ECLI:NL:RBMNE:2026:310

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
602722
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:397 BWArt. 822 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorzieningen inzake zorgregeling en kinderalimentatie bij echtscheiding

De rechtbank Midden-Nederland behandelde een verzoek van de moeder om voorlopige voorzieningen te treffen in het kader van de echtscheidingsprocedure met de vader. De ouders hebben twee minderjarige kinderen en er is sinds kort geen contact meer tussen vader en kinderen vanwege kwetsende uitspraken van de vader. De rechtbank stelt een voorlopige open zorgregeling vast waarbij de ouders onder begeleiding van hulpverlening afspraken maken over het contact, rekening houdend met de wensen van de kinderen.

De rechtbank heeft de kinderen gehoord en erkent hun behoefte aan ruimte, maar benadrukt het belang van toekomstig contact. De vader erkende zijn fouten en spijt. De zorgregeling blijft voorlopig open en flexibel, passend bij de leeftijd en gevoelens van de kinderen.

Daarnaast bepaalt de rechtbank de voorlopige kinderalimentatie. Uitgaande van de inkomens van 2024 en de draagkrachtformule van 2025, wordt vastgesteld dat de vader €112 per kind per maand betaalt vanaf 1 december 2025, met een indexering naar €117 per kind per maand vanaf 1 januari 2026. De vader moet de alimentatie vooruitbetalen. Het verzoek van de vader om het door hem betaalde aandeel in de hypotheekrente als partneralimentatie te beschouwen, wordt niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank wijst de overige verzoeken af en benadrukt dat de voorlopige voorzieningen gelden voor de duur van de echtscheidingsprocedure. De beslissing is genomen door kinderrechter E.G. de Jong en griffier F. Arbeider en is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige open zorgregeling vast en bepaalt dat de vader kinderalimentatie betaalt van €112 per kind per maand, stijgend naar €117 per 1 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Almere
zaaknummer: C/16/602722 / FL RK 25-1171
Voorlopige voorzieningen
Beschikking van 27 januari 2026
in de zaak van:
[moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. H. Hulshof,
tegen
[vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. E. Uijt de boogaardt.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift (met bijlagen) van de moeder, binnengekomen op 18 november 2025;
- het verweerschrift (met bijlagen) van de vader met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), binnengekomen op 7 januari 2026.
1.2.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
13 januari 2026. Daarbij waren aanwezig: de vader met zijn advocaat en de moeder met haar advocaat. De Raad voor de Kinderbescherming was ook uitgenodigd, maar er is geen vertegenwoordiger op de zitting verschenen.
1.3.
De rechtbank heeft aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de kinderen van de ouders, gevraagd wat zij van de verzoeken vinden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op 12 januari 2026 met de rechter gesproken. Op de zitting is samengevat aan de orde geweest wat zij hebben verteld. De ouders hebben hierop kunnen reageren.

2.Waar deze procedure over gaat

2.1.
De ouders zijn met elkaar getrouwd.
2.2.
Zij hebben samen twee kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] .
2.3.
De ouders willen scheiden. Zij vragen de rechtbank om voorlopige voorzieningen te treffen. Dat zijn tijdelijke maatregelen die gelden voor de duur van de echtscheidingsprocedure.
2.4.
De moeder verzoekt de rechtbank te bepalen dat de vader een kinderalimentatie van € 385,- per kind per maand betaalt. De vader is het niet eens met dit verzoek en heeft ook tegenverzoeken gedaan. Hij vraagt de rechtbank een zorgregeling vast te stellen waarbij hij in de oneven weken op dinsdag van 17.00 tot 21.00 uur contact heeft met [minderjarige 1] en op datzelfde moment in de even weken met [minderjarige 2] . Verder vraagt hij de rechtbank te bepalen dat het door hem betaalde aandeel van de moeder in de hypotheekrente wordt aangemerkt als partneralimentatie. De moeder is het niet eens met deze verzoeken.

3.De beoordeling

De zorgregeling
3.1.
