Verzoekster diende op 6 november 2024 beroep in tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen omdat verweerder niet tijdig had beslist op haar bezwaar van 13 maart 2024. Op 9 januari 2025 nam verweerder alsnog een beslissing op bezwaar, waarmee het eerdere besluit van 8 februari 2024 werd vervangen. Hierna trok verzoekster haar beroep in en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet had gereageerd op het verzoek om proceskostenvergoeding, wat werd opgevat als geen bezwaar tegen vergoeding. Op grond van de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht stelde de rechtbank de proceskosten vast op €467,-. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van €51,- rechtstreeks door verweerder aan verzoekster moet worden vergoed.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting, omdat de rechtbank voldoende informatie had om het verzoek te beoordelen. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan verzoekster.