ECLI:NL:RBMNE:2026:3237

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
UTR_25_1984
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deels toewijzing proceskostenveroordeling na intrekking beroep tegen UWV-besluit arbeidsongeschiktheid

Stichting Axioncontinu heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV over de mate van arbeidsongeschiktheid van een ex-werkneemster. Dit beroep is ingetrokken nadat het UWV gedeeltelijk aan het verzoek van Stichting Axioncontinu tegemoet is gekomen door een gewijzigd besluit waarin de arbeidsongeschiktheid per 21 mei 2024 werd vastgesteld op volledig en duurzaam.

De rechtbank beoordeelde het verzoek om proceskostenveroordeling van het UWV en oordeelde dat het UWV inderdaad gedeeltelijk aan het beroep tegemoet was gekomen. Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenveroordeling deels toe, waarbij een forfaitaire vergoeding voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand werd toegekend.

De rechtbank wees geen vergoeding toe voor reis- en verletkosten omdat de gemachtigde al een forfaitaire vergoeding ontving en de verzoekster zelf niet aanwezig was bij de zitting. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht door het UWV moet worden vergoed.

De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen op 11 juni 2026 en is verzonden aan partijen. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan Stichting Axioncontinu na gedeeltelijke tegemoetkoming in het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1984

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen

Stichting Axioncontinu Groep, uit Utrecht, verzoekster

(gemachtigde: R. Bakkenes),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: R. Bakkenes).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] (ex-werkneemster).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het Uwv in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van het Uwv van 4 februari 2025.
1.1.
Het Uwv heeft op het verzoek gereageerd het eens te zijn met een forfaitaire vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Uwv ziet echter geen reden voor vergoeding van de gevraagde reis- en verletkosten omdat eiseres niet op de zitting aanwezig was en haar gemachtigde al een forfaitaire vergoeding krijgt voor het bijwonen van de zitting.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling deels toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is het Uwv aan verzoekster tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het Uwv geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4.1.
In een besluit van 22 april 2022 heeft het Uwv de loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van de
ex-werkneemster per 6 juli 2022 gewijzigd in een loonaanvullingsuitkering op grond van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Vervolgens heeft het Uwv op
26 september 2024 vastgesteld dat de ex-werkneemster 53,71% arbeidsongeschikt is, maar dat de WIA-uitkering niet wijzigt.
4.2.
In een besluit van 4 februari 2025 heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster hiertegen gegrond verklaard. De ex-werkneemster wordt per 6 juli 2022 67,96% arbeidsongeschikt geacht en per 8 maart 2024 60,65%. In het verweerschrift van
15 september 2025 heeft het Uwv toegelicht dat de datum van 8 maart 2024 moet worden gelezen als 21 mei 2024.
4.3.
Het Uwv heeft op 18 februari 2026 in een gewijzigd besluit meegedeeld dat de
ex-werkneemster per 21 mei 2024 recht heeft op een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA-uitkering), omdat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Dit besluit vervangt het bestreden besluit van 4 februari 2025 voor zover dit betrekking heeft op de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 maart 2024 c.q. 21 mei 2024. Voor het overige wordt de beslissing van 4 februari 2025 gehandhaafd. Hiermee is het Uwv gedeeltelijk tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
Welk bedrag aan proceskosten moet het Uwv aan verzoekster vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van de gevraagde verletkosten, omdat eiseres zelf niet op de zitting aanwezig was en haar gemachtigde al een forfaitaire vergoeding krijgt voor het bijwonen van de zitting.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
7. De rechtbank wijst erop dat het Uwv verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. [3] Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het Uwv wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.