Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3129

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/16/609221 / KG ZA 26-163
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 438 lid 3 RvArt. 237 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging omgangsregeling in afwachting ondertoezichtstelling minderjarige

Partijen, voormalig gehuwd, hebben gezamenlijk gezag over hun vijfjarige zoon die bij de moeder woont. Er is een omgangsregeling vastgesteld waarbij de vader zijn zoon in het weekend ziet. De moeder vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van deze regeling wegens vermoedens van mishandeling door de vader, onderbouwd met meldingen en aangifte.

De voorzieningenrechter constateert dat er onvoldoende objectieve feiten zijn die mishandeling door de vader aantonen. Diverse onderzoeken en meldingen zijn niet eenduidig en de Raad voor de Kinderbescherming zag aanvankelijk geen aanleiding voor een ondertoezichtstelling. Wel is de minderjarige inmiddels voorlopig onder toezicht gesteld en is een onderzoek gestart.

Gezien de gespannen situatie tussen partijen en het belang van het kind, wordt de tenuitvoerlegging van de omgangsregeling geschorst tot een maand na de zitting over de ondertoezichtstelling. Dit om rust te creëren en de gecertificeerde instelling de regie te geven over de zorgregeling. De vorderingen van de vader betreffende vakantie- en feestdagenregeling worden niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitkomst: De tenuitvoerlegging van de omgangsregeling wordt geschorst tot 10 juli 2026 in afwachting van de uitkomst van de ondertoezichtstelling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/609221 / KG ZA 26-163
Vonnis in kort geding van 28 mei 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats] , gemeente [gemeente 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. M. Pinarbasi-Ilbay,
tegen
[gedaagde],
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
De voorzieningenrechter heeft de volgende stukken ontvangen:
  • de betekende dagvaarding met producties;
  • het bericht van [eiser] van 9 april 2026 met producties;
  • de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, ook met producties;
  • het bericht van [gedaagde] van 28 april 2026 met producties;
  • het bericht van [gedaagde] van 7 mei 2026 met producties;
- de akte wijziging en vermeerdering van eis van [eiser] , met producties.
1.2.
De zitting vond plaats op 13 mei 2026. Aanwezig waren partijen en hun advocaten.
1.3.
Partijen hebben de voorzieningenrechter gevraagd vonnis te wijzen.

