Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3234

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
C/16/611454 / KL ZA 26-131
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing locatieverbod voor zoon na meerdere geweldsincidenten bij woning ouders

Ouders vorderen een locatieverbod voor hun zoon vanwege meerdere gewelds- en dreigingsincidenten bij hun woning, waaronder vernielingen, een schietincident en een explosie. Zoon is niet verschenen in de procedure, waardoor verstek is verleend.

De rechter oordeelt dat ouders een spoedeisend belang hebben bij het verbod, gezien de ernst en frequentie van de incidenten en de impact op de veiligheid en gezondheid van het gezin en de buurt. Er is een reële kans op herhaling en geen zicht op verbetering.

Het locatieverbod wordt voor twee jaar toegewezen, omdat een onbepaalde duur onredelijk is gezien de bewegingsvrijheid van zoon. Bij overtreding geldt een dwangsom van €500 per keer, met een maximum van €5.000. Zoon wordt tevens veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Locatieverbod voor zoon binnen 50 meter van woning ouders voor twee jaar met dwangsom en proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/611454 / KL ZA 26-131
Vonnis in kort geding van 12 juni 2026
in de zaak van

1.[eisende partij sub 1] ,

2.
[eisende partij sub 2],
beiden wonende in [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: ouders,
advocaat: mr. K. van Polen,
tegen
[gedaagde partij],
met briefadres in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: zoon,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 26 mei 2026 met drie producties;
  • de mondelinge behandeling van 4 juni 2026 en de aantekeningen daarvan van de griffier;
  • de spreekaantekeningen van ouders.
1.2.
Zoon was niet bij de mondelinge behandeling aanwezig. Hij is wel correct voor de mondelinge behandeling opgeroepen, zodat hij had kunnen weten dat de mondelinge behandeling plaats zou vinden op 4 juni 2026. Nu de zoon toch niet is verschenen in de procedure verleent de rechter verstek, wat betekent dat de procedure zal worden voortgezet buiten de aanwezigheid van zoon.

2.De kern van de zaak

2.1.
Tot ongeveer drie jaar geleden woonde zoon bij ouders. De afgelopen drie jaar hebben zoon en ouders vrijwel geen contact gehad. Zoon komt soms naar de woning van ouders aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de “
woning”) en heeft daar, naar het zich laat aanzien, meerdere gewelds- en dreigingsincidenten veroorzaakt. Ouders vragen de rechter daarom om zoon te verbieden om binnen een straal van 50 meter van de woning van ouders te komen. En als zoon toch binnen 50 meter van de woning komt, dat hij dan een geldbedrag aan ouders moet betalen.
2.2.
De voorzieningenrechter geeft ouders gelijk. Hieronder wordt uitgelegd waarom.

