ECLI:NL:RBMNE:2026:3175

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/2324
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.A.J. Woutersen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WjsgParagraaf 3.1.1 Beleidsregels VOG-NP-RP 2025Paragraaf 3.1.3 Beleidsregels VOG-NP-RP 2025Paragraaf 3.1.4 Beleidsregels VOG-NP-RP 2025Paragraaf 3.1.4.1 Beleidsregels VOG-NP-RP 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bij weigering VOG wegens recente strafrechtelijke veroordelingen

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd omdat zijn aanvraag voor een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) door de staatssecretaris is afgewezen vanwege strafrechtelijke veroordelingen binnen de afgelopen vier jaar. Hierdoor kan hij niet werken in de zorgsector bij een specifieke werkgever. De voorzieningenrechter erkent het spoedeisend belang van verzoeker, omdat hij afhankelijk is van opdrachten via een bemiddelingsbureau waarvoor een VOG vereist is.

De voorzieningenrechter beoordeelt vervolgens of het bezwaar van verzoeker tegen de afwijzing een redelijke kans van slagen heeft. Het objectieve criterium is niet ter discussie: verzoeker is binnen de terugkijktermijn veroordeeld en de staatssecretaris mag het risico voor de samenleving zwaar laten wegen. Het subjectieve criterium, waarbij persoonlijke omstandigheden kunnen leiden tot afgifte van een VOG ondanks het objectieve criterium, wordt eveneens beoordeeld. Verzoeker heeft positieve stappen gezet, zoals het volgen van een HBO-opleiding, maar de recente veroordelingen en de nog lopende proeftijd wegen zwaarder.

De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en dat het belang van de samenleving bij bescherming tegen risico's zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van verzoeker. De voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Verzoeker kan wel andere werkzaamheden verrichten waarvoor geen VOG vereist is en wordt geadviseerd op termijn een nieuwe aanvraag te doen. De uitspraak is bindend voor de voorlopige voorziening en er is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de VOG wordt afgewezen omdat het belang van de samenleving zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2324

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Wetsema),
en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: P.J. van der Woude).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de aanvraag van verzoeker voor een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) voor de functie van [functie] in de zorg bij [bedrijf 1] B.V. De staatssecretaris heeft deze aanvraag afgewezen omdat verzoeker in de afgelopen vier jaar strafrechtelijke feiten heeft gepleegd. Daarom vindt de staatssecretaris het risico voor de samenleving te groot om verzoeker een VOG te geven voor deze functie. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening, namelijk dat wordt gedaan alsof hij een VOG heeft totdat de staatssecretaris op zijn bezwaar tegen de afwijzing heeft beslist, zodat hij in ieder geval tot die tijd kan werken en een inkomen heeft.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een VOG voor [functie] bij [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ). De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 8 januari 2026 afgewezen omdat verzoeker binnen de terugkijktermijn van vier jaar strafrechtelijke feiten heeft gepleegd (het bestreden besluit). Daarom vindt de staatssecretaris het risico voor de samenleving bij het afgeven van een VOG te groot.
2.1.
Verzoeker heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, namelijk door te beslissen dat wordt gedaan alsof verzoeker een VOG heeft totdat de staatssecretaris op zijn bezwaar heeft beslist.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Spoedeisend belang

3. In een voorlopige voorziening dient de voorzieningenrechter altijd eerst te kijken naar de vraag of verzoeker een dusdanig spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek dat niet kan worden gewacht totdat de staatssecretaris op zijn bezwaar heeft beslist, maar dat er eerder een voorziening moet worden getroffen.
3.1.
Verzoeker heeft hierover toegelicht dat hij vanaf 21 januari 2026 op non-actief is gesteld door [bedrijf 2] B.V. ( [bedrijf 2] ), zijn bemiddelingsbureau, vanwege het ontbreken van een VOG. Voor zijn inkomen is verzoeker als zzp’er afhankelijk van [bedrijf 2] voor zijn opdrachten. Verzoeker heeft ook een VOG aangevraagd voor [bedrijf 2] en deze is ook afgewezen door de staatssecretaris. Dit speelt in een andere procedure. In deze procedure heeft verzoeker een VOG aangevraagd voor [functie] bij [bedrijf 1] . Verzoeker heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij aan zijn opdrachten komt via [bedrijf 3] en dat hij geen onderscheid maakt tussen de verschillende BV’s van [bedrijf 3] (namelijk [bedrijf 2] en [bedrijf 1] ). Hij is afhankelijk van [bedrijf 3] voor zijn werk en heeft daarvoor de VOG nodig. Zonder [bedrijf 3] heeft hij geen opdrachten/werk en dus geen inkomen. Verzoeker heeft daarbij gesteld dat hij op dit moment zijn huur heeft opgezegd omdat hij geen inkomen heeft.
