Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3096

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
12159290 \ LV EXPL 26-12
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing executie vonnis over huur en parkeerrechten

Eiser verhuurt een bedrijfsruimte aan gedaagden en gebruikt daarnaast een deel van hun parkeerterrein. Er ontstond een geschil over btw-belaste verhuur en het aantal te parkeren auto's. Bij vonnis van 18 februari 2026 werd bepaald dat geen btw verschuldigd is, eiser een huurachterstand moet betalen en het aantal geparkeerde auto's beperkt moet worden tot vier.

Eiser verzet zich tegen de tenuitvoerlegging van dit vonnis en vordert schorsing op grond van kennelijke misslagen. Hij stelt dat de huurprijs onjuist is berekend en dat de parkeerlimiet op een onjuiste feitelijke aanname berust. De kantonrechter oordeelt dat deze stellingen geen kennelijke misslagen vormen, mede omdat de feiten en oordelen in het vonnis duidelijk zijn en eiser onvoldoende bewijs aanvoert.

Ook de belangenafweging weegt niet in het voordeel van eiser. Zijn financiële situatie rechtvaardigt geen schorsing, aangezien hij gehouden blijft aan zijn huurverplichtingen en zelf kan voorkomen dat dwangsommen worden verbeurd. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 12159290 \ LV EXPL 26-12
Vonnis in kort geding van 27 mei 2026
in de zaak van
[eiser]handelend onder de naam
[handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde 1] ,
tegen

1.[gedaagde sub 1][gedaagde sub 1] .,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
en haar vennoten:
2.
[gedaagde sub 2] ,3.
[gedaagde sub 3] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden c.s] ,
gemachtigde: [gemachtigde 2] ,

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met 12 producties;
  • de twee producties van [gedaagden c.s] .
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 mei 2026. [eiser] is verschenen met zijn gemachtigde. Namens [gedaagden c.s] is de heer [gedaagde sub 2] (via een videoverbinding) verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde (die wel fysiek aanwezig was). Beide partijen hebben aan de hand van overgelegde pleitnotities hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
1.3
Aan het einde van de mondelinge behandeling is vonnis bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

[eiser] verzet zich tegen de tenuitvoerlegging van het tussen partijen gewezen vonnis van 18 februari 2026 [1] (hierna: het vonnis). De kantonrechter is van oordeel dat er onvoldoende gronden zijn voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.

3.De achtergrond van het geschil

3.1
[eiser] verhuurt aan [gedaagden c.s] een bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] (hierna: het gehuurde). Daarnaast mocht [eiser] van [gedaagden c.s] een deel van het parkeerterrein gebruiken om auto’s te parkeren.
3.2
Partijen hebben een geschil over de vraag of sprake is van btw-belaste verhuur en over het aantal auto’s dat [eiser] mag parkeren op het parkeerterrein van [gedaagden c.s] . Bij vonnis van 18 februari 2026 is onder meer (in reconventie) voor recht verklaard dat geen btw verschuldigd is over de huurprijs en is [eiser] (in conventie) veroordeeld tot betaling van de resterende huurachterstand van € 5.920,68, omdat hij de overeengekomen huurprijs niet met 21% mag verminderen en verrekenen. Verder is [eiser] veroordeeld tot het beperken van het aantal voertuigen op het parkeerterrein tot maximaal vier auto’s op straffe van en verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per voertuig per dag met een maximum van € 15.000,00.
3.3
Op 9 maart 2026 heeft [gedaagden c.s] aan [eiser] de grosse van het vonnis laten betekenen waarin [eiser] wordt bevolen om aan het vonnis te voldoen.
3.4
Volgens [eiser] is er sprake van kennelijke misslagen in het vonnis. Hij vordert daarom (kort gezegd) schorsing van de executie van het vonnis op grond van artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

