Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3095

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/16/591395 / HL ZA 25-90
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Benoeming deskundige voor beoordeling herstelwerkzaamheden en kosten in bouwgeschil

In deze civiele zaak tussen eiser en gedaagde partijen over gebreken aan een woning heeft de rechtbank besloten een deskundige te benoemen om de herstelwerkzaamheden en de daaraan verbonden kosten te beoordelen. De deskundige moet zich primair richten op de afwerkgebreken zoals vastgesteld in het tussenvonnis, maar mag ook andere relevante constructieve of technische gebreken melden indien deze verband houden met de afwerkgebreken.

Partijen mochten zich uitlaten over de te benoemen deskundige en de vragen die aan hem gesteld worden. De rechtbank koos voor een bouwkundig ingenieur van TOP Expertise, omdat deze de vereiste expertise bezit en onafhankelijk is. De voorgestelde vragen aan de deskundige zijn aangepast om een duidelijke en praktische opdracht te formuleren, waarbij onder meer onderscheid tussen arbeids- en materiaalkosten wordt gevraagd.

De rechtbank heeft tevens de procedure rondom het voorschot op de kosten van de deskundige geregeld, waarbij gedaagde sub 1 het voorschot moet betalen. Partijen zijn verplicht mee te werken aan het onderzoek en de deskundige moet partijen gelegenheid geven om opmerkingen te maken tijdens het onderzoek en over het conceptrapport. Het rapport moet binnen vier maanden worden ingediend, waarna de procedure wordt voortgezet.

Uitkomst: De rechtbank benoemt een bouwkundig deskundige voor onderzoek naar herstelwerkzaamheden en kosten, en regelt de procedure voor het deskundigenonderzoek en het voorschot op de kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/591395 / HL ZA 25-90
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R. Zwiers,
tegen

1.[gedaagde sub 1] V.O.F.,

te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [plaats 2] ,
3.
[gedaagde sub 3],
te [plaats 1] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] ,
advocaat: mr. K.O. Valentien.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 maart 2026 (hierna: het tussenvonnis) en de daarin genoemde stukken;
- de akte van [eiser] ;
- de akte van [gedaagde sub 1] .
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