3.2.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de VOG-aanvraag voor [bedrijf 1] omdat verzoeker afhankelijk is van [bedrijf 3] voor zijn opdrachten/werkzaamheden. [bedrijf 1] heeft de VOG namelijk voor verzoeker aangevraagd. Daaruit leidt de voorzieningenrechter af dat [bedrijf 1] van plan is om verzoeker, zodra hij in het bezit zou zijn van de VOG, weer aan opdrachten/werk te helpen en verzoeker voor die opdrachten/dat werk ook daadwerkelijk de VOG nodig heeft.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Nu het spoedeisend belang van verzoeker in deze procedure vaststaat, moet de voorzieningenrechter vervolgens beoordelen, voor de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen, of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het besluit waartegen bezwaar is gemaakt zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging in bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. De voorzieningenrechter zal daarom allereerst beoordelen of de bezwaargronden van verzoeker een redelijke kans van slagen hebben.
4.1.
De voorzieningenrechter weegt vervolgens de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van de staatssecretaris die pleiten tegen het treffen daarvan, tegen elkaar af. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt in stand kan blijven, hoe minder ruimte er bij deze belangenafweging is voor de belangen van verzoeker.
Mocht verzoeker erop vertrouwen dat hij de VOG zou krijgen?
5. Verzoeker heeft erop gewezen dat hij in augustus 2025 een VOG heeft verkregen voor soortgelijke werkzaamheden bij [bedrijf 4] B.V. en dat hij er daarom op vertrouwde dat hij ook nu een VOG zou krijgen. Voor die VOG was namelijk een specifieker screeningsprofiel gebruikt dan het algemene screeningsprofiel waar nu een VOG voor wordt aangevraagd. Omdat hij bij een specifieker screeningsprofiel de VOG heeft gekregen, ging verzoeker ervan uit dat hij bij dit algemenere screeningsprofiel ook een VOG zou krijgen.
5.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker er niet op mocht vertrouwen dat hij nu weer een VOG zou krijgen. De staatssecretaris heeft namelijk geen concrete toezegging gedaan dat verzoeker in de toekomst weer een VOG zou krijgen, althans dat is niet gebleken. Verzoeker heeft ook niet gesteld dat er een concrete toezegging is gedaan. Het enkele feit dat er in augustus 2025 een VOG is verleend met een ander screeningsprofiel, is onvoldoende om erop te mogen vertrouwen dat de huidige VOG weer verleend zou worden. Dit betreft namelijk een andere situatie met een andere beoordeling. Kortom, het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft geen redelijke kans van slagen.
De beoordeling van de VOG
Het objectieve criterium
6. Voor de inhoudelijke beoordeling over de huidige VOG-aanvraag geldt allereerst dat de afgifte van een VOG door de staatssecretaris in beginsel wordt geweigerd indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan. [1] Dit heet ook wel het objectieve criterium. Voor de toets aan dit objectieve criterium geldt een terugkijktermijn in de justitiële documentatie van verzoeker van vier jaar.
6.1.
In deze zaak staat het objectieve criterium niet ter discussie. Het staat vast dat verzoeker strafrechtelijk is veroordeeld binnen de terugkijktermijn van vier jaar en de staatssecretaris heeft duidelijk uitgelegd wat de risico’s zijn als de strafbare feiten worden herhaald in deze functie. De voorzieningenrechter is, met de staatssecretaris, van oordeel dat als verzoeker via [bedrijf 3] gaat werken, er gelet op de door verzoeker gepleegde strafbare feiten een risico bestaat voor de goede vervulling van de opdrachten en de mogelijk kwetsbare cliënten waarmee verzoeker dan zou komen te werken.