4.De beoordeling

Toetsingskader
4.1
Uitgangspunt is dat een veroordeling die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als hoger beroep is ingesteld. De uitkomst van het hoger beroep hoeft niet te worden afgewacht.
4.2
Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand toch zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij deze belangenafweging moet in beginsel worden uitgegaan van wat in het vonnis is overwogen en beslist. Er mag dus niet worden vooruitgelopen op de eventuele uitkomst in hoger beroep en of dat anders zal uitvallen voor de veroordeelde. Wel kan de rechter in zijn oordeelsvorming betrekken of het ten uitvoer te leggen vonnis berust op een kennelijke (feitelijke of juridische) misslag.
Geen kennelijke misslagen
4.3
[eiser] stelt dat sprake is van kennelijke misslagen. Allereerst omdat in het vonnis voor recht is verklaard dat geen btw over de huurprijs is verschuldigd, terwijl de huurachterstand vervolgens wel is berekend met een maandbedrag van € 847,00: dat is precies het bedrag van de huur van € 700,00 vermeerderd met 21% btw (€ 147,00) dat middels facturen aan [eiser] in rekening is gerbacht.
4.4
Dit betreft echter geen kennelijke misslag. De kantonrechter heeft immers in het vonnis uitdrukkelijk overwogen dat – hoewel geen sprake is van btw-belaste verhuur – [eiser] de overeengekomen huurprijs van € 847,00 niet mag verminderen met 21% btw.
De kantonrechter heeft op dit punt in r.o. 4.3 namelijk expliciet geoordeeld dat of de huur wel of niet had mogen worden belast, dit niets af doet aan de overeengekomen huurprijs van € 847,00. Vervolgens wordt toegelicht dat [eiser] dit bedrag ook bij aanvang heeft voldaan als overeengekomen tegenprestatie voor het gehuurde en dat in het door hem overgelegde concepthuurcontract ook een huurprijs van € 847,00 “exclusief btw” wordt genoemd. Dat Bharie het niet eens is met het oordeel van de kantonrechter maakt niet dat sprake is van een misslag. Daarvoor staat de weg van het hoger beroep open.
4.5
Verder stelt [eiser] dat het bepaalde maximum van vier auto’s ook een misslag is. Die limiet berust volgens [eiser] op de onjuiste feitelijke aanname dat de afstand tussen de twee regenpijpen, waar de auto’s stonden geparkeerd, tien meter bedraagt. [eiser] stelt dat deze afstand geen gemeenschappelijk uitgangspunt van partijen was en – als [gedaagden c.s] dit wel heeft gesteld – [eiser] dit uitdrukkelijk heeft weersproken.
[gedaagden c.s] betwist dit.
4.6
Bij de toepassing van voornoemd toetsingskader in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. In r.o. 4.14 van het vonnis staat dat
”Op de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat [eiser] auto’s mocht parkeren in het gebied tussen twee regenpijpen waar circa tien meter tussen zit.”
De beslissing in het vonnis is dus gegrond op de vaststelling van de kantonrechter dat partijen het hierover eens waren. Dat dit niet zou kloppen wordt eveneens door [gedaagden c.s] betwist. Het had ook op de weg van [eiser] gelegen om dit aan te tonen, bijvoorbeeld met een proces-verbaal van de mondelinge behandeling. Dit heeft hij nagelaten.
4.7
Maar ook als de genoemde afstand van 10 meter feitelijk onjuist is, levert dit geen kenbare misslag op. De kantonrechter moet immers uitgaan van wat in het vonnis is overwogen en beslist. Bovendien heeft [eiser] pas op de kortgedingzitting gesteld dat de afstand 20,61 meter bedraagt en onderbouwd met aan zijn pleitnotitie gehechte foto’s waaruit dit zou moeten blijken. Dit is te laat. [gedaagden c.s] heeft dit immers niet kunnen controleren en heeft hier dan ook terecht bezwaar tegen gemaakt.
4.8
Verder heeft [eiser] nog gesteld dat het betekeningsexploot een misslag bevat, omdat niet is gespecificeerd waarom een bedrag van € 1.400,00 in mindering kan strekken. Ook is de berekende rente niet gespecificeerd. Dit zijn echter geen redenen om de executie te schorsen.
Belangenafweging
4.9
Ook een belangenafweging kan [eiser] niet baten. [eiser] stelt dat de tenuitvoerlegging leidt tot een acute noodtoestand voor zijn onderneming, omdat hij geen spaarbuffer of ander vrij vermogen heeft. Niet alleen heeft [eiser] dit onvoldoende onderbouwd, bovendien kan dit niet aan [gedaagden c.s] worden tegengeworpen. [eiser] is immers – ook zonder het vonnis – gehouden om aan zijn huurbetalingsverplichtingen te voldoen. Daarnaast geldt dat [eiser] zelf kan voorkomen dat de opgelegde dwangsommen worden verbeurd als hij zich aan het vonnis houdt. Hoewel niet uitgesloten is dat (de onderneming van) [eiser] in financieel zwaar weer verkeert, ligt dit in zijn risicosfeer en moet dit voor zijn eigen rekening en risico blijven. Dit rechtvaardigt op zichzelf in ieder geval niet dat wordt afgeweken van het uitgangspunt dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis ten uitvoer moet kunnen worden gelegd.
4.1
Het belang van [eiser] bij schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis, althans staking van de executie, weegt al met al dus minder zwaar dan het belang van [gedaagden c.s] om het vonnis direct ten uitvoer te kunnen leggen zonder de voorwaarde van zekerheidstelling.
Slotsom en proceskosten
4.11
Het voorgaande betekent dat alle vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen.
4.12
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden c.s] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus eventuele betekeningskosten)
Totaal
1.009,00

5.De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding
5.1
wijst de vorderingen van [eiser] af;
5.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
4578

Voetnoten

1.Zaaknummer: 11811808 \ LC EXPL 25-1582 (