [1976] [7]
Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , opgemaakt op 27 september 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Wat waren uw bevindingen tijdens het boekenonderzoek met betrekking tot
voorbelasting?
A: [verdachte] was gevraagd informatie te overleggen met betrekking tot de door hem
geclaimde voorbelasting. Dit heeft hij echter niet gedaan en hij vertelde mij dat hij geen
administratie had. Daarom kan er niet worden aangetoond dat de geclaimde voorbelasting
terecht is teruggevraagd. [8]
Een proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 28 november 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Waar heeft u de aangifte omzetbelasting van [eenmanszaak] over de periode vanaf het 2e kwartaal 2018 tot en met het 4e kwartaal 2020 ingevuld?
A: 50% van de aangiften heb ik ingevuld in Zeist en de andere aangiften kunnen overal
geweest zijn. [9]
De verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 13 mei 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U vraagt aan mij of ik vanuit de eenmanszaak [eenmanszaak] heb gereden voor [bedrijf 4] . Mijns inziens niet. Ik heb voor [eenmanszaak] maar heel weinig werkzaamheden gedaan. Vanuit [B.V.] B.V. is dit een aantal jaar geweest. Op uw vraag waarom ik naast de eenmanszaak, een bv had en later weer een eenmanszaak, kan ik zeggen dat ik vanwege boetes en dergelijke telkens een andere entiteit nodig had om voor mijn opdrachtgever [bedrijf 4] nog ritten te kunnen rijden. Mijn ene bedrijf volgde dan de ander met steeds een tussenpoos op.
81/374783-24 (zaak II)
Een proces-verbaal van ambtshandeling, opgemaakt op 27 september 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Door de Belastingdienst zijn er schriftelijke bescheiden en bestanden ter beschikking gesteld uit het boekenonderzoek naar [verdachte] . lk zag dat het stuk een bijlage bevatte die bestond uit 27 facturen waarvan 25 unieke facturen van [bedrijf 1] .
Ik las in het logboek dat op 14 november 2022 per e-mail facturen waren gestuurd door [verdachte] . [verdachte] schreef dat het een gedeelte van de facturen betrof. lk zag dat [verdachte] een bijlage had toegevoegd met daarin onder andere de facturen van [bedrijf 1] . [10]
Een proces-verbaal van ambtshandeling, opgemaakt op 27 september 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Analyse facturen [bedrijf 1]
Ik las dat de facturen gericht waren aan [B.V.] B.V. ter attentie van [verdachte] . Het viel mij op dat op 24 van de 25 facturen stond ‘over te maken naar bankrekeningnummer
[rekeningnummer] ten name van [getuige 1] ’ maar dat er op één factuur stond ‘over te maken naar bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [getuige 1] ’.
[rekeningnummer] is het bankrekeningnummer van [B.V.] B.V. zelf.
lk vergeleek de facturen van [bedrijf 1] met facturen van [B.V.] B.V. aan
[bedrijf 2] . lk zag dat de opmaak, layout en typerend gebruik van hoofdletters gelijk waren aan elkaar. Voorbeelden hiervan zijn:
- De exacte plek op de factuur waar vaste onderdelen staan zoals de geadresseerde, afzender, bedrijfsinformatie, de kop van de factuurregels en de regel met de betalingsinstructie.
- De gebruikte woorden in de kop van de factuurregels en de betalingsinstructie.
- Steeds dezelfde woorden die vet gedrukt zijn.
- Het gebruikte lettertype. [11]
- De afkorting 'btw' die op dezelfde plek op de factuur met en zonder hoofdletter gebruikt wordt.
- Letters in de postcode, toevoeging huisnummers en het IBAN bankrekeningnummer zonder
hoofdletters.
Ik legde de facturen van [bedrijf 1] op chronologische volgorde van factuurdatum daarbij viel mij op dat de factuurdata en factuurnummers niet overeenkomstig opliepen, bijvoorbeeld factuur en dat de gefactureerde perioden elkaar niet in een chronologische volgorde opvolgen.
[bedrijf 1]
Uit informatie van de Kamer van Koophandel komt naar voren dat [bedrijf 1] de eenmanszaak was van [getuige 1] . Verder las ik dat [bedrijf 1] op 2 juli 2019 is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en per 1 september 2019 is opgeheven. [12] Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , opgemaakt op 26 januari 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
O: Wij tonen u DOC-001-09 een factuur met factuurnummer 201906-001 en factuurdatum 9 juni 2019 op naam van [bedrijf 1] gericht aan [B.V.] t.a.v. [verdachte] .
V: Herkent u deze factuur?
A: Nee, helemaal niet. Ik kan dat niet eens opmaken. [13]
V: Wat kunt u over deze factuur verklaren?
A: Die ken ik niet, die heb ik ook niet opgemaakt
O: Wij hebben deze factuur van [verdachte] ontvangen. [verdachte] claimt de omzetbelasting terug. [verdachte] heeft verklaard dat u deze factuur opgemaakt heeft.
V: Heeft u deze factuur opgemaakt?
A: lk heb geen factuur opgemaakt. [verdachte] kan dat wel zeggen, maar dat is niet zo. [14]
De gehele inhoud van de geschriften, te weten de facturen van [bedrijf 1] met factuurnummers 201906-001, 201906-002, 201911-003, 201911-004, 201911-005, 201911-006, 201911-007, 202001-002, 202001-003, 202001-004, 202001-005, 202001-006, 202001-007, 202001-008, 202002-009, 202002-010, 202002-011, 202002-012, 202002-013, 202002-014, 202003-015, 202003-016, 202003-017, 202003-018 en 202009-001 [15]

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD/Belastingdienst met proces-verbaalnummer 72465, onderzoek Enderby, doorgenummerd pagina 1 tot en met 641. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.Pagina 432.
3.Pagina 433.
4.Pagina 436.
5.Pagina 437.
6.Pagina 438.
7.Pagina 506.
8.Pagina 136.
9.Pagina 76.
10.Pagina 159.
11.Pagina 161.
12.Pagina 162.
13.Pagina 144.
14.Pagina 145.
15.Pagina’s 396 t/m 420.