De man verzocht de rechtbank om vervangende toestemming voor erkenning van het kind, gezamenlijk ouderlijk gezag en een omgangsregeling. De moeder was het hier niet mee eens. De rechtbank benoemde een bijzondere curator die het belang van het kind behartigde.
Partijen lieten een DNA-onderzoek uitvoeren waaruit bleek dat de man met 0% waarschijnlijkheid de biologische vader is. De man betwistte deze uitslag en vroeg om een officiële DNA-test, maar de rechtbank volgde de moeder die stelde dat het onderzoek zorgvuldig en volgens internationale normen was uitgevoerd.
De rechtbank oordeelde dat de man niet voldeed aan de wettelijke vereisten voor erkenning omdat hij niet de biologische vader is. Hierdoor kon hij ook niet het ouderlijk gezag krijgen. Het verzoek om een omgangsregeling werd afgewezen omdat de man het kind niet kent, het kind hem niet kent en de moeder bang voor hem is, wat niet in het belang van het kind is.
De rechtbank wees alle verzoeken van de man af en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden na uitspraak.