De rechtbank beslist dat er een voorlopige zorgregeling komt. Daarmee stelt de rechtbank het kader vast en dat het doel moet zijn dat er in de komende periode weer contact komt tussen de vader en de kinderen. De rechtbank laat echter open hoe, wanneer en vanaf welk moment het contact tussen de vader en de kinderen zal plaatsvinden. Het is aan de ouders om hierover in overleg afspraken te maken en onder begeleiding van hulpverlening het contact verder vorm te geven. Hieronder licht de rechtbank haar beslissing toe.
3.2.
Op dit moment is er geen contact tussen de vader en de kinderen. Tot kort geleden, namelijk tot net voor de kerst van 2025, was dat contact er nog wel. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben allebei aan de rechtbank verteld dat zij op dit moment geen behoefte hebben om hun vader te zien. De belangrijkste reden daarvoor is dat de vader laatst kwetsende dingen tegen [minderjarige 1] heeft gezegd. Tijdens de zitting heeft de vader erkend dat hij dingen tegen [minderjarige 1] heeft gezegd die hij niet had moeten zeggen en dat hij spijt heeft van zijn uitspraken. Hij begrijpt dat de kinderen op dit moment vanwege wat er is gebeurd geen contact willen en respecteert deze wens, ook al zou hij het zelf graag anders zien.
3.3.
De rechtbank vindt het belangrijk dat wordt geprobeerd om het contact tussen de vader en de kinderen weer op te bouwen, met hulp van professionals. Ook al hebben de kinderen verteld dat zij geen contact willen met hun vader, de rechtbank vindt het in hun belang dat er in de toekomst wel weer ruimte hiervoor kan ontstaan. De vader is en blijft hun vader. De rechtbank ziet ook mogelijkheden voor herstel van het contact. Tot kort geleden was er namelijk nog wel contact en de vader ziet in dat hij een fout heeft gemaakt. Beide ouders willen zich ook inzetten om het contact tussen de vader en de kinderen weer op te starten.
3.4.
Op de zitting is besproken dat de ouders contact gaan opnemen met de gemeente voor het regelen van passende hulp. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat de ouders, met begeleiding, samen verdere afspraken kunnen maken over de concrete invulling van de zorgregeling. De ouders zijn het namelijk vrijwel eens over welke zorgregeling passend zou zijn. Zij denken nu aan een regeling waarbij [minderjarige 1] in de ene week en [minderjarige 2] in de andere week op woensdag of donderdag van 17.00 tot 21.00 uur contact heeft met de vader.
3.5.
Op dit moment is de weerstand van de kinderen echter nog te groot om een concrete zorgregeling te gaan uitvoeren. Daarom stelt de rechtbank ook geen precieze voorlopige zorgregeling vast. Het is belangrijk dat er goed wordt gekeken naar wat voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] goed is. Het tempo en de manier waarop het contact plaatsvindt, moeten passen bij hoe zij zich voelen en waar zij in het proces staan. Dat past ook hun leeftijd: [minderjarige 1] is [leeftijd] jaar en [minderjarige 2] is inmiddels na de zitting [leeftijd] jaar. Dat betekent dat zij naar het oordeel van de rechtbank oud genoeg zijn om tot op grote hoogte zelf te bepalen wat zij wel en niet prettig vinden. In de afspraken die de ouders gaan maken, zullen zij daarom ook rekening moeten houden met de mening en wensen van de kinderen.
De brieven van de rechtbank aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
3.6.
Zoals tijdens de zitting met de ouders besproken, stuurt de rechtbank ook brieven aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat zij hebben aangegeven van de rechter te willen horen wat de beslissing is. De tekst van deze brieven volgt hierna.
3.7.
De brief aan [minderjarige 1] :
Beste [minderjarige 1] ,
Alweer een tijdje geleden ben je naar de rechtbank gekomen om met mij te praten. Het had toen erg gesneeuwd. Ik vond het stoer dat je ondanks de sneeuw samen met je broertje en je moeder naar de rechtbank was gekomen. We hebben het gehad over hoe het met je gaat, over het spelen van elektrische basgitaar en het schrijven van verhalen. Maar we hebben ook gepraat over meer serieuze dingen, zoals de scheiding van je ouders en over het contact met je vader.
