Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3140

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
12159144 \ UV EXPL 26-71
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 129 RvArt. 130 lid 3 RvArt. 120 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing loonvordering en wettelijke verhoging wegens niet-betaling door werkgever

Eiser was van april 2025 tot maart 2026 in dienst bij gedaagde als HR-manager. Eiser vordert betaling van achterstallig loon, vakantietoeslag, niet-genoten vakantie-uren, reiskostenvergoeding, wettelijke verhoging, rente, incassokosten en proceskosten.

Gedaagde verschijnt niet in kort geding, waardoor verstek wordt verleend. Eiser wijzigt haar eis deels door loonstroken te laten vallen en een eindafrekening toe te voegen, maar de toevoeging wordt niet toegelaten wegens niet-tijdige kennisgeving.

De kantonrechter oordeelt dat eiser een spoedeisend belang heeft en dat de loonvordering gegrond is. Gedaagde heeft niet betaald vanaf december 2025, waardoor de wettelijke verhoging en rente verschuldigd zijn. Incassokosten worden eveneens toegewezen.

De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot betaling van het achterstallig loon, vakantietoeslag, vakantie-uren, reiskostenvergoeding, wettelijke verhoging, rente, incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, zodat betaling ook bij hoger beroep moet plaatsvinden.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, rente, incassokosten en proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12159144 \ UV EXPL 26-71
Vonnis in kort geding van 29 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. E.F.J. van West,
tegen
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 8 april 2026 met producties 1 tot en met 8;
  • het e-mailbericht van 12 mei 2026 van de gemachtigde van [eiser] met aanvullende producties;
  • de mondelinge behandeling van 15 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt en waar schriftelijk een eiswijziging is gedaan door de gemachtigde van [eiser] .
1.2
Tijdens de mondelinge behandeling van 15 mei 2026 is [eiser] verschenen met haar gemachtigde mr. Van West. Namens [gedaagde] is niemand verschenen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] haar vordering gewijzigd, in die zin dat de vordering onder h, die ziet op afgifte van de loonstroken over de periode van februari en maart 2026, is ingetrokken en een vordering onder k., die ziet op afgifte van de eindafrekening van het dienstverband, is toegevoegd. Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat er vandaag een vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

[eiser] is van 1 april 2025 tot en met 31 maart 2026 in dienst geweest bij [gedaagde] in de functie van HR-manager voor 32 uur per week met een salaris van € 3.850,00 bruto per
maand, exclusief 8% vakantietoeslag. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] niet voldaan aan haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, omdat [eiser] niet volledig is betaald en er ook geen eindafrekening van het dienstverband aan haar is verstrekt. Daarnaast maakt zij aanspraak op de wettelijke verhoging, de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. De vorderingen worden toegewezen.

