AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens te late beslissing bestuursorgaan
Verzoekster diende op 5 februari 2025 beroep in tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen omdat verweerder niet tijdig had beslist op haar bezwaar van 5 juli 2024. Op 27 februari 2025 nam verweerder alsnog een beslissing en verklaarde het bezwaar ongegrond. Hierop trok verzoekster haar beroep in en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat, aangezien het beroep was ingetrokken omdat verweerder alsnog aan verzoekster tegemoet was gekomen, verweerder verplicht was de proceskosten te vergoeden conform artikel 8:75 enPro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verweerder had geen bezwaar tegen betaling van de proceskosten.
De rechtbank stelde de proceskosten vast op €467,-, gebaseerd op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van €934,- en een wegingsfactor van 0,5. Daarnaast is verweerder verplicht het griffierecht van €53,- te vergoeden, waarvoor verzoekster zich rechtstreeks tot verweerder moet wenden.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting, omdat de rechtbank voldoende informatie had om het verzoek te beoordelen. Verweerder is veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan verzoekster.
Uitkomst: Verweerder is veroordeeld tot betaling van €467,- aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het beroep wegens te late beslissing op bezwaar.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1106
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J. Jansen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,(gemachtigde: M. van Mourik) verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van 5 februari 2025 dat verzoekster heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 5 juli 2024.
Op 27 februari 2025 heeft verweerder alsnog een beslissing op het bezwaar van verzoekster genomen en het bezwaar ongegrond verklaard
Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.
Verweerder heeft op 20 oktober 2025 gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
J.B. Overtoom, griffier .De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.