Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3199

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
UTR 24/6988
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding proceskosten na intrekking beroep wegens late beslissing bestuursorgaan

Verzoekster diende op 6 november 2024 beroep in tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen omdat verweerder niet tijdig had beslist op haar bezwaar van 13 maart 2024. Op 9 januari 2025 nam verweerder alsnog een beslissing op bezwaar, waarmee het eerdere besluit van 8 februari 2024 werd vervangen. Hierna trok verzoekster haar beroep in en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.

De rechtbank oordeelde dat verweerder niet had gereageerd op het verzoek om proceskostenvergoeding, wat werd opgevat als geen bezwaar tegen vergoeding. Op grond van de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht stelde de rechtbank de proceskosten vast op €467,-. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van €51,- rechtstreeks door verweerder aan verzoekster moet worden vergoed.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting, omdat de rechtbank voldoende informatie had om het verzoek te beoordelen. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan verzoekster.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €467,- aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het beroep wegens late beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6988

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. B. Bostancieri-Dinc),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg) verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van 6 november 2024 dat verzoekster heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 13 maart 2024.
Op 9 januari 2025 heeft verweerder een beslissing op bezwaar genomen en daarmee het besluit van 8 februari 2024 heeft vervangen.
Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van haar proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.B. Overtoom, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.