Inmiddels heb ik uitspraak gedaan in de zaak tussen jouw ouders. Ik heb ook een beslissing genomen over het contact dat je vader in de komende periode graag met jou en [minderjarige 2] zou willen. Zoals beloofd stuur ik jou deze brief waarin ik vertel wat ik heb beslist. Je kunt de brief misschien ook bewaren voor als je later nog eens wilt teruglezen hoe het nou allemaal is gegaan.
Je hebt je vader nu al iets meer dan een maand niet meer gezien. Je vertelde mij dat je geen zin hebt om hem te zien omdat hij jou heeft gekwetst. Je vader heeft mij op de zitting ook verteld dat hij dingen tegen jou heeft gezegd die niet goed waren. Hij heeft mij ook verteld dat hij er spijt van heeft. Hij respecteert jouw wens om voorlopig geen contact te hebben vanwege wat hij heeft gezegd. Hij snapt volgens mij heel goed dat je ruimte nodig hebt.
Ik vind het, net als je vader én je moeder, belangrijk dat je ook de tijd krijgt die je nodig hebt. Er is veel gebeurd, en het is oké als je ruimte nodig hebt om dat een plek te geven. Maar ik vind het ook belangrijk dat er wordt gekeken of jij en je vader weer contact kunnen krijgen. Je vader blijft wel jouw vader. Het is voor een kind uiteindelijk toch fijn om contact te kunnen hebben met beide ouders.
Ik heb daarom beslist dat er in de komende tijd moet worden geprobeerd om het contact tussen jou en je vader weer op te starten. Allebei jouw ouders hebben mij gezegd dat zij hiervoor ook hun best willen doen. Zij gaan hierbij ook hulp krijgen van een professional. Ik vind het heel goed van je ouders dat zij openstaan voor hulp.
Je ouders gaan samen afspraken maken over wanneer je bij je vader bent en vanaf wanneer dat zal zijn. Je hoeft daar zelf geen beslissing over te nemen of iets voor te regelen. Je gaat dus van je ouders horen hoe het verder gaat. Maar ik vind het ook belangrijk dat je ouders luisteren naar wat jij wilt. Je bent [leeftijd] jaar en hebt daar dus zelf ook wat over te zeggen en te vinden. Dat je ouders rekening met jou moeten houden, heb ik hen ook geschreven in mijn beslissing. Het is dus belangrijk dat jij ook duidelijk aan je ouders en eventueel de hulpverlening vertelt hoe het met jou gaat en wat jij wil. Dan kunnen zij daar rekening mee houden.
Ik hoop dat de beslissing hiermee zo duidelijk is. Ik wens je alle goeds voor de toekomst.
Met vriendelijke groeten,
De kinderrechter
3.8.
De brief aan [minderjarige 2] :
Beste [minderjarige 2] ,
Alweer een tijdje geleden ben je naar de rechtbank gekomen om met mij te praten. We hebben het gehad over van alles: over school, je hobby’s, maar ook over de scheiding van je ouders en het contact met je ouders.
Inmiddels heb ik uitspraak gedaan in de zaak tussen jouw ouders. Ik heb ook een beslissing genomen over het contact dat je vader in de komende periode graag met jou zou willen. Zoals beloofd stuur ik jou deze brief waarin ik vertel wat ik heb beslist. Je kunt de brief misschien ook bewaren voor als je later nog eens wilt teruglezen hoe het nou allemaal is gegaan.
Je hebt je vader nu al iets meer dan een maand niet meer gezien. Je hebt verteld dat je daar op dit moment ook geen behoefte aan hebt omdat je boos bent over hoe hij zich (richting [minderjarige 1] en je moeder) heeft gedragen. Je vader heeft mij op de zitting verteld dat hij dingen heeft gezegd die niet goed waren. Hij heeft mij ook verteld dat hij daar spijt van heeft. Hij respecteert jouw wens om nu even geen contact te willen, en trouwens ook die van [minderjarige 1] . Hij snapt volgens mij heel goed dat jullie ruimte nodig hebben.
