ECLI:NL:RBMNE:2026:316

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/7814 en UTR 25/7817
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.7 OmgevingswetArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 22.29 Omgevingsplan gemeente HilversumArt. 3 Regels bestemmingsplan Partiële herzieningArt. 8.3b Besluit kwaliteit leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunningen nieuw dierzorgcentrum Hilversum

Vergunninghouder wil een nieuw dierzorgcentrum bouwen op een perceel in Hilversum, waarvoor twee omgevingsvergunningen zijn verleend: één voor bouwen en werken, en één voor technische bouwactiviteiten, het kappen van 21 vergunningplichtige bomen en de aanleg van een nieuwe uitweg. Verzoeker, eigenaar van het naastgelegen perceel, maakte bezwaar tegen beide vergunningen en vroeg voorlopige voorzieningen omdat de sloop al was gestart.

De voorzieningenrechter beoordeelde of de bezwaren van verzoeker een redelijke kans van slagen hebben en of de belangenafweging een voorlopige voorziening rechtvaardigt. De kennisgevingen en motivering van de vergunningen waren volgens de rechter niet onduidelijk, onjuist of misleidend. De vergunningen voldeden aan de beoordelingsregels van het omgevingsplan en het college had geen beleidsruimte om privaatrechtelijke belemmeringen mee te wegen.

Verzoekers argumenten over onduidelijkheid van adressen, onvoldoende motivering van de ruimtelijke onderbouwing en onzorgvuldige voorbereiding werden verworpen. Ook de motivering voor het kappen van de bomen was voldoende, mede omdat een herplantplicht is opgelegd. De voorzieningenrechter zag geen evidente fouten en schatte de kans van slagen van het bezwaar gering in.

De belangen van het college en vergunninghouder om de vergunningen in stand te laten, waaronder het belang van het bouwproject en de niet-onomkeerbaarheid van de bouw, wogen zwaarder dan de belangen van verzoeker. Daarom werden de verzoeken om voorlopige voorzieningen afgewezen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorzieningen tegen de omgevingsvergunningen voor het dierzorgcentrum worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/7814 en UTR 25/7817

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A.P. van Knippenbergh),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder
(gemachtigde: mr. C.M.E. Janssen).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
de stichting Dierzorgcentrum Gooische Nest, gevestigd in Hilversum, vergunninghouder.

