ECLI:NL:RBMNE:2026:3213

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/4482
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18.10 OmgevingswetArt. 4.13 Invoeringswet OmgevingswetArt. 5.19 WaboArt. 4:5 Algemene wet bestuursrechtArt. 5.1 Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking omgevingsvergunning voor wijziging pand naar zorgfunctie onterecht

Eiseres vroeg een omgevingsvergunning aan voor het wijzigen van een pand naar een zorgfunctie. Het college verleende deze vergunning, maar trok deze later in wegens vermeende onjuiste gegevens over bouwkundige tekeningen en brandwerende scheidingen.

De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft bewezen dat de vergunning onterecht is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens. De vermeende onduidelijkheden betreffen vooral bouwtekeningen die achteraf als onduidelijk werden ervaren, maar die vooraf door het college zijn beoordeeld en goedgekeurd.

De rechtbank stelt dat het college had moeten vragen om nadere informatie voordat de vergunning werd verleend. Ook zijn feitelijke uitvoeringsproblemen geen reden voor intrekking, maar kunnen via handhaving worden aangepakt.

Daarom vernietigt de rechtbank het intrekkingsbesluit en herroept het, waardoor de vergunning blijft gelden. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige toetsing bij vergunningverlening en het juiste gebruik van intrekkingsbevoegdheden onder de Omgevingswet.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het intrekkingsbesluit en herroept het, waardoor de omgevingsvergunning blijft gelden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4482

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. T.D. Rijs),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nieuwegein, verweerder
(gemachtigde: mr. C.E.H. Smit).