Ik vind het, net als je vader én je moeder, belangrijk dat je de tijd krijgt die je nodig hebt. Er is veel gebeurd, en het is oké als je ruimte nodig hebt om dat een plek te geven. Maar ik vind het ook belangrijk dat er wordt gekeken of jij en je vader weer contact kunnen krijgen. Je vader blijft wel jouw vader. Het is voor een kind uiteindelijk toch fijn om contact te kunnen hebben met beide ouders.
Ik heb daarom beslist dat er in de komende tijd moet worden geprobeerd om het contact tussen jou en je vader weer op te starten. Allebei jouw ouders hebben mij gezegd dat zij hiervoor ook hun best willen doen. Zij gaan hierbij ook hulp krijgen van een professional. Ik vind het heel goed van je ouders dat zij openstaan voor hulp.
Je ouders gaan samen afspraken maken over wanneer je bij je vader bent en vanaf wanneer dat zal zijn. Jij hoeft daar zelf geen beslissing over te nemen of iets voor te regelen. Je gaat dus van je ouders horen hoe het verder gaat. Maar ik vind het ook belangrijk dat je ouders luisteren naar wat jij wilt. Je bent (inmiddels) [leeftijd] jaar en hebt daar dus zelf ook wat over te zeggen en te vinden. Dat je ouders rekening met jou moeten houden, heb ik hen ook geschreven in mijn beslissing. Het is dus belangrijk dat jij ook duidelijk aan je ouders en eventueel de hulpverlening vertelt hoe het met jou gaat en wat jij wil. Dan kunnen zij daar rekening mee houden.
Ik hoop dat de beslissing hiermee duidelijk is. Ik wens je veel succes met je droom om in de beveiliging te gaan werken. Je vertelde dat je het best leuk zou vinden om in de toekomst hier op de rechtbank als beveiliger aan de slag te gaan. Dat zou heel leuk zijn. Zet ‘m op en dan wie weet!
Met vriendelijke groeten,
De kinderrechter
De kinderalimentatie
3.9.
De rechtbank beslist dat de vader voorlopig een bedrag van € 112,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen, vanaf 1 december 2025. Vanaf 1 januari 2026 is dat € 117,- per kind per maand. Hieronder wordt deze beslissing toegelicht. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.
De ingangsdatum
3.10.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.
3.11.
De rechtbank hanteert als ingangsdatum 1 december 2025. Dit is de door de moeder verzochte ingangsdatum. De vader heeft hiertegen geen verweer gevoerd en de rechtbank vindt de gevraagde ingangsdatum redelijk. Het is de eerstvolgende eerste dag van de maand na indiening van het verzoekschrift door de moeder op
18 november 2025. Vanaf dat moment had de vader er rekening mee kunnen en moeten houden dat er een alimentatieverplichting zou worden vastgesteld.
De behoefte van de kinderen
3.12.
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De rechtbank stelt de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] vast op een bedrag van € 489,- per kind per maand. Zij heeft dat als volgt berekend.
3.13.
De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de ouders te besteden hadden toen zij nog bij elkaar waren. Hierbij zal de rechtbank uitgaan van de inkomens van de ouders in 2024, omdat de ouders in dat jaar feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De ouders zijn het erover eens dat dit jaar als uitgangspunt moet worden genomen voor het vaststellen van de behoefte.
3.14.
Voor het inkomen van de vader in 2024 gaat de rechtbank uit van de Aangifte Inkomstenbelasting over dat jaar. Daaruit volgt een bruto jaarinkomen van € 29.244,-. Het netto besteedbaar inkomen van de vader bedroeg dan € 2.231,- per maand. [1]
3.15.
Voor het inkomen van de moeder in 2024 gaat de rechtbank ook uit van de Aangifte Inkomstenbelasting 2024. Hieruit blijkt een bruto jaarinkomen van € 14.254,-. Het netto besteedbaar inkomen van de moeder bedroeg dan € 1.272,- per maand. [2]
3.16.
