ECLI:NL:RBMNE:2026:3130
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking besluit door minister
Verzoekster maakte bezwaar tegen een besluit van de minister dat zij geen rechtmatig verblijf had. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit. Vervolgens trok de minister het besluit in en kondigde aan opnieuw op het bezwaar te zullen beslissen.
Verzoekster trok daarop het beroep in en verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten. De rechtbank oordeelde dat hoewel de minister tegemoet was gekomen aan het beroepschrift door het besluit in te trekken en opnieuw te beslissen, er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling.
Dit omdat het beroepschrift niet was ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en er geen proceskosten waren aangetoond die voor vergoeding in aanmerking kwamen. De rechtbank wees het verzoek dan ook als kennelijk ongegrond af.
Wel wees de rechtbank erop dat de minister gehouden is het betaalde griffierecht te vergoeden en dat verzoekster zich daarvoor tot de minister moet wenden.
De uitspraak werd gedaan door rechter Schaaf en griffier Hoogenberk op 20 april 2026 zonder zitting.
Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen beroepsmatige rechtsbijstand is verleend en geen proceskosten zijn aangetoond.