Inleiding

1.1.
Vergunninghouder wil op het perceel aan de [adres] in Hilversum (het perceel) de bestaande bebouwing slopen en een nieuw dierzorgcentrum bouwen. In dit dierzorgcentrum zullen een dierenasiel, een dierenambulance, een hondenpension en een educatieve voorziening worden ondergebracht. Om de bouw mogelijk te maken zullen 76 bomen – waarvan 21 vergunningplichtig – worden gekapt. Vanaf het perceel zal een nieuwe uitweg worden gemaakt naar de openbare weg.
1.2.
Het college heeft aan vergunninghouder twee omgevingsvergunningen verleend voor het realiseren van het nieuwe dierzorgcentrum. De eerste omgevingsvergunning is verleend voor de omgevingsplanactiviteiten bouwen en werken. En de tweede omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteiten het kappen van 21 bomen en de aanleg van een nieuwe uitweg. Met de tweede omgevingsvergunning heeft het college voor de te kappen bomen aan vergunninghouder een herplantplicht opgelegd voor eveneens 21 bomen als de bouw van het nieuwe dierzorgcentrum is afgerond.
1.3.
Verzoeker is eigenaar van het naastgelegen perceel aan de [adres] in Hilversum . Hij is het met beide omgevingsvergunningen niet eens en heeft tegen beide omgevingsvergunningen bezwaar gemaakt bij het college. Omdat vergunninghouder al is gestart met de sloopwerkzaamheden en daarna wil doorgaan met de activiteiten waarvoor de omgevingsvergunningen zijn verleend, heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd voorlopige voorzieningen te treffen.
1.4.
Het college heeft op de verzoeken gereageerd met twee verweerschriften.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
 verzoeker en de gemachtigde van verzoeker;
 de gemachtigde van het college; en,
 namens vergunninghouder, de voorzitter [A] en het bestuurslid [B] . Zij werden vergezeld door de bouwmanager [C] die opdracht heeft gekregen de vergunde activiteiten uit te voeren.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat toetst de voorzieningenrechter bij een verzoek om voorlopige voorziening?
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij voorlopige voorzieningen zal treffen of de bezwaren van verzoeker een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunningen te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker. Daarna zal de voorzieningenrechter beoordelen of de belangen van verzoeker om de omgevingsvergunningen te schorsen totdat het college op zijn bezwaren heeft beslist al dan niet zwaarder moeten wegen dan de belangen van het college en vergunninghouder om de omgevingsvergunningen in stand te laten. Hoe minder kans van slagen de bezwaren van vergunninghouder hebben, hoe minder ruimte er is voor zijn belangen.
4. De voorzieningenrechter zal deze beoordeling hierna voor allebei de omgevingsvergunningen afzonderlijk doen.
Verschillende aanvragen voor verschillende activiteiten
5. De voorzieningenrechter stelt bij zijn beoordeling voor beide omgevingsvergunningen voorop dat vergunninghouder zelf mag kiezen welke aanvragen voor welke activiteiten hij in welke volgorde indient. Het college moet elke aanvraag toetsen aan de voor die activiteit geldende beoordelingsregels.
6. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het niet met verzoeker eens is dat het college in strijd zou hebben gehandeld met het motiverings- en/of zorgvuldigheidsbeginsel omdat hij het gehele project niet integraal als één samenhangende activiteit heeft beoordeeld. Ook mocht het college de aanvragen niet buiten behandeling laten totdat voor alle activiteiten een aanvraag voor een omgevingsvergunning was ingediend. [1] Voor elke aanvraag geldt een afzonderlijke beslistermijn.
Omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteiten bouwen en werken
Waren de bekendmakingen onduidelijk, onjuist en/of misleidend?
7. Verzoeker voert aan dat de bekendmakingen van de aanvraag en de omgevingsvergunning onduidelijk, onjuist en/of misleidend waren. In de publicatie van de aanvraag staat als adres het adres van verzoeker vermeld en in de publicatie van de omgevingsvergunning staat het adres [adres] . Verder voert verzoeker aan dat het college de stukken niet of te laat aan hem heeft verstrekt. Dit is volgens verzoeker in strijd met het fair play beginsel.
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de kennisgeving van de ingekomen aanvraag om omgevingsvergunning staat vermeld dat de aanvraag ziet op de nieuwbouw van een dierzorgcentrum aan het Sportpark Crailoo achter de [adres] in Hilversum. Ten tijde van de aanvraag had het perceel nog geen eigen adres. De voorzieningenrechter vindt deze omschrijving duidelijk en dus niet onjuist en/of misleidend. Tegelijk met het besluit om de omgevingsvergunning te verlenen, heeft het college ook een huisnummerbesluit genomen voor het perceel. Met dat huisnummerbesluit zijn aan het perceel de huisnummers [adres] in Hilversum toegekend. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze besluitvorming en het vermelden van het juiste adres in de kennisgeving van de verleende omgevingsvergunning niet onduidelijk en niet in strijd met de rechtszekerheid.