Procesverloop

1. Eiseres heeft op 21 december 2023 een aanvraag om een omgevingsvergunning
ingediend om de bestemming van het pand [adres] in [plaats] (hierna: het pand) te wijzigen naar gezondheidszorg voor dagbesteding en 24-uurs zorg voor zorgbehoevende ouderen. Het college heeft hiervoor met het besluit van
4 maart 2024 een omgevingsvergunning verleend.
2. Tijdens het uitvoeren van een aantal werkzaamheden hebben toezichthouders van de gemeente het pand gecontroleerd en daarover constateringsrapporten opgesteld. Naar aanleiding van deze rapporten heeft het college op 25 november 2024 eiseres laten weten dat hij van plan is de verleende omgevingsvergunning van 4 maart 2024 in te trekken.
3. Eiseres heeft geen zienswijze tegen dit voornemen ingediend. Vervolgens heeft het college met het besluit van 11 december 2024 (het intrekkingsbesluit) de omgevingsvergunning van 4 maart 2024 ingetrokken.
4. Het bezwaar dat eiseres heeft ingediend tegen het intrekkingsbesluit heeft het college met het besluit van 25 mei 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
5. Eiseres is het nog steeds niet eens met de intrekking van de omgevingsvergunning en heeft daarom beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
6. De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiseres heeft deelgenomen aan de zitting. De gemachtigde van het college heeft samen met casemanager [A] deelgenomen aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
7. De omgevingsvergunning voor het wijzigen van de bestemming is verleend toen de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) nog gold. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. De verleende omgevingsvergunning wordt van rechtswege een vergunning onder de Omgevingswet. Dit is geregeld in artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
8. Het college kan een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken als de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens. Dit is geregeld in artikel 18.10, vierde lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. Vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was deze bevoegdheid opgenomen in artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. De rechtbank zal voor haar beoordeling aansluiten bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) over de toepassing van dat artikel nu beide artikelen nagenoeg overeenkomen en de strekking hetzelfde is.
9. Uit die rechtspraak volgt dat voor de intrekking van een omgevingsvergunning wegens een onjuiste of onvolledige opgave noodzakelijk is dat vast staat dat de vergunning juist wegens de onjuistheid of onvolledigheid in de overgelegde gegevens is verleend. Het is aan het college om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor de uitoefening van zijn bevoegdheid tot intrekking is voldaan. [1] In deze zaak rust dus op het college de bewijslast om aan te tonen dat er een onjuiste of onvolledige opgave in de aanvraag is gedaan.
Het besluit van het college
10. Het college heeft de omgevingsvergunning ingetrokken omdat hij heeft geconstateerd dat bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn aangeleverd. Het college noemt de volgende aspecten:
  • In de bestaande situatie staat in de buitengevel aan de oostzijde bij ruimte 0.78 tussen stramien 20a en 21 een deur aangegeven, terwijl in de werkelijke toestand daar een vast kozijn zit.
  • In de bestaande situatie staan in de buitengevel aan de oostzijde bij ruimte 0.75 tussen stramien 19 en 20 vaste kozijnen aangegeven, terwijl in de werkelijke toestand daar een schuifdeur zit.
  • De scheiding van verschillende ruimtes worden niet volledig brandwerend uitgevoerd, omdat sommige scheidingen op het midden van een raam uitkomen. Tijdens de uitvoering is op sommige plekken een knikje in de muur gemaakt zodat het aansluit op een raamstijl (en ook weer weggehaald) of een brandwerend paneel voor het glas geplaatst. Beide situaties zijn niet aangegeven op tekening en daardoor is de ingetekende nieuwe situatie niet juist en tevens niet uitvoerbaar volgens de vergunde tekeningen om te voldoen aan eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Voor het afwijken van de vergunning (het wijzigen van de brandwerende scheidingen) is een nieuwe omgevingsvergunning nodig.
  • De buitengevels in de nieuwe situatie zijn wazig ingetekend en suggereren aan de oostzijde dichte gemetselde gevels met enkele kozijnen, dit komt niet overeen met de werkelijkheid.
  • In ruimte 14 in de nieuwe situatie ter plaatse van de binnendeur lopen diverse leidingen tegen het plafond waar een brandwerende scheiding is ingetekend. De uitvoerder wil de brandwerende scheiding verleggen, omdat het anders niet uitvoerbaar is. Dit staat niet aangegeven op tekening.
  • In ruimte 14 in de nieuwe situatie in de noordwest hoek bij de aansluiting met het vluchttrappenhuis van de woningen en parkeergarage is brandoverslag mogelijk. Op tekening had de brandwerende scheiding door moeten lopen, de hoek om. Dit is niet aangegeven op tekening.
  • In de nieuwe situatie is een vluchtrouteaanduiding aangegeven die naar een trappenhuis gaat wat in de kelder uitkomt. In de kelder is geen vluchtmogelijkheid.
11. Op de zitting heeft het college verduidelijkt dat de constatering dat de scheidingsmuren niet aansluiten op de muren, maar op (kozijnen van) raamvensters en daardoor de scheidingsconstructie niet brandwerend kan worden uitgevoerd, het springende punt is in de lijst van onjuiste gegevens. Indien het college dit had geweten ten tijde van de aanvraag, was de vergunning nooit verleend. Daarbij heeft het college benadrukt dat het gaat om een vergunning voor de opvang van een kwetsbare doelgroep.
De beroepsgronden
