Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3100

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/16/610907 / KG ZA 26-251
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot opheffing executoriaal beslag op WIA-uitkering na echtscheiding

Eiser en gedaagde zijn voormalige echtelieden die bij beschikking van 30 maart 2023 zijn gescheiden. Op grond van het echtscheidingsconvenant moet eiser een bedrag van € 20.000,- aan gedaagde betalen in maandelijkse termijnen, waarvan hij slechts € 7.000,- heeft voldaan. Gedaagde legde op 28 november 2025 executoriaal beslag op de WIA-uitkering van eiser.

Eiser vordert in kort geding de opheffing van dit beslag wegens vermeend misbruik van executiebevoegdheid. De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser ontvankelijk is, ondanks dat gedaagde onder bewind staat en eiser de bewindvoerder niet heeft gedagvaard, omdat gedaagde het beslag zonder medeweten van de bewindvoerder heeft laten leggen.

De rechter stelt vast dat het beslag rechtmatig is gelegd op basis van een executoriale titel en dat er geen sprake is van misbruik. De vorderingen tot opheffing, schorsing van tenuitvoerlegging en andere subsidiaire vorderingen worden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vordering tot opheffing van het executoriaal beslag op de WIA-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van misbruik van executiebevoegdheid.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/610907 / KG ZA 26-251
Vonnis in kort geding van 27 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C.L. Berkel,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. G.A.M.F. Galjé-Deckers.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de producties van [gedaagde] ,
- de aanvullende producties van [eiser] ,
- de mondelinge behandeling van 13 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [eiser] ,
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] en [gedaagde] zijn voormalige echtelieden. Bij beschikking van 30 maart 2023 is de echtscheiding uitgesproken. Aan de beschikking is een door partijen getekend echtscheidingsconvenant gehecht. Op basis van dat echtscheidingsconvenant moet [eiser] een bedrag van € 20.000,- betalen aan [gedaagde] (te betalen in maandelijkse termijnen van € 1.000,-). [eiser] heeft € 7.000,- betaald, maar is vervolgens gestopt met betalen. [gedaagde] heeft op 28 november 2025 beslag gelegd onder het UWV op de WIA-uitkering van [eiser] . [eiser] vordert onder meer opheffing van dat beslag, omdat volgens [eiser] sprake is van misbruik van executiebevoegdheid. De voorzieningenrechter is het daar niet mee eens en wijst de vorderingen van [eiser] af.