Naast hun eigen inkomsten ontvingen de ouders in 2024 een kindgebonden budget van € 472,- per maand. Het netto besteedbaar gezinsinkomen van de ouders bedroeg daarmee in totaal € 3.975,- per maand.
3.17.
Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan de kinderen werd uitgegeven en wat dus de behoefte van de kinderen is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat ouders bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 3.975,- gemiddeld € 918,- per maand uitgaven voor hun kinderen in 2024, dus per kind € 459,- per maand. Gecorrigeerd in verband met de inflatie (geïndexeerd) is dat in 2025 € 978,-, dus € 489,- per kind per maand. [3]
De draagkracht van de ouders
3.18.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van hun kinderen voorzien. [4]
3.19.
Voor het bepalen van de draagkracht van de ouders past de rechtbank de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld toe. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
3.2
Omdat de ingangsdatum ligt in 2025, zal de rechtbank de kinderalimentatie berekenen aan de hand van de tarieven van 2025.
3.21.
Bij een netto besteedbaar inkomen vanaf € 2.125,- per maand in 2025 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310,- per maand. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [Netto Besteedbaar Inkomen – (0,3 x Netto Besteedbaar Inkomen + 1.310)].
De draagkracht van de vader
3.22.
De draagkracht van de vader berekent de rechtbank op € 223,- per maand. [5] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
3.23.
Voor het inkomen van de vader gaat de rechtbank uit van zijn salarisspecificaties oktober tot en met december 2025. Daaruit blijkt een bruto maandinkomen van € 2.430,-. Verder houdt de rechtbank rekening met de vakantietoeslag van 8% en een eindejaarsuitkering. Ook houdt de rechtbank rekening met een pensioeninhouding van € 106,- per maand en een netto inhouding van € 31,79 per maand voor eigen bijdrage aan vervoer. Afgerond is de netto inhouding voor eigen bijdrage aan vervoer € 381,- per jaar. Anders dan de moeder, vindt de rechtbank het redelijk om met deze eigen bijdrage rekening te houden. De vader heeft onbetwist toegelicht dat hij met een busje van het werk wordt opgehaald en teruggebracht en dat deze inhouding door zijn werkgever daarom verplicht is.. Het netto besteedbaar inkomen is dan € 2.327,- per maand.
3.24.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule zoals geldend in 2025 heeft de vader een draagkracht van (70% [2.327 – (0,3 x 2.327 + 1310)] =) € 223,- per maand.
De draagkracht van de moeder
3.25.
De draagkracht van de moeder berekent de rechtbank op € 191,- per maand. [6] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
3.26.
Voor het inkomen van de moeder gaat de rechtbank uit van een jaarinkomen van € 17.717,- in 2025. De moeder heeft op de zitting verteld dat dit het inkomen is dat zij in 2025 daadwerkelijk heeft verdiend. De vader heeft dit niet betwist, maar wel aangevoerd dat de moeder meer zou kunnen verdienen. Hij stelt primair dat moet worden uitgegaan van een fulltime werkweek en subsidiair van een werkweek van 25 uur. De rechtbank volgt deze standpunten niet en gaat in deze procedure uit van het inkomen dat de moeder nu daadwerkelijk verdient. Dit is namelijk een spoedprocedure en de rechtbank neemt alleen een tijdelijke ordemaatregel, zodat de rechtbank uitgaat van de nu bestaande situatie. In de latere echtscheidingsprocedure kan wel van belang zijn of de moeder meer kan verdienen, waarbij dan ook het standpunt van de moeder kan worden betrokken dat ze vanwege de (extra) zorg voor de kinderen niet meer kan werken.
3.27.
Verder houdt de rechtbank aan de zijde van de moeder rekening met een kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop. Haar netto besteedbaar inkomen is dan € 2.261,- per maand.
3.28.
Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule zoals geldend in 2025 heeft de moeder een draagkracht van (70% [2.261 – (0,3 x 2.261 + 1310)] =) € 191,- per maand.
De verdeling van de kosten
3.29.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
3.30.