Het subjectieve criterium
6.2.
Als er wordt voldaan aan het objectieve criterium, wordt de VOG in beginsel geweigerd. Op grond van het subjectieve criterium kan echter worden geoordeeld dat het belang dat verzoeker heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG alsnog afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. [2] Voor de beoordeling aan de hand van het subjectieve criterium wordt gekeken naar de afdoening van de strafzaak, de antecedenten, het tijdsverloop daarvan tot de aanvraag en verzoekers persoonlijke belangen bij het verkrijgen van een VOG. [3] De staatssecretaris betrekt bij de beoordeling van de aanvraag ook alle overige voor de aanvraag relevante justitiële gegevens die buiten de terugkijktermijn vallen. Op grond van de zowel binnen als buiten de termijn aangetroffen strafbare feiten wordt een inschatting gemaakt van het risico dat de aanvrager opnieuw met justitie in aanraking komt. [4]
6.3.
Over de afdoening van de strafzaak geldt dat verzoeker op 10 september 2024 is veroordeeld wegens drugshandel en omdat hij als bestuurder niet heeft willen meewerken aan een bloedonderzoek. Op 16 april 2025 is verzoeker veroordeeld vanwege twee gevallen van het aanwezig hebben van drugs, in dit geval lachgas. Deze feiten zijn, onder andere, afgedaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een gevangenisstraf is de zwaarste straf die een strafrechter kan opleggen, wat maakt dat de staatssecretaris hier een groot gewicht aan mag toekennen. Ook buiten de terugkijktermijn heeft verzoeker verschillende strafrechtelijke antecedenten. Hij is dus in het verleden meerdere keren de fout ingegaan. De voorzieningenrechter begrijpt dan ook dat de staatssecretaris vindt dat er daardoor een hoger risico is dat verzoeker opnieuw de fout in zou kunnen gaan en dat dit meeweegt in het nadeel van verzoeker.
6.4.
Wat betreft het tijdsverloop zit verzoeker voor zijn straf van 16 april 2025 nog in zijn proeftijd tot januari 2027. De staatssecretaris heeft dit, op het moment van het bestreden besluit, mogen meewegen in het nadeel van verzoeker. De voorzieningenrechter ziet dat sinds het bestreden besluit enige tijd is verstreken en dat er een groter tijdsverloop is op het moment dat de staatssecretaris een beslissing op bezwaar zal nemen. Daar zal de staatssecretaris rekening mee moeten houden als hij op het bezwaar van verzoeker beslist. De voorzieningenrechter kan op dit moment niet vooruitlopen op hoe de staatssecretaris het tijdsverloop dan zal meewegen.
6.5.
De voorzieningenrechter wil verder benadrukken dat tegenover de antecedenten van verzoeker en het tijdsverloop daarvan, die in zijn nadeel wegen, verzoeker ook persoonlijke belangen heeft die in zijn voordeel zouden kunnen wegen waarom hij alsnog voor een VOG in aanmerking zou kunnen komen. Verzoeker heeft namelijk naar eigen zeggen na zijn veroordeling voor drugshandel in 2024 zijn leven positief veranderd. Zo heeft verzoeker zijn MBO-diploma gehaald en is hij inmiddels gestart met een Hbo-opleiding, waarvan hij in zijn eerste jaar zit. Verzoeker heeft tijdens de zitting gesteld dat deze opleiding vier jaar duurt. Dat verzoeker deze stappen heeft gezet, is bewonderingswaardig en een goede ontwikkeling die de voorzieningenrechter positief waardeert. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat de staatssecretaris heeft mogen vinden dat verzoeker op dit moment nog te recent in aanraking is gekomen met justitie en dat in het nadeel van verzoeker zwaarder heeft mogen laten meewegen, ter bescherming van de samenleving, dan de persoonlijke belangen van verzoeker. De voorzieningenrechter baseert dat onder meer op de toelichting van de staatssecretaris dat na afloop van de proeftijd in januari 2027 verzoeker geen strafrechtelijke ‘stok achter de deur’ meer heeft en de staatssecretaris na die tijd ook wil zien of verzoeker zonder die stok achter de deur niet in aanraking komt met justitie. Kortom, de staatssecretaris heeft het te vroeg mogen achten om op basis van het subjectieve criterium verzoeker toch een VOG te geven. In de tussentijd kan verzoeker overigens andere werkzaamheden in de zorg verrichten waarvoor geen VOG is vereist. Zo heeft verzoeker tijdens de zitting toegelicht dat hij op zijn stage werkzaamheden mag verrichten en dat hij slechts bepaalde werkzaamheden (waarvoor wel een VOG is vereist) niet mag doen. Zijn stage kan hij dus blijven lopen. Zulke werkzaamheden zou verzoeker wellicht ook kunnen doen in opdracht/dienst van [bedrijf 3] .