De deskundige
2.1
In het tussenvonnis heeft de rechtbank aangekondigd dat zij een deskundige wil benoemen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de te benoemen deskundige en de aan deze te stellen vragen. Partijen hebben allebei een akte genomen.
2.2
[eiser] heeft een bouwkundig ingenieur van TOP Expertise voorgesteld als deskundige. De rechtbank volgt [eiser] . Het bouwkundig bureau bezit de gewenste expertise en er is geen aantoonbare betrokkenheid met één van de partijen. [gedaagde sub 1] heeft een andere deskundige voorgesteld, maar van die deskundige is het de rechtbank niet duidelijk geworden dat hij de vereiste bouwkundige expertise bezit en herstel/bouwkosten kan ramen. Dat hij ervaring heeft als arbiter en mediator lijkt de rechtbank in deze kwestie niet relevant. Verder heeft [gedaagde sub 1] de deskundigheid van de door [eiser] voorgestelde deskundige niet betwist. Dat de kosten van deze deskundige hoger zouden liggen, zoals [gedaagde sub 1] stelt, is bij gebrek aan onderbouwing niet vast komen te staan. Daarom heeft de rechtbank een bouwkundig ingenieur van TOP Expertise benaderd, namelijk de heer A.T.A.A. van Kouwen NIVRE-re, met de vraag of hij beschikbaar is om het onderzoek te doen. Hij heeft aangegeven daartoe bereid te zijn en vrij te staan van partijen. De rechtbank zal hem daarom benoemen als deskundige in deze zaak (hierna: de deskundige).
De vragen aan de deskundige
2.3
In het tussenvonnis heeft de rechtbank voorgesteld de volgende drie vragen aan de te benoemen deskundige voor te leggen:
Welke herstelwerkzaamheden zijn wat u betreft nodig om de gebreken te herstellen die volgen uit het laatste rapport van de VEH-deskundige opgesteld na de tweede opleverpoging die heeft plaatsgevonden op 15 november 2024?
Welke kosten zijn hieraan, naar uw inschatting, verbonden (op basis van uitvoering door een derde tegen een commerciële prijs)? Kunt u dit met onderbouwing toelichten?
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?
2.4
Beide partijen hebben in hun aktes aanvullingen op deze vragen voorgesteld. De rechtbank zal eerst de door [eiser] voorgestelde aanvullingen bespreken, en daarna die door [gedaagde sub 1] .
2.5
Ten eerste stelt [eiser] voor vraag 1 aan te vullen met een deelvraag waarin – kort gezegd – aan de deskundige gevraagd wordt of er afwerkgebreken met een constructief of bouwkundig-technisch karakter bestaan. [gedaagde sub 1] vindt dat die aanvulling de deskundige vraagt om een beoordeling die buiten het doel valt waarvoor de rechtbank een deskundige heeft aangesteld, namelijk primair het beoordelen van de afwerkgebreken.
2.6
De rechtbank zal vraag 1 niet aanvullen op de wijze die [eiser] heeft voorgesteld, maar wel vraag 3 aanpassen. Het primaire doel van het deskundigenbericht is een beoordeling van de gebreken die de rechtbank heeft vastgesteld in het tussenvonnis, namelijk de afwerkgebreken. Tegelijkertijd wil de rechtbank recht doen aan deze zaak. Mocht de deskundige tijdens het onderzoek constateren dat de afwerkgebreken verband houden met andere gebreken die meer van constructieve of technische aard zijn, dan vindt de rechtbank het wel nodig dat daar niet de ogen voor worden gesloten. De rechtbank zal daarom de derde vraag aanvullen met de zinsnede ‘bijvoorbeeld met betrekking tot constructieve of technische gebreken voor zover die relevant zijn voor de beantwoording van vraag 1 en 2’. Op die manier richt de deskundige zich primair op de vraag waarvoor hij is aangesteld, maar kan hij het aangeven als de afwerkgebreken onlosmakelijk verbonden zijn met gebreken van andere aard.
2.7
Verder verzoekt [eiser] dat de tweede vraag wordt aangevuld door de deskundige bij de kostenraming per gebrek-post te laten aangeven welke materiaal- en arbeidskosten zijn begrepen, welke herstelmethode aan de raming ten grondslag ligt, en op welke marktprijzen (inclusief de regio) hij zich baseert. [gedaagde sub 1] ziet de reden voor deze aanvulling niet en vraagt daarom om deze niet toe te laten.
2.8
De rechtbank zal de vraag aanvullen door de deskundige te vragen onderscheid tussen materiaal en arbeid te maken in de kostenraming, maar niet voor het overige. De raming per gebrek-post is niet altijd logisch of gebruikelijk, soms is het bijvoorbeeld handiger om per ruimte of onderdeel te ramen. De kosten van de deskundige zouden hoger kunnen uitvallen als hij vooraf al wordt beperkt door de kostenraming op een bepaalde manier vorm te geven. De relevantie van de vraag naar de achterliggende herstelmethode of een uitsplitsing van de marktprijzen zoals [eiser] verzoekt is de rechtbank niet duidelijk. Daarom is het naar het oordeel van de rechtbank ook niet redelijk om vraag 2 op deze punten aan te vullen, met het risico dat de kosten van de deskundige daardoor hoger uitvallen.
2.9
Tot slot verzoekt [eiser] om een vraag toe te voegen over de bewoonbaarheid en veiligheid van de woning. De rechtbank zal deze vraag niet toevoegen. [gedaagde sub 1] heeft terecht aangevoerd dat deze vraag buiten het bestek van dit onderzoek valt, en buiten de parameters die zijn gesteld in het tussenvonnis. Hierin heeft de rechtbank geoordeeld dat de deskundige de vraag moet beantwoorden hoeveel schade [eiser] zal lijden als hij de afwerkgebreken laat herstellen. Die opdracht kan niet dusdanig uitgebreid worden dat de deskundige heel andere posten gaat beoordelen. Dit zou neerkomen op een verkapt hoger beroep.
