Verzoeker stelde op 24 januari 2025 beroep in omdat verweerder niet tijdig had beslist op zijn bezwaar van 6 november 2023. Op 2 april 2025 nam verweerder alsnog een beslissing op bezwaar en handhaafde de eerdere beslissing van 10 oktober 2023. Hierop trok verzoeker het beroep in en vroeg vergoeding van zijn proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de proceskosten van verzoeker moest betalen, omdat het beroep was ingetrokken nadat verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoet was gekomen. Verweerder had geen bezwaar tegen het betalen van de proceskosten.
De proceskosten werden vastgesteld op €467,-, gebaseerd op het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor. Daarnaast is verweerder verplicht het griffierecht van €53,- te vergoeden. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van het bedrag aan verzoeker zonder partijen voor een zitting uit te nodigen.