Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3156

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
UTR 25/4218
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 1:3 AwbArt. 8:3 AwbArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag eerste bewonersparkeervergunning wegens parkeerplaats op eigen terrein

Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een eerste bewonersparkeervergunning in Hilversum, maar deze is afgewezen omdat zij beschikken over een parkeerplaats op eigen terrein (POET). Volgens het gemeentelijk beleid komt een adres met een POET alleen in aanmerking voor een tweede vergunning, waarvoor eisers niet in aanmerking komen omdat zij geen tweede auto hebben.

Eisers betogen dat de parkeerplaats in hun situatie ongeschikt is vanwege praktische problemen met het manoeuvreren van een bakfiets en de toegang tot de schuur. Het college handhaaft het besluit omdat deze ongemakken niet als bijzondere omstandigheden gelden die een uitzondering op het beleid rechtvaardigen.

De rechtbank bevestigt dat het college bevoegd was het besluit te nemen en dat het beleid geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is om de parkeerdruk te reguleren. De praktische bezwaren van eisers zijn onvoldoende om af te wijken van het beleid. Ook de aangevoerde bezwaren tegen het parkeerbeleid in het algemeen, zoals het waterbedeffect en vermeende toename van verkeersbewegingen, zijn niet onderbouwd.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Eisers kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de eerste bewonersparkeervergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4218

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] en [eiser] , uit [plaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum

(gemachtigde: B. Kurnaz).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eisers voor een eerste bewoners parkeervergunning in Hilversum. Eisers hebben die vergunning niet gekregen, omdat zij op een adres wonen met een oprit die kan worden aangemerkt als een parkeerplaats op eigen terrein (POET). Volgens de betreffende regelgeving van de gemeente Hilversum komt in een dergelijk geval een adres alleen in aanmerking voor een tweede bewonersvergunning. Omdat eisers geen tweede auto hebben, komen zij daarvoor niet in aanmerking. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van hun aanvraag en voeren daar beroepsgronden tegen aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat het college de aanvraag van eisers heeft mogen afwijzen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een eerste bewoners parkeervergunning. Het college heeft die aanvraag met het besluit van 23 december 2024 afgewezen.
2.1.
Eisers hebben bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 4 juni 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van het college.

Toetsingskader

3. Het college is op grond van artikel 225 van Pro de Gemeentewet bevoegd tot het opstellen van regels en beleid voor parkeervergunningen en de belasting die daarvoor moet worden betaald. Gemeenten zijn in beginsel vrij de parkeerregulering naar eigen inzicht vorm te geven. Het college heeft hier met de Parkeerverordening Hilversum 2025 en de 1ste wijziging nadere regels Parkeervergunningen 2025 (nadere regels) invulling aan gegeven.
3.1.
De zelfstandige woning van eisers is gelegen in het vergunningengebied Oude Haven. Dat gebied valt onder Schil Centrum Zone 2. Uit artikel 20 van Pro de nadere regels volgt dat er per adres een bewonersvergunning kan worden verleend aan de houder van een motorvoertuig die bewoner is van een zelfstandige woning gelegen in Schil Centrum zone 2 en dat het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein in mindering wordt gebracht op het aantal te verlenen vergunningen. Uit de toelichting bij dit artikel volgt dat als een bewoner een POET heeft of had hij geen eerste bewonersvergunning kan krijgen.

Beoordeling door de rechtbank

Zijn er bijzondere omstandigheden?

4. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van hun aanvraag. Zij voeren aan dat de POET in hun specifieke situatie niet voldoet en het college daarom toch een parkeervergunning moet verlenen. Eisers betogen dat als de auto op de oprit staat zij er met de bakfiets niet langs kunnen. Hierdoor moeten eisers, als zij met de bakfiets op pad gaan (wat zij dagelijks meerdere keren doen), eerst de auto uit de tuin rijden, dan de bakfiets uit de tuin rijden en daarna de auto weer terug zetten op de oprit. Ook blokkeert de auto de toegang tot de schuur waardoor fietsen en containers er niet langs kunnen.
5. Het college vindt dat er geen reden is om eisers, in afwijking van de regels, een parkeervergunning te verlenen. Volgens het college kan de bakfiets wel langs een op de oprit geparkeerde auto. En ook als dat niet zo is, leidt dat niet tot het alsnog verlenen van een parkeervergunning. Het gaat om praktische ongemakken en de situatie van eisers is geen bijzondere situatie die moet leiden tot afwijken van het beleid.
6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eisers beschikken over een POET in de zin van de Parkeerverordening Hilversum 2025 en de Nadere Regels en dat eisers feitelijk hun auto op de POET kunnen parkeren. Wat partijen verdeeld houdt, is het antwoord op de vraag of het college moet afwijken van de beleidsregel dat iemand die kan parkeren op eigen terrein geen parkeervergunning krijgt.
7. De rechtbank overweegt dat het college overeenkomstig de beleidsregel moet handelen, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. [1] De rechtbank oordeelt dat het college heeft kunnen overwegen dat die bijzondere omstandigheden er niet zijn. Het is begrijpelijk dat het voor eisers lastig is om met de bakfiets langs de auto te moeten manoeuvreren of de auto te moeten verplaatsen. Tegelijkertijd heeft het college kunnen overwegen dat dit weliswaar praktische ongemakken met zich brengt, maar dat die niet dusdanig bijzonder zijn dat dat moet leiden tot het afwijken van het beleid. Daarnaast vindt de rechtbank het aannemelijk dat, zoals het college tijdens de zitting naar voren heeft gebracht, er in de gemeente Hilversum meer gezinnen zijn met jonge kinderen en een bakfiets waar dit probleem speelt, zodat het ook daarom niet gaat om een bijzondere omstandigheid. De rechtbank oordeelt daarom dat de situatie van eisers niet zo uitzonderlijk is, dat er een uitzondering gemaakt moet worden op het uitgangspunt dat het college overeenkomstig de beleidsregel moet handelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Is het besluit evenredig?

