AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid: niet tijdig besluit en dwangsom opgelegd
Eiseres heeft op 13 november 2025 een verzoek om informatie ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo). Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, heeft niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken een besluit genomen op dit verzoek.
Eiseres heeft verweerder op 30 december 2025 in gebreke gesteld, waarna twee weken zijn verstreken zonder dat verweerder alsnog een besluit heeft genomen. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en verklaart het beroep gegrond op grond van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank draagt verweerder op om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn verder wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres (€ 467,-) en het betaalde griffierecht (€ 397,-).
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt verweerder op binnen twee weken alsnog te beslissen met oplegging van een dwangsom.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1309
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. E.G.J.M. Meijer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug,verweerder.
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend op 12 februari 2026 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) van 13 november 2025.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn voor het nemen van een beslissing op het Woo-verzoek is verstreken. Eiseres heeft op 13 november 2025 een verzoek om informatie op grond van de Woo (Woo-verzoek) ingediend. Verweerder moet binnen vier weken beslissen op het verzoek. Dat staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Woo. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres verweerder op
30 december 2025 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 vanPro de Awb).
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen op het Woo-verzoek, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
6. De rechtbank is niet gebleken van een bijzonder geval. De rechtbank draagt verweerder daarom op om uiterlijk binnen twee weken na de verzending van deze uitspraak een beslissing te nemen op het verzoek van eiseres.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Proceskosten en griffierecht
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-.
9. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 397,- aan haar moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-; - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van L. El Kabch, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
De griffier is buiten staatte ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Voetnoten
1.Artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).