3.De beoordeling

[eiser] is wel ontvankelijk in zijn vorderingen
3.1
[gedaagde] staat al sinds juli 2024 onder bewind. [gedaagde] stelt dat [eiser] de bewindvoerder – mede – had moeten dagvaarden. Nu dit niet is gebeurd, is [eiser] volgens [gedaagde] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.
3.2
Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. [eiser] wist dat [gedaagde] onder bewind stond. [gedaagde] heeft dus gelijk dat [eiser] eigenlijk de bewindvoerder (mede) had moeten dagvaarden.
3.3
Toch oordeelt de voorzieningenrechter dat [eiser] ontvankelijk is in zijn vorderingen. [gedaagde] heeft namelijk, zonder de bewindvoerder daarbij te betrekken, beslag laten leggen door de deurwaarder. Zij heeft dit op eigen houtje gedaan, want zij wilde kennelijk dat het geld naar haar ging en niet naar de bewindvoerder. Ze heeft het naar eigen zeggen wel besproken met de bewindvoerder. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] zich nu dan niet kan verweren met de stelling dat [eiser] de bewindvoerder had moeten dagvaarden.
[eiser] heeft een spoedeisend belang
3.4
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Volgens [gedaagde] ontbreekt het spoedeisend belang, want het beslag dateert van november 2025. De voorzieningenrechter is het daar niet mee eens. Omdat het om het inkomen van [eiser] gaat, is een spoedeisend belang aanwezig. Dat er een aantal maanden overheem is gegaan voordat de dagvaarding is uitgebracht doet niet ter zake. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd toegelicht dat het zo lang duurde voordat hij een toevoeging voor gefinancierde rechtsbijstand ontving.
Artikel 21 Rv Pro staat een inhoudelijke beoordeling niet in de weg
3.5
[gedaagde] voert nog als formeel verweer dat artikel 21 Wetboek Pro van burgerlijke rechtsvordering is geschonden, want [eiser] zou de rechtbank niet volledig hebben geïnformeerd. [eiser] zou de feiten niet naar waarheid hebben aangevoerd, waardoor [gedaagde] de voorzieningenrechter verzoekt de vorderingen af te wijzen.
3.6
[eiser] , althans zijn advocaat, heeft inderdaad in de dagvaarding de feiten onjuist gepresenteerd (zie hierna onder 3.10). Maar dit staat een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiser] niet in de weg. De voorzieningenrechter zal hierna de vorderingen beoordelen, uitgaande van de feiten zoals deze tijdens de mondelinge behandeling naar voren zijn gebracht.
Geen sprake van misbruik van executiebevoegdheid
3.7
Partijen hebben drie verschillende versies van het echtscheidingsconvenant in het geding gebracht. [eiser] een versie van 24 februari 2023, een keer ongetekend en een keer getekend, en [gedaagde] een versie van 21 februari 2023. Er kan maar een versie de juiste (dat wil zeggen de aan de beschikking van de rechtbank gehechte) versie zijn. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de getekende versie van 24 februari 2023 de juiste definitieve versie is, en dat op basis daarvan de deurwaarder beslag heeft gelegd ten laste van [eiser] . Uit alles blijkt dat het door [gedaagde] getekende stuk een concept is waarop door of namens [eiser] bepaalde dingen zijn bijgeschreven.
3.8
In het echtscheidingsconvenant staat het volgende:
“4.3 Partijen exploiteren een eenmanszaak met de handelsnamen [handelsnaam] . Die is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel onder KVK-nummer [nummer] .
4.4
De man krijgt alle activa van de eenmanszaak, zoals vermeld in de jaarrekening toegedeeld. De man is ook verplicht om alle schulden en de latente belastingsclaims* zelf te betalen. De man zal de twee ondernemingen voor 1 maart bij de KvK op zijn naam laten stellen.
4.5
Partijen hebben de waarde van deze eenmanszaak in onderling overleg vastgesteld op € 40.000.
4.6
Als gevolg van de in artikel 4.4 en 4.5 afgesproken toedeling moet de man aan de vrouw € 20.000 betalen. Partijen spreken af dat de man dit bedrag van niet direct hoeft te betalen, maar voor dit bedrag een schuld heeft aan de vrouw. De schuld wordt omgezet in een geldlening. De man zal met ingang van 1 maart 2023 maandelijks € 1.000 aan de vrouw voldoen, telkens voor de 1e van d de maand. De man is geen rente verschuldigd over deze geldlening.
Als de man te laat betaalt, is de man automatisch in verzuim*. […]”
3.9