8. Eisers voeren aan dat het beleid van de gemeente Hilversum leidt tot structurele onredelijke gevolgen. Eisers hebben een gezin met jonge kinderen met school en sport. Door het moeten verplaatsen van de auto om er met de bakfiets langs te kunnen, wordt de snelheid uit die verkeersbewegingen gehaald en het leidt tot meer verkeersbewegingen. Duurzaam vervoer wordt ontmoedigd want eisers zullen dan vaker de auto pakken. Verder blijkt uit onderzoek van “stop betaald parkeren Hilversum” dat de parkeerdruk sinds de invoering van betaald parkeren niet gewijzigd is en was er bij anderen wel maatwerk mogelijk. Ook leidt het beleid van de gemeente tot een waterbedeffect, want eisers parkeren de auto nu ergens waar nog wel gratis kan worden geparkeerd.
9. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat het college niet hoefde af te wijken van het beleid. Dit betekent, nu ook niet in geschil is dat eisers een POET hebben, dat het college in beginsel dus bevoegd was om de aanvraag voor een eerste bewoners parkeervergunning te weigeren. Eisers echter voeren bezwaren aan tegen het parkeerbeleid, zoals dat is neergelegd in de nadere regels. De nadere regels zijn beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. De rechtbank overweegt in dat verband dat op grond van artikel 8:3, eerste lid, onder a, van de Awb geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inhoudende de vaststelling van een beleidsregel. Dit betekent dat eisers in beginsel geen beroep kunnen instellen tegen de nadere regels. Maar de bepaling van artikel 8:3 van Pro de Awb staat er niet aan in de weg dat de bestuursrechter in een concrete zaak de rechtmatigheid van een beleidsregel kan toetsen (exceptieve toetsing). Deze toetsing houdt in dit geval in dat de beleidsregel buiten toepassing blijft, indien deze in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag om de verschillende belangen, die bij het vaststellen van beleid betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. In de toetsing door de rechter spelen geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid een rol.
10. Uit het bestreden besluit volgt dat het doel van het beleid het stimuleren van minder parkeerdruk op straat is. De rechtbank vindt, mede gelet op de aan verweerder toekomende beleidsruimte, dat het uitsluiten van een eerste bewonersvergunning bij een POET een geschikt en noodzakelijk middel is met het oog op het reguleren van de parkeerdruk in Hilversum. Het college heeft het belang van de parkeerdruk zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eisers bij het verkrijgen van een eerste parkeervergunning. Dat eisers moeilijk met de bakfiets de op de oprit geparkeerde auto kunnen passeren, heeft het college niet onredelijk bezwarend hoeven vinden.
11. De grond van eisers die gaat over het waterbedeffect is niet zozeer gericht tegen de POET als wel tegen het gehele parkeerbeleid van de gemeente. Het college heeft toegelicht dat als er bepaalde wijken of straten worden uitgezonderd van een gebied met vergunningplicht, het parkeerprobleem gaat verschuiven naar die delen en er een waterbedeffect ontstaat. Om dat te voorkomen is ervoor gekozen om één groot gebied aan te wijzen waar betaald parkeren geldt. Het gevolg daarvan is dat in sommige delen waar de parkeerdruk minder hoog was toch betaald parkeren is ingevoerd, zoals op het adres van eisers. De rechtbank vindt dat het college hiermee inzichtelijk heeft gemaakt waarom de keuze voor het invoeren van een parkeervergunningplicht in verband met het gestelde waterbedeffect toch een noodzakelijk en geschikt middel is. Dat eisers stellen meer verkeersbewegingen te maken door dit beleid en vaker de auto te pakken, zijn persoonlijke keuzes van eisers en maken daarom niet dat het beleid daarom niet evenwichtig zou zijn. Dat het beleid in zijn algemeenheid tot meer verkeersbewegingen zal leiden, hebben eisers niet onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de overige door eisers aangevoerde punten.

Conclusie en gevolgen

12. De conclusie van het voorgaande is dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat het college eisers geen bewonersparkeervergunning hoefde te verlenen. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
De griffier is buiten staat
deze uitspraak mede te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)