9. In het verweerschrift heeft het college toegelicht dat hij zowel tijdens de procedure als na de verlening van de omgevingsvergunning aan verzoeker een link heeft gemaild waarmee hij alle stukken kon raadplegen. Ook uit het bezwaarschrift en het verzoek om voorlopige voorziening blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het voor verzoeker duidelijk was op welk perceel en welk bouwplan de aanvraag en de omgevingsvergunning betrekking heeft. Van strijd met het fair play beginsel is dus geen sprake.
Is de omgevingsvergunning voldoende gemotiveerd?
10. Verder voert verzoeker aan dat de ruimtelijke onderbouwing onjuist is dan wel onvoldoende onderbouwd c.q. gemotiveerd is.
11. De voorzieningenrechter begrijpt deze grond zo dat verzoeker vindt dat de omgevingsvergunning niet is verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. [2] Maar van zo’n evenwichtige toedeling van functies aan locaties hoeft alleen sprake te zijn als een aanvraag betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dit geval heeft het college bij de beoordeling van de aanvraag van vergunninghouder vastgesteld dat sprake is van een omgevingsplanactiviteit die niet in strijd is met het omgevingsplan (een zogenoemde binnenplanse omgevingsplanactiviteit). Het college moet de omgevingsvergunning verlenen als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. [3] Het college acht het bouwplan van vergunninghouder niet in strijd met de in het omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Ook is het uiterlijk of de plaatsing van het nieuwe dierzorgcentrum niet in strijd met de redelijke eisen van welstand en wordt de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet overschreden. [4] Het college moest de omgevingsvergunning daarom verlenen. Het college heeft dan geen beleidsruimte. Dit betekent dat het college ook geen ruimte heeft om te beoordelen of sprake is van privaatrechtelijke belemmeringen.
12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker met zijn gronden niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan wel in strijd zou zijn met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter is het niet eens met de door verzoeker op de zitting gegeven toelichting dat dit zou volgen uit de verkeerstoename waarmee het bouwplan volgens hem gepaard zal gaan. Als al sprake zou zijn van een verkeerstoename, maakt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog niet dat het plan niet passend zou zijn binnen de op grond van het (tijdelijk deel) van het omgevingsplan voor het perceel geldende bestemming ‘Bedrijf-dierenasiel’en de daarbij behorende planregels. [5]
Tussenconclusie
13. De voorzieningenrechter ziet nu geen evidente fouten in de besluitvorming en schat de kans van slagen van het bezwaar van verzoeker tegen deze omgevingsvergunning daarom gering in.
Belangenafweging
14. Mede op basis van die tussenconclusie, weegt de voorzieningenrechter de belangen van het college en vergunninghouder die pleiten tegen het treffen van een voorlopige voorziening zwaarder dan de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen daarvan.
15. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de gevolgen van het bouwen van het dierzorgcentrum niet onomkeerbaar zijn. Zolang de omgevingsvergunning niet onherroepelijk is, bouwt vergunninghouder voor eigen rekening en risico.
16. Overigens hebben partijen op de zitting naar elkaar toe uitgesproken dat na de zitting afspraken zullen worden gemaakt over het behoud van de nutsvoorzieningen op het perceel van verzoeker. In de omgevingsvergunning is het voorschrift opgenomen dat de huisaansluiting van verzoeker op het gemeentelijk rioleringsstelsel in stand moet worden gehouden en met de nieuwbouw niet onderbroken mag worden.
Omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteiten kappen en de aanleg van een nieuwe uitweg
Is het onduidelijk op welk perceel de activiteiten zullen plaatsvinden?
17. Ook in zijn gronden tegen deze omgevingsvergunning voert verzoeker aan dat het door de verschillende huisnummers in de aanvraag en de uiteindelijke omgevingsvergunning niet duidelijk is op welke perceel de activiteiten zullen gaan plaatsvinden.
18. Daar is de voorzieningenrechter het niet mee eens. Hij verwijst hierbij naar wat hij onder 8 hierover bij de andere omgevingsvergunning heeft overwogen. Het college hoeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de omgevingsvergunning ook niet te verwijzen naar het Relaas van Bevindingen van het Kadaster over de grensconstructie tussen het perceel en het perceel van verzoeker. Tussen partijen bestaat geen verschil van mening over de verschillende kadastrale percelen en wie eigenaar is van welk perceel.
Is de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit onzorgvuldig voorbereid?
