Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3153

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
612060 HA RK 26-100
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek na einduitspraak in civiele zaak

Verzoeker heeft op 26 mei 2026 een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter in een civiele hoofdzaak, waarin op 13 mei 2026 een einduitspraak is gedaan. Verzoeker stelde dat de uitspraak was gebaseerd op onjuiste feiten en dat zijn verweren door de rechter waren genegeerd.

De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld en geoordeeld dat het middel van wraking bedoeld is om te voorkomen dat een rechter die mogelijk vooringenomen is, nog langer bij de behandeling van een zaak betrokken blijft. Dit doel vervalt zodra de rechter een einduitspraak heeft gedaan, omdat de behandeling van de zaak dan is beëindigd.

Daarom voorziet de wet niet in de mogelijkheid om wraking te verzoeken van een rechter die de einduitspraak heeft gedaan. De wrakingskamer verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk en zag af van een mondelinge behandeling. Tevens wees de wrakingskamer verzoeker op de mogelijkheid van hoger beroep tegen het vonnis van 13 mei 2026 en verwees naar de relevante informatie op de website van de rechtspraak.

De beslissing is genomen door de wrakingskamer van de Rechtbank Midden-Nederland en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek omdat de rechter al een einduitspraak heeft gedaan.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 612060 HA RK 26-100
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
2 juni 2026
op het verzoek in de zin van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van:
[verzoeker] ,
h.o.d.n. [naam] ,
hierna: verzoeker,
bijgestaan door mr. A.M.J. Dresselhuys.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft op 26 mei 2026 mr. M. Ramsaroep gewraakt. Mr. Ramsaroep (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaak met het zaaknummer 11767393 \ UC EXPL 25-5468 (hierna: de hoofdzaak).
1.2.
Er is op 13 mei 2026 einduitspraak gedaan in de hoofdzaak.
1.3.
De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek ingediend om – kort samengevat – de volgende redenen. Volgens verzoeker is de uitspraak van 13 mei 2026 gebaseerd op leugens en heeft de behandelend rechter verweren van verzoeker genegeerd. Verzoeker vraagt om heroverweging van deze uitspraak.

3.De beoordeling

3.1.
In artikel 36 Rv Pro staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Het middel van wraking is toegekend aan een partij die wenst te voorkomen dat een rechter, bij wie uit zijn gedrag of overtuiging vooringenomenheid blijkt tegenover een partij - althans aan een partij die daarover de objectief gerechtvaardigde vrees heeft - (nog langer) bemoeienis met de zaak zal hebben. Dat doel kan niet meer worden bereikt als de rechter een einduitspraak heeft gedaan, omdat de behandeling van de zaak daarmee is geëindigd. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om wanneer de behandeling van de zaak is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechter die deze einduitspraak heeft gedaan.
3.3.
De rechter heeft op 13 mei 2026 vonnis gewezen. Met dit vonnis is de hoofdzaak geëindigd.
3.4.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn wrakingsverzoek.
3.5.
Op grond van deze kennelijke niet-ontvankelijkheid kan, overeenkomstig het bepaalde in 4.2 onder d van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank, een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek achterwege blijven.
3.6.
Ter voorlichting van verzoeker overweegt de wrakingskamer het volgende. In het wrakingsverzoek wordt verzocht het eindvonnis van 13 mei 2026 te heroverwegen. De wrakingskamer maakt hieruit op dat verzoeker hoger beroep heeft willen instellen tegen het vonnis van 13 mei 2026. Voor informatie over de hoger beroepsinstantie waarbij hoger beroep van een vonnis van de kantonrechter kan worden ingediend, in welke gevallen dat wel of niet kan en de wijze waarop dit moet geschieden, verwijst de wrakingskamer naar de website van de rechtspraak (https://www.rechtspraak.nl/naar-de-rechter/hoger-beroep/civiele-zaak).

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoeker, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank.
Deze beslissing is genomen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, en mr. M.E. Heinemann en
mr. I. Helmich als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. D. van Wijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.