Een vergelijking is hier niet nodig omdat de ouders samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van de kinderen. Hun gezamenlijke draagkracht is € 414,- per maand, terwijl de kosten van de kinderen € 978,- per maand zijn. De ouders komen dus samen een bedrag van € 564,- per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de vader met zijn volledige draagkracht van € 223,- per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen.
De zorgkorting
3.31.
De vader maakt in de tijd dat de kinderen in de toekomst weer bij hem zouden zijn kosten voor de kinderen, zoals eten en drinken: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de vader – deels – aan zijn onderhoudsverplichting. De rechtbank kan de bijdrage van de vader verlagen met een percentage van de behoefte van de kinderen of een deel daarvan: de ‘zorgkorting’.
3.32.
Nog los van de vraag of de vastgestelde zorgregeling aanleiding geeft tot een zorgkorting, past de rechtbank deze niet toe. Er is namelijk sprake van een groot tekort aan draagkracht. Het is dan niet eerlijk als de rechtbank de eventuele kosten die de vader voor de kinderen maakt in mindering brengt op de alimentatie, want daardoor komt het hele tekort op de schouders van de moeder te rusten. Daarom past de rechtbank bij een groot tekort aan draagkracht geen zorgkorting toe. Dit leidt ertoe dat de vader een bedrag van € 223,- per maand, dus € 112,- per kind per maand, aan kinderalimentatie moet betalen. [7]
Indexering
3.33.
Aangezien de door de vader te betalen kinderalimentatie van € 112,- per kind per maand ingaat op een datum die is gelegen vóór 1 januari 2026, verhoogt de rechtbank voormeld bedrag per 1 januari 2026 met de wettelijke indexering van 4,6%. De kinderalimentatie bedraagt dan per 1 januari 2026 € 117,- per kind per maand.
Alimentatie vooruitbetalen
3.34.
De rechtbank beslist dat de vader de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
Verzoek over de woonlasten
3.35.
De vader heeft verder verzocht te bepalen dat het aandeel van de moeder in de hypotheekrente dat door hem wordt betaald wordt aangemerkt als partneralimentatie. De rechtbank verklaart dit verzoek niet-ontvankelijk. Dit verzoek valt namelijk niet onder de beperkte categorie van onderwerpen waarover de rechtbank in een voorlopige voorzieningen procedure een beslissing kan nemen. [8] De ouders zijn het ook niet eens over dit verzoek, zodat de rechtbank dit punt ook niet als een eventuele verstaansbeslissing kan opnemen.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
stelt voor de duur van de echtscheidingsprocedure een zorgregeling vast tussen de vader en de kinderen, die inhoudt dat:
o er onder begeleiding van hulpverlening wordt toegewerkt naar een zorgregeling tussen de kinderen en de vader;
o de ouders in onderling overleg afspraken maken over de verdere invulling van de zorgregeling tussen de kinderen en de vader, onder begeleiding van hulpverlening;
4.2.
beslist dat de vader vanaf 1 december 2025 een bedrag van € 112,- per kind per maand en vanaf 1 januari 2026 een bedrag van € 117,- per kind per maand moet betalen aan de moeder, als voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;
4.3.
beslist dat de vader vanaf vandaag deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
4.4.
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek om het aandeel van de moeder in de hypotheekrente dat door hem wordt betaald aan te merken als partneralimentatie;
4.5.
wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.G. de Jong, (kinder)rechter, in samenwerking met F. Arbeider, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
Bijlage 1
Bijlage 2

Voetnoten

1.Bijlage 1: netto besteedbaar inkomen van de vader in 2024, pagina 1.
2.Bijlage 1: netto besteedbaar inkomen van de moeder in 2024, pagina 2.
3.Bijlage 1: eigen aandeel kosten kinderen, pagina 3.
4.Artikel 1:397 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek
5.Bijlage 2: de draagkrachtberekening van de vader, pagina 1.
6.Bijlage 2: de draagkrachtberekening van de moeder, pagina 2.
7.Bijlage 2: de berekening en verdeling van de kosten van de kinderen, pagina 3.
8.artikel 822 Wetboek Pro van Rechtsvordering.