2.Feiten

2.1.
Partijen zijn getrouwd geweest. Zij hebben een zoon, [minderjarige] , die vijf jaar is. Zij hebben gezamenlijk gezag over hem en hij woont bij [gedaagde] .
2.2.
Bij beschikking van 7 juli 2022 heeft de rechtbank Noord-Holland onder meer een zorgregeling tussen [eiser] en [minderjarige] vastgesteld op grond waarvan zij elkaar – kort gezegd – elke zaterdag van 9.30 uur tot 17.00 uur zien. De omgang vindt onbegeleid plaats.
2.3.
Bij vonnis van 21 oktober 2022 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank de vorderingen van [eiser] tot nakoming van voornoemde zorgregeling afgewezen, omdat [gedaagde] deze regeling inmiddels nakwam en beloofde dat te zullen blijven doen.
2.4.
Bij beschikking van 24 oktober 2023 heeft de rechtbank Noord-Holland de bestaande zorgregeling uitgebreid, inhoudend dat [minderjarige] bij [eiser] verblijft om het weekend van vrijdag 14.00 uur tot zondag 17.00 uur, waarbij [eiser] hem op vrijdag ophaalt en [gedaagde] hem op zondag bij [eiser] ophaalt. Daarnaast worden de (school)vakanties en feestdagen in onderling overleg evenredig verdeeld.
Sinds [minderjarige] naar school gaat, geven partijen geen uitvoering meer aan de omgang op de woensdag.
2.5.
Op 11 april 2025 heeft huisarts [A] een melding gedaan bij Veilig Thuis over [minderjarige] . In die melding staat onder meer:
“Kind geeft aan bij vader thuis door hem frequent geslagen te worden. (…) De laatste keer had hij 4 blauwe plekken. (Onder andere hoog op de voorzijde van de borst  ‘gekke plek’ voor ‘ongeval’.
2.6.
Op 6 mei 2025 heeft een zogenaamde jeugdbeschermingstafel (JBT) plaatsgevonden. In het verslag van die bijeenkomst staat onder meer:
“(…) De conclusie van de artsen die vervolgens een onderzoek hebben gedaan is niet eenduidig. Er kan sprake zijn van fysiek geweld, er kan ook iets anders gebeurd zijn.”
Verder staat er:
“Ze ( [gedaagde] ; toevoeging voorzieningenrechter) vraagt zich ook wel eens af of hetgeen haar zoontje verteld (
sic) klopt.”
En:
”Vader denkt dat moeder wil dat hij zijn zoon niet meer mag zien. Hij lees verder voor dat de peuterschool geen melding wilde maken van de blauwe plekken omdat men daar ook dacht dat deze werden veroorzaakt door het spelen.”
Het verslag vermeldt verder:
“De Raad (Raad voor de kinderbescherming; toevoeging voorzieningenrechter) zegt dat er al eerder een onderzoek is gedaan waar geen OTS uit voortvloeide en vertelt, “ook toen diskwalificeerden ouders elkaar. De verdeling in omgang moet eerlijk zijn. De rechter nam die toen over van De Raad en dat was een prima beschikking. Nu blijkt dat de opbouw van de omgang voor vader, direct heeft geleid tot conflicten.”
Alsmede:
“Een OTS gaat hierin niet helpen.”
Uit het verslag blijkt dat de Raad voor de kinderbescherming (hierna: RvdK) besluit geen onderzoek te doen.
2.7.
Bijna een jaar later, op 4 maart 2026, heeft [gedaagde] aangifte gedaan tegen [eiser] wegens – kort gezegd – jarenlange mishandeling van [minderjarige] .
2.8.
[eiser] heeft voor het laatst in het eerste weekend van maart 2026 omgang gehad met zijn zoon.
2.9.
Bij beschikking van 13 maart 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland (hierna te noemen: GI). Verder heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij [gedaagde] verleend en de zorgregeling van 24 oktober 2023 geschorst.
2.10.
Bij beschikking van 26 maart 2026 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing en de schorsing van de zorgregeling herroepen. Zij heeft daartoe onder meer overwogen (r.o. 5.3.):
“De kinderrechter stelt voorop dat het schorsen van een zorgregeling diep ingrijpt
op het leven en de rechten van een kind en de ouder. Voor het toetsen en verlengen van een dergelijke maatregel dient de verzoekende partij, in dit geval de Raad, de dringende noodzaak aan te tonen. Daarin is de Raad niet geslaagd.”
En voorts:
“Daarnaast blijkt uit het verzoek van de Raad dat de school van [minderjarige]
geen kindsignalen van mishandeling heeft geconstateerd. Ook de (waarnemend) huisarts van [minderjarige] heeft op 3 maart 2026, dus voorafgaand aan de aangifte, geen blauwe plek(ken) of andere vormen van letsel bij [minderjarige] geconstateerd.”
Uit die beschikking blijkt verder dat de RvdK toch een onderzoek heeft ingesteld (begindatum, aard en omvang daarvan zijn niet duidelijk) en dat hij bij brief van 14 januari 2026 aan partijen heeft meegedeeld met dat onderzoek te stoppen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, kort gezegd, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. [gedaagde] veroordeelt de geldende zorgregeling, zoals vastgesteld bij beschikking van 24 oktober 2023, onverkort na te komen;
II. [gedaagde] veroordeelt de zorgregeling na te komen op straffe van een dwangsom van € 500 per keer dat zij hiermee in gebreke blijft, althans € 500 per dag, met een maximum van € 50.000, met ingang van 26 maart 2026;
III. een tijdelijke en concrete vakantie- en feestdagenregeling vaststelt, inhoudende dat:
o in de even jaren de minderjarige de eerste helft van alle schoolvakanties en feestdagen bij hem verblijft en de tweede helft bij [gedaagde] ;
o in de oneven jaren de minderjarige de tweede helft van alle schoolvakanties en feestdagen bij hem verblijft en de eerste helft bij [gedaagde] ;
IV. [gedaagde] veroordeelt de vast te stellen vakantie- en feestdagenregeling na te komen op straffe van een dwangsom van € 250 per overtreding, althans € 250 per dag, met een maximum van € 25.000;
V. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure.
3.2.
[gedaagde] wil dat [eiser] vorderingen worden afgewezen.
Op haar beurt vordert zij dat de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, de bij beschikking van 24 oktober 2023 vastgestelde zorgregeling schorst voor de duur van een jaar, dan wel zes maanden, dan wel een duur die in het belang van de minderjarige wordt geacht.
3.3.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader ingegaan worden.