19. Verzoeker voert aan dat bij de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit onduidelijk is hoe deze activiteit binnen de bestemmingsomschrijving ‘Bedrijf-dierenasiel’ valt. Ook zijn volgens verzoeker de publiekrechtelijke beperking die op het perceel rust en het verbod op grondwateronttrekking of -gebruik ten onrechte niet in de omgevingsvergunning genoemd.
20. De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat de drie punten die verzoeker hier aanvoert geen onderdeel uitmaken van de beoordelingsregels voor de technische bouwactiviteit. De omgevingsvergunning voor deze bouwactiviteit wordt door het college alleen verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels voor technische bouwkwaliteit van hoofdstuk 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (en de maatwerkregels die op grond van artikel 4.7 van dat besluit in het omgevingsplan zijn gesteld). [6] Daarvan maken deze drie punten geen onderdeel uit. Van een onzorgvuldige voorbereiding van de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen sprake.
Is de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit kappen voldoende gemotiveerd?
21. Verzoeker voert over de omgevingsvergunning voor het kappen van 21 bomen aan dat niet per boom afzonderlijk is gemotiveerd waarom de kap noodzakelijk is en of er alternatieven zijn. Hij verwijst hierbij naar de weigering van een omgevingsvergunning voor het kappen van een boom op het perceel uit 2021 waarvoor hij zelf een aanvraag had ingediend.
22. In de omgevingsvergunning heeft het college gemotiveerd dat de bomen waarvoor de kapvergunning is aangevraagd zijn beoordeeld door een bomendeskundige van Treevision. Op basis van de standplaats, conditie, boomvorm en omvang van de boom, de mate van zichtbaarheid vanuit de openbare ruimte en de bijdrage aan het groene beeld van de omgeving hebben 20 bomen een lage boomwaarde en één boom een gemiddelde boomwaarde. Op grond van de Beleidsregels voor het vellen van bomen heeft het college aan het bouwplan de prioriteit hoog toegekend, omdat het bouwwerk van groot maatschappelijk belang is. Bij een combinatie van een gemiddelde of lage boomwaarde en een bouwplan met een hoge prioriteit prevaleert het verwijderingsbelang en wordt de omgevingsvergunning op basis van de beleidsregels verleend.
23. De voorzieningenrechter kan deze motivering volgen. Met een verwijzing naar een eerdere weigering van een omgevingsvergunning voor het kappen van een boom, heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen in bezwaar geen stand houdt. Daarbij was sprake van een heel andere bouwactiviteit, namelijk het plaatsen van een hek. En dus was de afweging die het college toen heeft gemaakt dan ook een heel andere dan voor deze omgevingsvergunning. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat vergunninghouder op de zitting heeft toegelicht dat alleen vergunningplichtige bomen worden gekapt ter plaatse van het nieuw te bouwen dierzorgcentrum. De bomen langs de weg, waarvoor in 2021 de omgevingsvergunning werd geweigerd, blijven gehandhaafd. De nieuwe uitweg wordt tussen de bestaande bomen aangelegd. Verzoeker gaf tijdens de zitting aan dat met deze toelichting een belangrijk bezwaar van hem tegen de kap van de bomen was weggenomen.
Tussenconclusie
24. De voorzieningenrechter ziet nu geen evidente fouten in de besluitvorming en schat de kans van slagen van het bezwaar van verzoeker tegen deze omgevingsvergunning daarom gering in.
Belangenafweging
25. Mede op basis van die tussenconclusie, weegt de voorzieningenrechter de belangen van het college en vergunninghouder die pleiten tegen het treffen van een voorlopige voorziening zwaarder dan de belangen van verzoeker die pleiten vóór het treffen daarvan.
26. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat voor de 21 bomen die zullen worden gekapt ten behoeve van de bouw van het nieuwe dierzorgcentrum aan vergunninghouder een herplantplicht is opgelegd. In de voorschriften in de omgevingsvergunning is opgenomen waar deze herplantplicht uit bestaat en wanneer deze moet plaatsvinden. Ook is voor de te herplanten bomen een instandhoudingsplicht in de vergunningsvoorschriften opgenomen.

Conclusie en gevolgen

27. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Dat betekent dat vergunninghouder in ieder geval zolang het college nog niet op de bezwaren van verzoeker heeft beslist gebruik mag maken van de aan hem verleende omgevingsvergunningen en de activiteiten waarvoor deze zijn verleend mag uitvoeren.
28. Omdat het verzoek wordt afgewezen bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorzieningen af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verwezen wordt naar artikel 5.7, eerste lid, van de Omgevingswet, waarin is bepaald dat een aanvraag om een omgevingsvergunning naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking kan hebben.
2.Zoals bedoeld in artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
3.Artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl.
4.Artikel 22.29 van het Omgevingsplan gemeente Hilversum (het omgevingsplan).
5.Artikel 3 van Pro de regels van het bestemmingsplan Partiële herziening [adres] .
6.Artikel 8.3b van het Bkl.