3.De beoordeling

Verstekverlening tegen [gedaagde]
3.1
De kantonrechter verleent tegen [gedaagde] verstek, omdat de bij de wet voorgeschreven formaliteiten en termijnen voor oproeping van [gedaagde] in acht zijn genomen en [gedaagde] niet in het geding is verschenen en geen antwoord heeft ingezonden. De kantonrechter heeft ook geen ander bericht van [gedaagde] ontvangen. Dit brengt met zich dat kantonrechter de vorderingen van [eiser] beoordeelt op basis van haar stellingen. Omdat [gedaagde] door niet te verschijnen geen verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van [eiser] en de gestelde feiten en omstandigheden waarop zij haar vorderingen baseert, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van [eiser] .
De wijziging van eis wordt deels niet toegelaten
3.2
In artikel 129 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Rv staat:
Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, kan de eiser te allen tijde zijn eis verminderen.
In artikel 130 lid 3 Rv Pro staat:
Indien een partij niet in het geding is verschenen, is een verandering of vermeerdering van eis tegen die partij uitgesloten, tenzij de eiser de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. In laatstgenoemd geval is artikel 120, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
3.3
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] haar vordering gewijzigd.
3.3.1
Allereerst heeft zij de vordering onder h. ingetrokken. Die vordering zag op afgifte aan [eiser] van de loonstroken over de periode van 1 februari 2026 tot en met maart 2026, met daaraan verbonden een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 5.000,00. Dit is een eis
verminderingen dat mag [eiser] altijd doen.
3.3.2
[eiser] heeft ook de vordering onder k. toegevoegd. Die vordering ziet op afgifte aan [eiser] van de eindafrekening van het dienstverband, met daaraan verbonden een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag dat [gedaagde] daarmee na betekening van het vonnis in gebreke blijft. De kantonrechter mag deze eiswijziging niet toelaten, omdat dit een eis
vermeerderingis en deze
niet tijdig bij exploot aan [gedaagde] kenbaar is gemaakt. Die eisvermeerdering is dan ook uitgesloten. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat zij ervan uitgaat dat [gedaagde] na ontvangst van dit vonnis, ook aan haar verplichting tot afgifte van de eindafrekening zal voldoen.
Het spoedeisend belang en het toetsingskader
3.4
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorzieningen. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] een spoedeisend belang heeft. Dat heeft zij, omdat zij aanspraak maakt op loon waarvan ze afhankelijk is om haar kosten van bestaan te betalen. Momenteel teert [eiser] in op haar eigen vermogen en die reserves raken op.
3.5
Artikel 139 Rv Pro bepaalt dat in een verstekzaak de vordering van de eiser wordt toegewezen, tenzij de vordering de kantonrechter ongegrond of onrechtmatig voorkomt.
3.6
[eiser] heeft voorlopige voorzieningen gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid en tijdens de mondelinge behandeling heeft zij die gevorderde voorlopige voorzieningen gewijzigd. Zoals hierboven is geoordeeld, wordt bij de beoordeling en de beslissing rekening gehouden met de eisvermindering, maar niet met de eisvermeerdering.
[gedaagde] moet aan [eiser] het achterstallig loon betalen over de periode van december 2025 tot en met maart 2026
3.7
Uit de onweersproken stellingen van [eiser] volgt dat zij in de periode van april 2025 tot en met maart 2026 in dienst is geweest bij [gedaagde] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. [eiser] was werkzaam als HR-manager. Volgens [eiser] komt [gedaagde] haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst niet na, omdat [eiser] vanaf december 2025 niet meer haar volledige loon heeft ontvangen. [eiser] heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij [gedaagde] meermaals heeft aangeschreven om over te gaan tot betaling van het achterstallig loon, maar betaling is uitgebleven (op een bedrag van € 1.500,00 netto na).
3.8
Deze loonvordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit betekent dat de kantonrechter ervan uitgaat dat [eiser] over de maand december 2025 te weinig loon heeft ontvangen en over de maanden januari tot en met maart 2026 in het geheel geen loon heeft ontvangen (minus een uitbetaald bedrag van € 1.500,00 netto). De gevorderde bedragen van € 263,87 netto (over december 2025) en € 11.550,00 bruto onder aftrek van € 1.500,00 netto (over januari tot en met maart 2026) worden daarom toegewezen.
[gedaagde] moet aan [eiser] betalen de vakantietoeslag, de tegenwaarde in geld van de niet opgenomen vakantie-uren en de reiskostenvergoeding over januari 2026
3.9
[gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat zij geen vakantietoeslag over de periode van mei 2025 tot en met maart 2026 heeft ontvangen. Ook stelt zij dat zij geen betaling heeft ontvangen van de tegenwaarde in geld [1] van de opgebouwde, maar niet opgenomen vakantie-uren. Bovendien zijn ook de reiskosten van januari 2026 niet uitbetaald. Deze stellingen zijn ook onweersproken gebleven en ze komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit betekent dat ook die vorderingen worden toegewezen.
De vordering tot betaling van de maximale wettelijke verhoging en de wettelijke rente is toewijsbaar
3.1
Omdat [gedaagde] niet tijdig aan haar loonbetalingsverplichting heeft voldaan, is zij de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro verschuldigd over het achterstallig loon, de vakantietoeslag, de tegenwaarde in geld van de opgebouwde maar niet opgenomen vakantie-uren en de reiskostenvergoeding. Zonder uitleg van [gedaagde] , die hier ontbreekt, valt niet in te zien dat er omstandigheden zijn waarmee rekening gehouden moet worden en die zouden moeten leiden tot matiging van de wettelijke verhoging.
3.11
De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen over de verschillende loonvorderingen en de maximale wettelijke verhoging, omdat daartegen geen verweer is gevoerd.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn toewijsbaar
3.12
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 936,12. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Daarom wordt dit bedrag toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.13
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. [2] Zij moet de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] aan haar betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,02
- griffierecht
753,00
- salaris gemachtigde
577,00
(tarief kort geding verstek)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.629,02
Uitvoerbaar bij voorraad
3.14
De veroordelingen van [gedaagde] worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zoals [eiser] heeft gevorderd. Dit betekent dat [gedaagde] aan de veroordelingen in dit vonnis moet voldoen, óók als zij of [eiser] in hoger beroep gaat. Dit vonnis geldt dan totdat de hoger beroepsrechter een beslissing heeft genomen.

4.De beslissing

De kantonrechter als voorzieningenrechter, recht doende in kort geding, geeft de volgende voorlopige voorzieningen:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen:
  • € 263,87 netto aan achterstallig loon over de maand december 2025;
  • € 11.550,00 bruto aan achterstallig loon over de maanden januari tot en met maart 2026, met aftrek van een bedrag van € 1.500,00 netto;
  • € 3.388,88 bruto aan achterstallige vakantietoeslag over de periode van mei 2025 tot en met maart 2026;
  • € 959,39 bruto aan de tegenwaarde in geld van opgebouwde maar niet genoten vakantieuren;
  • € 115,92 netto aan reiskostenvergoeding over de maand januari 2026;
4.2
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de maximale wettelijke verhoging van 50% als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro over de onder 4.1. vermelde bedragen;
4.3
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de onder 4.1. vermelde bedragen én over de wettelijke verhoging vanaf de respectieve vervaldata en tot de dag van volledige betaling;
4.4
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 936,12 aan buitengerechtelijke incassokosten;
4.5
veroordeelt [gedaagde] in de kosten; zij moet de proceskosten van [eiser] van € 1.629,02 aan haar betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.6
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.7
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 7:641 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
2.Zie artikel 237 lid 1 Rv Pro.