4.De beoordeling

In conventie en in reconventie

4.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie hangen zozeer met elkaar samen, dat de voorzieningenrechter deze gezamenlijk zal beoordelen.
4.2.
Hij moet eerst beoordelen of partijen ten tijde van dit vonnis voldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben, dat wil zeggen dat zij nu een oordeel van de voorzieningenrechter nodig hebben en de uitkomst van een bodemprocedure niet kunnen afwachten.
4.3.
Het spoedeisend belang van partijen vloeit voort uit de aard der vorderingen.
Dit geldt niet voor [eiser] vordering sub III. en de bijbehorende dwangsom (vordering sub IV.). Daar ontbreekt het spoedeisend belang. Daarom zal de voorzieningenrechter [eiser] in die vorderingen niet-ontvankelijk verklaren.
4.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een vastgestelde zorgregeling in beginsel moet worden nageleefd. [gedaagde] is van mening dat zij de regeling niet hoeft na te komen en vordert op de voet van artikel 438 lid 3 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv) schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beschikking van 24 oktober 2023. Tegen deze beschikking heeft hoger beroep opengestaan, van welke mogelijkheid geen gebruik is gemaakt, en is in kracht van gewijsde gegaan. Dit leidt ertoe dat bij de vraag of de tenuitvoerlegging van de beschikking geschorst moet worden, de maatstaf geldt uit het zogeheten [achternaam 1] / [achternaam 2] -arrest (HR 22 april 1983,
NJ1984, 145). [gedaagde] dient te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken dat (verdere) tenuitvoerlegging van die beschikking, kort gezegd, misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 van Pro het Burgerlijk Wetboek door [eiser] oplevert.
4.5.
[gedaagde] maakt zich zorgen over het welzijn van [minderjarige] tijdens zijn verblijf bij [eiser] . Volgens haar wordt hij al jaren structureel mishandeld door zijn vader en verschillende van zijn familieleden. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij onder meer foto’s in het geding gebracht van blauwe plekken bij [minderjarige] , van haar aangifte en de melding door de huisarts. Zij en [minderjarige] zijn door Veilig Thuis op 10 maart 2026 op een geheime locatie ondergebracht, aldus [gedaagde] .
[eiser] ontkent bij hoog en bij laag dat hij (of zijn familie) [minderjarige] mishandelt, in welk verband hij zich onder meer beroept op verklaringen van familieleden. Volgens hem wordt [minderjarige] juist door zijn moeder opgezet om allerlei ongefundeerde beschuldigingen te doen. Hij ziet wel dat [minderjarige] geregeld blauwe plekken heeft. Sommige daarvan zijn volgens hem door spelen veroorzaakt. Aangezien hij de andere plekken niet heeft veroorzaakt en zijn familie evenmin, moet het [gedaagde] wel zijn die [minderjarige] mishandelt, aldus [eiser] .
4.6.
Beide partijen staan er achter dat [minderjarige] voorlopig onder toezicht is gesteld. Volgens hen gaat de RvdK nu (weer) onderzoek doen en zal hij op de zitting van 10 juni a.s. om een ondertoezichtstelling vragen. Zij hopen beiden dat de kinderrechter die ondertoezichtstelling zal uitspreken. [eiser] hoopt zelfs dat [minderjarige] uit huis zal worden geplaatst, omdat het niet veilig is bij zijn moeder.
4.7.
Een kort geding leent zich niet voor uitgebreid feitenonderzoek. Het is onduidelijk wat er precies aan de hand is. Dat komt mede doordat [gedaagde] ’s gedrag door de jaren heen niet zonder meer valt te rijmen met de door haar ingenomen stellingen. Ter illustratie wijst de voorzieningenrechter er op dat [gedaagde] , ondanks haar aanhoudende beschuldigingen van mishandeling, onder andere:
  • tijdens de zitting van 4 oktober 2022, die vooraf ging aan het vonnis van 21 oktober 2022, plechtig beloofde de toen geldende zorgregeling te zullen nakomen (zie hierboven bij 2.3.);
  • het tijdens de procedure die uitmondde in de beschikking van 24 oktober 2023 niet over mishandelingen heeft gehad (zie bij 2.4. hierboven);
  • tijdens de zitting van 11 oktober 2023 nog instemde met een overnachting van [minderjarige] bij zijn vader en een verdeling van de vakanties bij helfte;
  • blijkens het JBT-verslag van 6 mei 2025 er zelf aan twijfelt of [minderjarige] wel de waarheid vertelt (zie hiervoor bij 2.6.);
  • in haar mail van 12 januari 2026 aan [eiser] nog vakanties en feestdagen met hem afstemt en belang zegt te hechten aan nakoming van de zorgregeling (productie 36 [eiser] ).
Tijdens de zitting gaf zij daar als verklaring voor dat zij zich verplicht voelde de zorgregeling na te komen. Deze uitleg overtuigt niet, alleen al omdat [gedaagde] rechterlijke uitspraken juist meermalen naast zich heeft neergelegd.
4.8.
De voorzieningenrechter wil [gedaagde] ’s angst voor mishandeling niet bagatelliseren. Maar wil deze angst tot schorsing van de (verdere) tenuitvoerlegging van de beschikking leiden, dan moet die angst gegrond zijn. Dat wil zeggen dat aan die angst controleerbare en objectiveerbare feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd moeten worden. Daar ontbreekt het naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter aan. Hij wijst onder meer op het volgende.
In het ongedateerde en ten behoeve van de JBT van 6 mei 2025 opgestelde verslag van [B] van de gemeente [gemeente 2] staat dat [gedaagde] op 28 april (2025; toevoeging voorzieningenrechter) samen het haar zoon een bezoek heeft gebracht aan de huisarts, die geen aanleiding zag voor het doen van een melding. Wel zijn zij verwezen naar een vertrouwensarts van het [ziekenhuis] , maar gesteld noch gebleken is dat die een melding heeft gemaakt.
Uit het JBT-verslag blijkt dat artsen niet tot een eenduidige conclusie komen (zie hierboven bij 2.6.). De RvdK zag ook geen aanleiding tot het doen van een onderzoek, wat bij een reëel vermoeden van mishandeling wel voor de hand had gelegen.
Blijkens de beschikking van 26 maart 2026 heeft de waarnemend huisarts op 3 maart 2026 geen letsel bij [minderjarige] vastgesteld (zie bij 2.10.), terwijl hij volgens [gedaagde] ’s aangifte twee dagen ervoor nog “voor de zoveelste keer” door zijn opa zou zijn mishandeld, die hem op de grond zou hebben gegooid en op zijn wenkbrauw hebben geslagen. Het scheurtje in die wenkbrauw dat [gedaagde] bij de overdracht zegt te hebben waargenomen, was twee dagen later dus alweer verdwenen.
4.9.
Alles bij elkaar genomen is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde] – mede gelet op haar eigen handelwijze en in het licht van het gevoerde verweer – onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat [eiser] en/of diens familieleden zijn zoon mishandelen. Dit oordeel zou er in beginsel toe moeten leiden dat de omgang moet worden hervat.
4.10.
Hier staat evenwel tegenover dat de RvdK besloten heeft toch weer onderzoek te doen en om een ondertoezichtstelling zal vragen, hoewel hij eerder van mening was dat zo’n maatregel niet zal helpen (zie bij 2.6. hiervoor). De voorzieningenrechter is niettemin voorshands van oordeel dat een ondertoezichtstelling (met de daaraan verbonden vormen van dwang) er wellicht toe kan leiden dat partijen eindelijk eens op een behoorlijke manier met elkaar zullen omgaan. In elk geval blijkt het voeren van juridische procedures – volgens partijen is dit zeker al de dertiende procedure tussen hen – niet te leiden tot enige verbetering, terwijl dat wel de hoogste tijd wordt.