12. Eiseres voert aan dat de aanvraag om een omgevingsvergunning enkel op inpandige wijzigingen ziet. Het college had (als het al tot intrekken bevoegd zou zijn) moeten volstaan met het intrekken van de vergunning voor de (technische) bouwactiviteit. Bij de aanvraag zijn volgens eiseres ook geen onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt. Op de tekeningen voor de bestaande situatie zijn door de architect de laatste bekende bouwtekeningen aangehouden. Op de tekeningen zijn geen raampartijen ingetekend op onjuiste posities. De door het college gestelde onjuiste positie van de deur in de gevel, omdat deze feitelijk anders zou zijn gesitueerd, maakt niet dat onjuiste of onvolledige gegevens voor de aanvraag zijn verstrekt. De aanvraag ziet immers niet op enige bouwactiviteit met betrekking tot de buitenzijde en dus ook niet op de positie van deuren. Dat, zoals het college stelt, de aangeleverde tekeningen onduidelijk zouden zijn en dat daarop mogelijk wel een wijziging te zien zou zijn, is feitelijk onjuist. Daarbij is het eventueel onduidelijk zijn van zaken op een tekening geen situatie waarbij er sprake is van een onjuiste of onvolledige opgave. Het college heeft de tekeningen vóór het verlenen van de vergunning immers beoordeeld en deze kennelijk duidelijk genoeg bevonden. Als het college dat niet vond, dan had het college op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht nadere informatie of (detail)tekeningen kunnen opvragen. Het bordje nooduitgang staat op de tekening op de positie waar deze ook werd gerealiseerd en betekent niet dat onjuiste informatie is verstrekt. Verder voert eiseres aan dat feitelijke uitvoeringsproblemen bij de bouw, ook niet maken dat een onjuiste of onvolledige aanvraag zou zijn gedaan. Deze problemen kunnen conform de verleende vergunning worden opgelost en voor zover dit zou leiden tot een vergunningplichtige wijziging, dan zal daarvoor een nieuwe omgevingsvergunning worden gevraagd.
Oordeel van de rechtbank
13. De rechtbank vindt dat niet is komen vast te staan dat de omgevingsvergunning wegens onjuiste gegevens is verleend. Uit de besluitvorming en de zitting is haar gebleken dat het pijnpunt van het college voornamelijk zit in de onduidelijkheden ten aanzien van de scheidingsmuren in de tekeningen die zijn aangeleverd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning. Op de tekening van de bestaande situatie zijn volgens het college een aantal aspecten niet juist of niet duidelijk weergegeven. Verder heeft het college gesteld dat de tekening van de nieuwe situatie op een aantal punten “wazig” is en niet goed te zien is dat de scheidingsmuren aansluiten op vensters. Bij de controle door de toezichthouders is gebleken dat een aantal werkzaamheden die moeten zorgen voor een brandveilige situatie niet of niet conform die tekening uitgevoerd (kunnen) worden.
14. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in deze zaak niet zozeer om een onjuiste opgave bij de aanvraag, maar om een constatering van het college dat hij – achteraf gezien – de bouwtekeningen onduidelijk vond. Daarbij is van belang dat in de vergunningaanvraag is aangegeven dat het gaat om een verbouwing van ruimtes
inhet pand. De buitenmuren met de daarin aanwezige vensters bleven dus ongewijzigd. Indien de positie van de (bestaande) vensters en de aansluiting van de scheidingsmuren daarop voor het college onduidelijk was, had het op de weg van het college gelegen om aan eiseres duidelijkere (detail)tekeningen te vragen, voordat hij overging tot het verlenen van de vergunning. Juist ook omdat de beoordeling van de compartimentering van de zorgruimtes vanuit het oogpunt van brandveiligheid voor de opvang van deze kwetsbare doelgroep belangrijk is. Voor zover het college erop heeft gewezen dat de scheiding van verschillende (zorg)ruimtes niet volledig brandwerend worden uitgevoerd, geldt dat ook dit niet een reden is om de vergunning in te trekken. De rechtbank merkt daarover op dat op de tekening van de nieuwe toestand staat aangegeven dat de (zorg)ruimtes worden voorzien van een subbrandcompartimentering van 30 min WBDBO en dat deuren en kozijnen voldoen aan SA-classificatie rookwerendheid en deuren zelfsluitend zijn. Het is aan eiseres om ervoor te zorgen dat het pand na oplevering hieraan ook voldoet, of indien een wijziging van de vergunning daarvoor nodig is, deze aan te vragen. Op het moment dat vaststaat dat het pand niet conform de vergunning is verbouwd of in gebruik wordt genomen, dan kan het college gebruik maken van de handhavingsmogelijkheden die hij heeft wegens handelen in strijd met artikel 5.1 van de Omgevingswet.
15. Nu het college niet dan wel onvoldoende heeft aangetoond dat sprake is van een
onjuiste of onvolledige opgave, is de rechtbank van oordeel dat het college niet bevoegd was om de bij besluit van 4 maart 2024 verleende omgevingsvergunning met toepassing van artikel 18.10, vierde lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in te trekken.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 25 mei 2025. Omdat de rechtbank geen aanwijzingen heeft dat eiseres onjuiste informatie heeft verstrekt ten tijde van het aanvragen van de omgevingsvergunning, zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en meteen op het bezwaar beslissen. De rechtbank verklaart dit bezwaar gegrond en herroept het intrekkingsbesluit van 11 december 2024. Dit betekent dat het intrekkingsbesluit van tafel is en eiseres het pand mag wijzigen en gebruiken conform de verleende omgevingsvergunning van 4 maart 2024.
17. Dit oordeel staat overigens los van de mogelijkheid die het college heeft om, als in
afwijking van die vergunning wordt verbouwd/gehandeld, handhavend op te treden. De rechtbank begrijpt de zorg van het college over de brandveiligheid van het pand namelijk goed en zij gaat ervan uit dat ook eiseres onderschrijft dat het pand gelet op het toekomstige gebruik brandveilig moet zijn op het moment dat de (bouw)werkzaamheden zijn afgerond.
18. Omdat het beroep gegrond is en het primaire besluit wordt herroepen, veroordeelt de
rechtbank het college in de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting in bezwaar, met een waarde per punt van € 666,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Ook moet het college het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 25 mei 2024;
- herroept het primaire besluit van 11 december 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3200,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,- aan haar vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de ABRvS van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:720 en van , van 17 april 2021: ECLI:NL:RVS:2019:1156 en van 11 december 2013: ECLI:NL:RVS2013:2407.