3. De beoordeling

Ouders hebben een spoedeisend belang bij hun vordering

3.1.
Ouders zijn een kortgedingprocedure gestart. In een kortgedingprocedure kan de rechter een spoed- of ordemaatregel opleggen, zoals het locatieverbod dat ouders voor zoon vragen. Om het locatieverbod te kunnen opleggen, moeten ouders een spoedeisend belang hebben.
3.2.
De rechter vindt dat ouders een spoedeisend belang hebben bij hun vordering. Dat komt alleen al omdat ouders stellen dat er sprake is van handelen van zoon dat onmiddellijk moet stoppen. Er zijn meerdere incidenten geweest bij de woning en de situatie is ingrijpend voor zowel ouders als buurtbewoners. Zo is er bij de woning op 26 februari 2026 een vuurwerkbom tot ontploffing gebracht. De politie vermoedt dat zoon betrokken is bij dit laatste incident. Vanwege dit laatste incident heeft de burgemeester de woning voor meer dan een week gesloten en heeft de woningcorporatie gezegd de huurovereenkomst (vooralsnog) te willen beëindigen. Ter zitting is door ouders hierbij nog aangegeven dat zoon op 31 mei 2026 een vernieling heeft gepleegd bij de woning. Ouders hebben gelet op het voorgaande belang bij een snelle maatregel.
Het locatieverbod wordt toegewezen
3.3.
Zoon heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering en is niet verschenen in de procedure. Er is verstek verleend. De rechter wijst de vordering van ouders daarom toe, tenzij het locatieverbod onrechtmatig of ongegrond is. Bij de beoordeling hiervan weegt de rechter de belangen van partijen tegen elkaar af.
3.4.
Het locatieverbod dat ouders voor zoon vragen is een ingrijpende maatregel. Deze maatregel maakt namelijk inbreuk op het recht van zoon om zich vrij te verplaatsen. Daarom moet er sprake zijn van feiten en omstandigheden die deze inbreuk in hoge mate rechtvaardigen en er moet een reële kans op herhaling bestaan.
3.5.
In dit geval hebben ouders voldoende gesteld en aannemelijk gemaakt dat er sprake is van onrechtmatig handelen door zoon bij de woning en dat er een reële kans op herhaling is van soortgelijke incidenten in de toekomst. Uit het procesdossier - waaronder een brief van de gemeente - blijkt dat zoon meerdere keren bij gewelds- dan wel dreigingsincidenten bij de woning van ouders betrokken is geweest. Het gaat om elf incidenten in ongeveer vier jaar tijd. De incidenten zijn zeer ingrijpend voor ouders. Zo heeft er in september 2024 ter hoogte van de woning een schietincident plaatsgevonden, waarvoor onder andere zoon is aangehouden. Verder heeft zoon in augustus 2025 een ruit van de woning vernield. Ook heeft zoon in oktober 2025 een autoruit vernield, zijn broertje geslagen en zou zoon met een vuurwapen voor de woning hebben gestaan. Zoals hierboven reeds benoemd heeft er daarna op 26 februari 2026 een explosie bij de woning plaatsgevonden, waarbij de politie vermoedt dat zoon (ook) hierbij betrokken is. Bovendien is zoals gezegd zoon op 31 mei 2026 over het hek de tuin van ouders ingeklommen en heeft hij twee ruiten van de woning ingegooid. Door de incidenten hebben ouders met het gezin in het verleden meer dan een week ergens anders moeten slapen omdat de burgemeester de woning sloot, wil de woningcorporatie (vooralsnog) de huurovereenkomst beëindigen en is de gezondheid van moeder verslechterd. Bovendien is er een reële kans op meer incidenten als zoon in de buurt van de woning van ouders mag blijven komen. De gemeente heeft hierover opgemerkt dat van een afnemende dreiging immers geen sprake is, dit integendeel. Opgemerkt wordt dat de openbare orde ernstig is verstoord, de kans op herhaling van nieuwe geweldsincidenten reëel is, en dat er in de buurt (gelegen in een woonwijk met veel gezinnen) sprake is van gevoelens van onveiligheid. Dat de dreiging niet is afgekomen blijkt ook uit de omstandigheid dat zoon zeer recent nog twee ruiten van de woning heeft ingegooid. Daarbij weegt mee dat ouders hebben verklaard dat zoon hulp nodig heeft, maar dat hij de juiste hulp nog niet heeft gekregen. Er lijkt dus op korte termijn geen (enkel) zicht op verbetering.
3.6.
Om meer incidenten te voorkomen, hebben ouders er belang bij dat zoon niet meer bij hun woning komt. Dat belang weegt zwaarder dan het belang van zoon om bij de woning te komen, nu zoon daar niet meer woont en het niet is gebleken dat zoon om andere redenen bij de woning moet zijn.
3.7.
Al deze omstandigheden rechtvaardigen een locatieverbod voor zoon. De vordering van ouders is niet onrechtmatig of ongegrond. Zoon mag daarom niet meer binnen een straal van 50 meter van de woning van ouders (aan de [adres] ) te [woonplaats] komen.
De termijn van het locatieverbod
3.8.
Ouders vragen om het locatieverbod voor onbepaalde duur op te leggen, vanwege de ernst van de situatie. Als dit niet kan, dan vragen zij om een redelijke termijn aan het locatieverbod te verbinden, die recht doet aan de belangen van partijen.
3.9.
De rechter vindt het op dit moment proportioneel om het locatieverbod voor twee jaar op te leggen. Het is onredelijk het verbod voor onbepaalde tijd op te leggen, omdat het locatieverbod inbreuk maakt op de bewegingsvrijheid van zoon en het op dit moment nog niet duidelijk is hoe de vlag er over twee jaar bij hangt. Een termijn van twee jaar is verder redelijk, omdat dit voor langere tijd rust en veiligheid kan geven voor ouders. Bovendien doen de incidenten zich al bijna vier jaar voor en lijkt er geen zicht op snelle verbetering van de situatie, zodat het gerechtvaardigd is de termijn langer dan een jaar te laten lopen.
3.10.
De termijn van twee jaar begint te lopen vanaf het moment van betekening van dit vonnis.
De veroordeling wordt opgelegd met een dwangsom
3.11.
Stel dat zoon toch binnen een straal van 50 meter bij de woning van ouders komt, dan moet hij een geldbedrag betalen (een dwangsom). De dwangsom is € 500,00 voor iedere keer dat zoon toch bij de woning komt, met een maximum van € 5.000,00.
Zoon moet de proceskosten van ouders vergoeden
3.12.
Omdat ouders gelijk krijgen, moet zoon hun proceskosten van in totaal € 1.195,02 vergoeden. De proceskosten bestaan uit:
  • € 153,02 voor de kosten van de dagvaarding;
  • € 760,00 voor het salaris van de advocaat;
  • € 93,00 voor het griffierecht;
  • € 189,00 voor de nakosten (plus de verhoging van € 98,00 zoals die in de beslissing hieronder staat).
3.13.
Zoon moet de proceskosten binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan ouders betalen. Als hij niet binnen veertien dagen betaalt, dan moet hij over de proceskosten wettelijke rente betalen.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
verbiedt zoon om gedurende twee jaar vanaf betekening van dit vonnis binnen een straal van 50 meter van de woning van ouders aan de [adres] in [woonplaats] te komen;
4.2.
veroordeelt zoon om aan ouders een dwangsom te betalen van € 500,00 per keer dat zoon niet aan het locatieverbod zoals genoemd onder punt 4.1 voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt;
4.3.
veroordeelt zoon om de proceskosten van € 1.195,02 aan ouders te betalen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met € 98,00 en de kosten van betekening als zoon niet op tijd de proceskosten betaalt;
4.4.
veroordeelt zoon om de wettelijke rente over de proceskosten te betalen, als zoon de proceskosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis heeft betaald;
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.
5425