Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3147

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
C/16/566637 / FO RK 23-1472
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 1:253c lid 1 BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek vervangende toestemming erkenning en gezag wegens afwezigheid biologische vaderschap

De man verzocht de rechtbank om vervangende toestemming voor erkenning van het kind, gezamenlijk ouderlijk gezag en een omgangsregeling. De moeder was het hier niet mee eens. De rechtbank benoemde een bijzondere curator die het belang van het kind behartigde.

Partijen lieten een DNA-onderzoek uitvoeren waaruit bleek dat de man met 0% waarschijnlijkheid de biologische vader is. De man betwistte deze uitslag en vroeg om een officiële DNA-test, maar de rechtbank volgde de moeder die stelde dat het onderzoek zorgvuldig en volgens internationale normen was uitgevoerd.

De rechtbank oordeelde dat de man niet voldeed aan de wettelijke vereisten voor erkenning omdat hij niet de biologische vader is. Hierdoor kon hij ook niet het ouderlijk gezag krijgen. Het verzoek om een omgangsregeling werd afgewezen omdat de man het kind niet kent, het kind hem niet kent en de moeder bang voor hem is, wat niet in het belang van het kind is.

De rechtbank wees alle verzoeken van de man af en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Verzoek vervangende toestemming erkenning, gezag en omgangsregeling wordt afgewezen omdat de man niet de biologische vader is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/566637 / FO RK 23-1472
Vervangende toestemming voor erkenning, gezag en omgangsregeling
Beschikking van 11 mei 2026
in de zaak van:
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.G. van Ek,
tegen
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M. Erkens,
met als belanghebbende
mr. K.G.I.M. Schröder,
kantoorhoudende in Utrecht,
als bijzondere curator over het kind waarvan de naam en geboortedatum bekend zijn bij de rechtbank.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, binnengekomen op 23 november 2023;
  • het bericht van de man van 27 december 2023;
  • het bericht van de man van 10 januari 2024;
  • het bericht van de man van 28 februari 2024 met bijlage;
  • het bericht van de man van 2 april 2024.
1.2
In de beschikking van 9 mei 2025 heeft de rechtbank mr. Schröder benoemd als bijzondere curator over het kind. De bijzondere curator vertegenwoordigt het kind in deze procedure en komt op voor haar belang.
1.3
Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • het bericht van de bijzondere curator van 30 mei 2025;
  • het verweerschrift van de moeder van 20 juli 2025 met bijlagen;
  • het advies van de bijzondere curator van 1 augustus 2025;
  • het bericht van de man van 3 september 2025;
  • het bericht van de moeder van 8 september 2025.
1.4
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 28 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de man met zijn advocaat;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de heer [A.] namens de Raad voor de Kinderbescherming;
  • de bijzondere curator;
  • mevrouw [B.] namens stichting [naam] (begeleidster van moeder).
1.5
Na de zitting heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • het bericht van de man van 31 maart 2026 met bijlage;
  • het bericht van de moeder van 1 april 2026 met bijlagen.

2.Waar de procedure over gaat

2.1
De moeder en de man hebben een relatie gehad. De relatie is beëindigd tijdens de zwangerschap van de moeder.
2.2
De moeder is daarna bevallen van een kind.
2.3
Het kind is niet erkend.
2.4
De moeder heeft het ouderlijk gezag over het kind.
2.5
De moeder en de man hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.6
De man verzoekt de rechtbank om:
I. hem toestemming te verlenen voor de erkenning van het kind;
II. hem samen met de moeder te belasten met het ouderlijk gezag over het kind;
III. een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en het kind inhoudende dat de man omgang heeft met het kind gedurende enkele uren per week.
2.7
De bijzondere curator adviseert de rechtbank om een DNA-onderzoek te gelasten en als daaruit blijkt dat de man de verwekker is van het kind het verzoek van de man ten aanzien van de erkenning toe te wijzen.
2.8
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de man.

3.De beoordeling

Vervangende toestemming erkenning
Conclusie
3.1
De rechtbank zal het verzoek afwijzen en geen toestemming verlenen aan de man voor de erkenning van het kind. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Het wettelijk kader
3.2
Uit de wet volgt dat de rechtbank de toestemming van de moeder voor de erkenning van een kind kan vervangen, mits deze persoon de verwekker van het kind is of de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. [1]
DNA-onderzoek
3.3
Om vast te kunnen stellen of de man de biologische vader van het kind is, hebben partijen samen een DNA-onderzoek laten uitvoeren door DNA Diagnostics Center (DDC). Uit het door de man overgelegde rapport blijkt dat de kans dat de man de biologische vader van het kind is 0% is. De man is zeer verbaasd over de uitslag van de DNA-test en wenst dat er door de rechtbank een officiële DNA-test wordt gelast. De moeder is het hier niet mee eens. Volgens haar kan wel van deze test uit worden gegaan. Hoewel geen sprake is van een rechtsgeldige DNA-test, is volgens de moeder de door partijen uitgevoerde test wel uitgevoerd met voldoende waarborgen. De advocaat van de moeder is namelijk aanwezig geweest bij de afname van de DNA-test en heeft controle gehad over de wattenstaafjes en deze na afname ook meegenomen en zelf naar de advocaat van de man gezonden. Het onderzoek is bovendien verricht in een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de criteria genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of de NEN-EN ISO/IEC 15189 en de aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of Forensic Genetics (FSI 2007).
3.4
De rechtbank volgt de moeder in haar standpunt. De ‘kale’ betwisting van het DNA-onderzoek door de man is, in het licht van de deugdelijke onderbouwing van de moeder over de uitvoering van de test, onvoldoende. De rechtbank volgt dan ook de uitslag van het DNA-onderzoek dat de man niet de verwekker is van het kind. Dit betekent dat niet wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor erkenning en dat het verzoek van de man wordt afgewezen.
Gezamenlijk gezag
3.5
De rechtbank overweegt dat de man alleen bevoegd is tot het gezag als hij de juridische ouder is van het kind. [2] Omdat het verzoek van de man om hem vervangende toestemming voor erkenning te verlenen door de rechtbank wordt afgewezen, zal de man geen juridisch ouder worden van het kind en wijst de rechtbank ook het verzoek om hem met het gezag te belasten af.
Omgangsregeling
3.6
Het verzoek van de man om een omgangsregeling met het kind vast te stellen, wijst de rechtbank ook af. De rechtbank kan op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat een omgangsregeling vaststellen. [3] Hieraan wordt in deze zaak niet voldaan. De man kent het kind niet en weet niet hoe het heet. De man en het kind hebben elkaar nog nooit gezien. De moeder is bovendien bang voor de man. Het is daarom niet in het belang van het kind om contact te hebben met de man.

4.De beslissing

De rechtbank wijst de verzoeken van de man af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:204 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Artikel 1:253c lid 1 BW
3.Artikel 1:377a BW.