Partijen zijn namelijk ernstig uit de bocht gevlogen: zij beschuldigen elkaar over en weer van mishandeling, rechterlijke uitspraken worden ondanks andersluidende beloften genegeerd, [gedaagde] laat het hoofd van haar zoon kaal scheren in haar zoektocht naar bulten (zie haar productie 12), een familielid van [eiser] dat ook van mishandeling wordt beschuldigd, overweegt op haar beurt aangifte tegen [gedaagde] te doen en ondertussen zit [minderjarige] met de gebakken peren.
4.11.
Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het onverkort nakomen van de zorgregeling – althans op dit moment – tot misbruik van bevoegdheid leidt. Zodanige nakoming leidt er namelijk naar verwachting toe dat de verhouding tussen [minderjarige] en zijn beide ouders steeds verder onder druk komt te staan. Van normaal onbelast contact lijkt inmiddels geen sprake meer te zijn. Zowel [gedaagde] als [eiser] maakt aan de lopende band foto’s en video-opnames van hun kind om blauwe plekken en ander (beweerdelijk) letsel – of juist het ontbreken ervan – vast te leggen om vervolgens de ander te kunnen beschuldigen. Het kan niet anders dan dat [minderjarige] deze strijd voelt. Dit is geen manier om een kind op te voeden tot volwassene.
4.12.
Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van de bij beschikking van 24 oktober 2023 vastgestelde zorgregeling zal schorsen. Deze schorsing geldt tot 10 juli 2026 (te weten een maand na de zitting van 10 juni a.s.; zie hierboven bij 4.6.).
Als de ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, krijgt de GI de regie over de uitvoering van de zorgregeling. Zij zal dan beoordelen welke zorgregeling, althans volgens haar, het meest in het belang van [minderjarige] is.
Als geen ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, dan zal de meermalen genoemde zorgregeling per 10 juli 2026 moeten worden hervat.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.13.
De voorzieningenrechter zal zijn beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Deze kwestie begint nu zodanig te escaleren, dat het in het belang van [minderjarige] is dat er voorlopig geen omgang met zijn vader is. De voorzieningenrechter begrijpt dat dit voor [eiser] een bittere pil is. Hij wil er niet mee gezegd hebben dat hij op voorhand van oordeel is dat [eiser] zijn kind mishandelt; daartoe heeft [gedaagde] juist te weinig gesteld. Waar het om gaat, is dat er nu voor even rust komt en dat de GI – indien in beeld – de nodige actie kan ondernemen. Het instellen van een rechtsmiddel mag een en ander niet doorkruisen.
Proceskosten
4.14.
In afwijking van de hoofdregel van artikel 237 lid 1 Rv Pro is het in familierechtelijke zaken gebruikelijk de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet – op dit moment althans – geen aanleiding van dit gebruik af te wijken. Iedere partij moet daarom de eigen kosten dragen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
5.1.
schorst de tenuitvoerlegging van de bij beschikking van 24 oktober 2023
vastgestelde zorgregeling tot 10 juli 2026,
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering sub III. en sub IV.,
5.4.
wijst af dat wat meer of anders is gevorderd,
5.5.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann, voorzieningenrechter, in samenwerking met mr. K.A.H. Verhoeven als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.