Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3205

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/707
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens tijdige beslissing bestuursorgaan

Verzoeker stelde op 24 januari 2025 beroep in omdat verweerder niet tijdig had beslist op zijn bezwaar van 6 november 2023. Op 2 april 2025 nam verweerder alsnog een beslissing op bezwaar en handhaafde de eerdere beslissing van 10 oktober 2023. Hierop trok verzoeker het beroep in en vroeg vergoeding van zijn proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat verweerder de proceskosten van verzoeker moest betalen, omdat het beroep was ingetrokken nadat verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoet was gekomen. Verweerder had geen bezwaar tegen het betalen van de proceskosten.

De proceskosten werden vastgesteld op €467,-, gebaseerd op het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor. Daarnaast is verweerder verplicht het griffierecht van €53,- te vergoeden. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van het bedrag aan verzoeker zonder partijen voor een zitting uit te nodigen.

Uitkomst: Verweerder is veroordeeld tot betaling van €467,- aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/707

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

(gemachtigde: J. Voorn) verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van 24 januari 2025 dat verzoeker heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 6 november 2023.
Op 2 april 2025 heeft verweerder een beslissing op bezwaar genomen waarin hij de beslissing van 10 oktober 2023 in stand laat.
Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van zijn proceskosten.
Verweerder heeft op 23 mei 2025 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoeker te betalen.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op
€ 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.