De eenmanszaak, [handelsnaam] , stond op naam van [gedaagde] geregistreerd, maar behoorde tot de gemeenschap van partijen. [handelsnaam] was een kringloopwinkel en had twee vestigingen, namelijk in Rhenen en Ochten. In de conceptversie van het echtscheidingsconvenant (de versie van 21 februari 2023) staat dat de waarde van [handelsnaam] € 60.000,- bedraagt en dat (daarom) een bedrag van € 30.000,- moet worden betaald aan [gedaagde] . Met de pen is erbij geschreven dat [eiser] toch niet de vestiging in Ochten overneemt waardoor het te betalen bedrag wordt verlaagd naar € 20.000,-. Dit laatste (het lagere bedrag) is wel overgenomen in de definitieve versie, maar de omstandigheid dat [eiser] de vestiging in Ochten niet overneemt, niet.
3.1
In de dagvaarding is de onjuist gebleken stelling ingenomen dat [gedaagde] niet aan haar verplichtingen heeft voldaan door de exploitatie van de eenmanszaak in Ochten voort te zetten. Tijdens de mondelinge behandeling is vastgesteld dat partijen de vestigingen van [handelsnaam] hebben verdeeld, dat [eiser] door zou gaan in Rhenen en [gedaagde] in Ochten. De vestiging in Rhenen is groter, waardoor niet sprake was een gelijke verdeling. [eiser] zou daarom het bedrag van € 20.000,- aan [gedaagde] betalen. Dit is niet goed verwoord in het echtscheidingsconvenant. De voorzieningenrechter volgt echter de uitleg van partijen, die het op zitting op dit punt geheel met elkaar eens waren.
3.11
Volgens [eiser] heeft [gedaagde] wel andere verplichtingen verzaakt. Hij beschuldigt haar ervan dat zij spullen uit Rhenen naar Ochten heeft laten vervoeren, maar dat ontkent [gedaagde] en zij wijst erop dat er in Ochten, de kleinere vestiging, niet eens plek was voor spullen uit Rhenen. [eiser] is er ook ontevreden over dat hij de bestaande registratie van de eenmanszaak in het handelsregister niet op zijn naam heeft kunnen zetten en de vestiging in Rhenen uiteindelijk heeft voortgezet met een nieuwe handelsregisterinschrijving onder de naam [handelsnaam] . Wat [gedaagde] daar te verwijten valt is niet duidelijk geworden. Hoe dan ook komt [eiser] pas op zitting met deze verwijten en heeft hij zijn stellingen niet nader onderbouwd met stukken. [gedaagde] betwist dat zij haar verplichtingen niet is nagekomen. In een kort geding procedure is in beginsel geen plaats voor nader onderzoek en bewijslevering. En al zou er iets in zitten in de verwijten, dan is op geen enkele manier inzichtelijk gemaakt hoe dat dan van invloed kan zijn op de – in een executoriale titel vastgelegde – verplichting tot betaling van € 20.000,- door [eiser] aan [gedaagde] wegens overbedeling.
3.12
Dat [eiser] een bedrag van € 20.000,- moet betalen, staat vast. Dit is ook door [eiser] bevestigd tijdens de mondelinge behandeling. Ook staat vast dat [eiser] is gestopt met betalen. Of [eiser] terecht zijn betalingen heeft opgeschort, kan de voorzieningenrechter niet beoordelen.
3.13
Dit betekent dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat voorshands niet kan worden aangenomen dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. [gedaagde] mocht beslag leggen, omdat zij een executoriale titel heeft voor de betaling van € 20.000,- door [eiser] .
3.14
Wel merkt de voorzieningenrechter op dat het hem bevreemdt dat [gedaagde] buiten haar bewindvoerder om beslag heeft laten leggen. Zij had dit niet op eigen houtje mogen doen. Het bewind treft alle goederen van [gedaagde] , dus ook haar geldvordering op [eiser] . De bewindvoerder is daarbij aangesteld om voor [gedaagde] alle handelingen te verrichten die aan een goed bewind bijdragen. Daaronder valt ook het executeren van een beschikking op grond waarvan [gedaagde] recht heeft op betaling van een geldsom. Om er zeker van te zijn dat de bewindvoerder op de hoogte is van deze zaak, zal de griffier een afschrift van dit vonnis aan de bewindvoerder van [gedaagde] sturen.
Beslag wordt niet opgeheven
3.15
Omdat geen sprake is van misbruik van recht, wordt de primaire vordering van [eiser] tot opheffing van het beslag afgewezen.
3.16
Ook de subsidiaire vordering, schorsing van de tenuitvoerlegging van het beslag, wordt afgewezen. Datzelfde geldt voor de meer subsidiaire vorderingen. Zoals in dit vonnis overwogen, is niet gebleken dat [gedaagde] niet aan haar verplichtingen heeft voldaan. Ook de nog meer subsidiaire vordering, namelijk dat [gedaagde] geen executiemaatregelen mag treffen, wordt daarom afgewezen. Datzelfde geldt voor de vordering tot terugbetaling van de € 7.000,- en wat uit hoofde van het beslag door [gedaagde] is ontvangen. Kortom, alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.17
Gelet op de relatie tussen partijen, namelijk voormalige echtelieden, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.3
draagt de griffier op om een afschrift van dit vonnis aan de bewindvoerder van [gedaagde] te sturen.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
SB5790