Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.De procedure
- de dagvaarding van 10 oktober 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- de aanvullende producties van [eiser] , van 1 april 2026,
- de mondelinge behandeling van 10 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,
- de spreekaantekeningen van [eiser] ,
- de spreekaantekeningen van ASR.
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling
lageris dan de daadwerkelijk gerealiseerde winst (op basis van de jaarrekeningen). [deskundige] heeft dan ook een hele lijst aan openstaande vragen (bijvoorbeeld of de winst volgens de aangifte voor de inkomstenbelasting overeenkomt met de winst opgegeven op het polisaanvraagformulier). Hij verzoekt nog een groot aantal documenten op te vragen, waaronder de inkomstenbelastingaangiften voor 2018, 2019 en 2020. Op 15 augustus 2025 heeft ASR het rapport van [deskundige] met dit verzoek aan (de advocaat van) [eiser] toegestuurd. [eiser] heeft echter pas in deze procedure, op 1 april 2026, een deel van de gevraagde gegevens verstrekt, waaronder aangiftes inkomstenbelasting. ASR heeft dus niet eerder dan op 1 april 2026 kunnen concluderen dat [eiser] niet aan haar mededelingsplicht heeft voldaan. ASR heeft haar beroep op verval van het recht op uitkering tijdens de zitting dus op tijd gedaan.