ECLI:NL:RBMNE:2026:31

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
C/16/604764 / KL ZA 25-329C/16/604764 / KL ZA 25-329
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 557a lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming gekraakt onbewoonbaar pand wegens veiligheidsrisico

Eiseres, eigenaar van een voormalig vakantiehuisje dat onbewoonbaar is verklaard, vordert ontruiming van het pand dat gekraakt is. Gedaagden zijn niet verschenen, waardoor verstek is verleend. De voorzieningenrechter stelt vast dat het pand in zeer slechte staat verkeert en instortingsgevaar oplevert, wat een veiligheidsrisico vormt voor de krakers.

De rechtbank oordeelt dat eiseres een spoedeisend belang heeft bij ontruiming en dat het eigendomsrecht is geschonden door het kraakrecht. De vordering tot ontruiming wordt daarom toegewezen, met uitzondering van de machtiging om zelf met de sterke arm te ontruimen, die wordt afgewezen omdat deze bevoegdheid aan de deurwaarder toekomt.

Daarnaast wordt de vordering op grond van artikel 557a lid 3 Rv toegewezen, zodat het vonnis ook tegen toekomstige krakers kan worden uitgevoerd. Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en geldt voor een periode van één jaar.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot ontruiming van het gekraakte onbewoonbare pand binnen drie dagen, met uitvoerbaarheid bij voorraad en hoofdelijk veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
handelskamer
locatie Lelystad
zaaknummer / rolnummer: C/16/604764 / KL ZA 25-329
Vonnis in kort geding van 14 januari 2026
in de zaak van
de vereniging
VERENIGING TOT BEHOUD VAN NATUURMONUMENTEN IN NEDERLAND,
gevestigd te Amersfoort,
eiseres,
advocaat: mr. M. Niermeijer te Bussum,
tegen
ZIJ DIE VERBLIJVEN IN DE ONROERENDE ZAKEN OF GEDEELTE DAARVAN, staande en gelegen te [plaats] ( [postcode] ) aan het [adres],
verblijvende te [plaats] ,
gedaagden,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 december 2025, met producties 1 tot en met 7;
- de mondelinge behandeling van 7 januari 2026;
- het tegen gedaagden verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
Eiseres is eigenaar van een onbewoonbaar pand (een voormalig vakantiehuisje), gelegen te [plaats] aan het [adres] . Eiseres is gebleken dat het pand is gekraakt en zij vordert in deze procedure ontruiming van de onroerende zaak. Aanvankelijk zijn nog twee personen gedagvaard, maar tegen hen is de zaak ingetrokken. Gedaagden zijn in deze procedure niet verschenen. Tegen gedaagden is daarom verstek verleend. Dat betekent dat de vorderingen zullen worden toegewezen, tenzij de voorzieningenrechter vindt dat deze onrechtmatig of ongegrond zijn.

3.De beoordeling in kort geding

Eiseres heeft een spoedeisend belang

3.1.
Eiseres heeft gesteld, en met een bouwkundig rapport onderbouwd, dat de onroerende zaak in (zeer) slechte staat verkeert en er instortingsgevaar dreigt. Het pand is niet geschikt is om bewoond te worden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiseres daarom voldoende spoedeisend belang bij haar vordering tot ontruiming, nu gebleken is dat het pand gekraakt is geweest en dat mogelijk weer zou kunnen gebeuren of al is gebeurd.
De vorderingen van eiseres worden grotendeels toegewezen
3.2.
Vast staat dat eiseres eigenaar is van de onroerende zaak gelegen te [plaats] aan het [adres] . Uit de stukken is de voorzieningenrechter gebleken dat het pand gekraakt is geweest en dat de daarin aanwezige krakers zonder recht of titel in de onroerende zaak verbleven. Dit is een inbreuk op het eigendomsrecht van eiseres en dat levert voldoende grond op voor toewijzing van de gevorderde ontruiming. Daarbij komt dat de slechte staat van de onroerende zaak ook een veiligheidsrisico oplevert voor diegenen die daarin mogelijk verblijven omdat er instortingsgevaar dreigt.
3.3.
Nu gedaagden geen verweer hebben gevoerd en de vorderingen de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, zullen deze worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde machtiging om de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met gebruik van de sterke arm, zal worden afgewezen. Deze bevoegdheid komt de deurwaarder op grond van de wet toe, indien tot tenuitvoerlegging van dit vonnis wordt overgegaan.
3.4.
Eiseres heeft er belang bij dat dit vonnis ten uitvoer kan worden gelegd tegen anderen die, wellicht op dit moment nog niet, maar op het moment van de eventuele ontruiming, of daarna, zonder recht of titel in de onroerende zaak verblijven. De vordering op grond van artikel 557a lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal daarom worden toegewezen.
Gedaagden moeten de proceskosten betalen
3.5.
Omdat gedaagden grotendeels in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij de proceskosten van eiseres voldoen. Deze veroordeling zal hoofdelijk worden uitgesproken, gelet op de mogelijkheid dat zich één of meerdere personen in de onroerende zaak bevinden. Dit houdt in dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het gehele bedrag te betalen en, dat als de één (een deel) betaalt, de ander (dat deel van) het bedrag niet meer hoeft te betalen.
De proceskosten (inclusief de nakosten) worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 714,00 (tarief verstekzaak)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.771,47
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt gedaagden om de onroerende zaak, gelegen aan het [adres] te [plaats] , binnen drie dagen na dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden, met al het hunne en de hunnen en ontruimd aan eiseres ter beschikking te stellen,
4.2.
bepaalt dat dit vonnis tot een periode van één jaar na vandaag ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder, die ten tijde van de tenuitvoerlegging zich in de onroerende zaak, aan het [adres] te [plaats] , bevindt of daar binnentreedt, telkens wanneer dat zich voordoet,
4.3.
veroordeelt gedaagden, hoofdelijk, in de proceskosten van € 1.771,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten gedaagde € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.R. van der Vos en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026. [1]

Voetnoten

1.4510