6.6.
De voorzieningenrechter vindt het wel belangrijk dat verzoeker, mede gelet op het uiteindelijk kunnen afronden van zijn Hbo-opleiding en de stages die hij daarvoor moet lopen, perspectief nodig heeft over wanneer hij dan wel in aanmerking zou komen voor een VOG zoals hij die nu heeft aangevraagd. De voorzieningenrechter vindt het namelijk van belang dat verzoeker gemotiveerd blijft om de weg die hij in is geslagen met succes af te ronden. Verzoeker is naar eigen zeggen zijn leven aan het beteren en wil graag met jongeren werken om hen te behoeden voor het pad dat hij in het verleden heeft bewandeld. Omdat verzoeker voor zijn opleiding stages moet lopen, waarvoor hij uiteindelijk ook een VOG nodig zal hebben, en het feit dat hij in de zorg wil kunnen werken, acht de voorzieningenrechter het, gelet op de twee strafrechtelijke antecedenten met twee relatief korte gevangenisstraffen, voorstelbaar dat verzoeker niet nog drie jaar hoeft te wachten totdat zijn veroordeling buiten de terugkijktermijn van vier jaar voor het objectieve criterium valt. Als verzoeker daar wel op zou moeten wachten, zou dat namelijk betekenen dat verzoeker tijdens zijn Hbo-opleiding niet meer aan het werk kan met een VOG bij [bedrijf 3] of een stage kan lopen waarvoor een VOG nodig is. Daarom acht de voorzieningenrechter het op enig moment voorstelbaar dat verzoeker, gelet op het tijdsverloop en zijn persoonlijke belangen, in aanmerking kan komen voor een VOG op basis van het subjectieve criterium. Daarvoor zal hij tegen die tijd wel een nieuwe aanvraag moeten doen. Daarbij benadrukt de voorzieningenrechter dat het op dat moment aan de staatssecretaris is om die nieuwe aanvraag te beoordelen en de voorzieningenrechter uiteraard niet weet hoe de situatie van verzoeker dan zal zijn.
6.7.
De voorzieningenrechter concludeert dat de staatssecretaris de persoonlijke belangen van verzoeker op dit moment minder zwaar heeft mogen laten wegen dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het objectief vastgestelde risico.
6.8.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrecht van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
Belangenafweging
7. De voorzieningenrechter weegt ook altijd nog zelf de belangen af. Als het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, is er weinig ruimte om alsnog een voorlopige voorziening te treffen en komt er meer gewicht toe aan het belang dat is gediend met het besluit. De voorzieningenrechter vindt het belang dat met het bestreden besluit is gediend, namelijk bescherming van de samenleving, op dit moment zwaarder wegen dan de persoonlijke belangen van verzoeker. Verzoeker kan ander werk verrichten (in de zorg) waarmee hij in zijn inkomen kan voorzien. De weigering van de huidige aanvraag betekent ook niet dat verzoeker nooit in aanmerking zal komen voor een VOG voor een soortgelijke functie of stage of opnieuw een aanvraag kan doen bij dezelfde werkgever voor dezelfde werkzaamheden. De belangenafweging leidt dus ook niet tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de voorzieningenrechter geen voorziening zou treffen en verzoeker de uitkomst van zijn bezwaar zal moeten afwachten en de afwijzing van zijn VOG in ieder geval tot die tijd blijft staan. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.J. Woutersen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.L.K. Dagmar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 35, eerste lid, van de Wjsg en Paragraaf 3.1.3 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.
2.Paragraaf 3.1.4 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.
3.Paragraaf 3.1.4.1 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.
4.Paragraaf 3.1.1 van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025.