2.1
[gedaagde sub 1] heeft verzocht aan te vullen dat de deskundige bij de beantwoording rekening houdt met het tijdsverloop sinds 2024, omdat er eventueel sprake zou zijn van gebruik of slijtage. De herstelkosten zouden daarom in lijn behoren te liggen met 2024. De rechtbank gaat daar niet in mee. Als de woning gebreken kent door de wanprestatie van [gedaagde sub 1] , komt eventuele invloed van tijdsverloop voor haar rekening.
Het voorschot
2.11
In de vorige beslissing is al aangekondigd en toegelicht door welke partij het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden betaald. De rechtbank ziet geen aanleiding in hetgeen door [gedaagde sub 1] is aangevoerd om op het oordeel over het voorschot terug te komen. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om te reageren op een begroting van het voorschot door de deskundige. De hoogte van het voorschot voor de deskundige wordt, als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, nu al vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag.
Overig
2.12
De deskundige heeft al een begroting (d.d. 11 mei 2026) ingediend, die aan partijen zal worden toegezonden. De procedure zal worden gevolgd als onder de beslissing is opgenomen.
2.13
De rechtbank zal bepalen dat [eiser] de deskundige moet voorzien van de processtukken, en dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige toestuurt. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de deskundige inzage zullen geven in alle bescheiden die hij voor de uitvoering van de opdracht van belang acht.
2.14
Als een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, moet zij daarvan ook direct een afschrift aan de wederpartij verstrekken.
2.15
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals hierna onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
2.16
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1
beveelt een onderzoek door de deskundige voor de beantwoording van de volgende vragen:
Welke herstelwerkzaamheden zijn wat u betreft nodig om de gebreken te herstellen die volgen uit het laatste rapport van de VEH-deskundige opgesteld na de tweede opleverpoging die heeft plaatsgevonden op 15 november 2024?
Welke kosten zijn hieraan, naar uw inschatting, verbonden (op basis van uitvoering door een derde tegen een commerciële prijs)? Kunt u dit met onderbouwing toelichten en een onderscheid maken tussen arbeids- en materieelkosten?
Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling, bijvoorbeeld met betrekking tot constructieve of technische gebreken voor zover die relevant zijn voor de beantwoording van vraag 1 en 2?
3.2
benoemt tot deskundige:
naam: de heer A.T.A.A. van Kouwen NIVRE-re
TOP Expertise
correspondentieadres: [adres 1]
[postcode 1] [.] [plaats 3]
bezoekadres: [adres 2]
[postcode 2] [plaats 1]
telefoon: [telefoonnummer]
e-mailadres: [e-mailadres]
3.3
bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,
het voorschot
3.4
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:
  • de griffie zal de begroting van de deskundige toezenden aan partijen;
  • partijen kunnen desgewenst
  • als niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt het voorschot op de kosten van de deskundige vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag (daar wordt dan geen afzonderlijke beslissing meer over genomen);
  • als wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke beslissing;
3.5
bepaalt dat [gedaagde sub 1] het voorschot moet overmaken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak;
3.6
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot;
3.7
verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad;
het onderzoek
3.8
bepaalt dat [eiser] - na vaststelling van het voorschot – het volledige procesdossier in afschrift aan de deskundige moet toesturen,
3.9
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
3.1
wijst de deskundige erop dat:
- de deskundige voor aanvang van het onderzoek kennis moet nemen van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken én van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (beide te raadplegen op
www.rechtspraak.nl),
- de deskundige het onderzoek pas begint na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot,
- de deskundige het onderzoek onmiddellijk staakt en contact opneemt met de griffier, als tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in zijn rapport vermeldt of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken, en verzoekt de deskundige om in het rapport te reageren op de opmerkingen van partijen,
- de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid moet bieden dit onderzoek bij te wonen; als slechts één partij (althans niet alle partijen) bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,
de werkwijze
3.11
draagt de deskundige op een schriftelijk en met redenen omkleed rapport (in drievoud) met een duidelijke conclusie, en een gespecificeerde einddeclaratie in te leveren bij de griffie;
3.12
bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijke, ondertekende rapport bij de griffie moet worden ingeleverd op
vier maandenna de datum van dit vonnis, met dien verstande dat de deskundige niet met het onderzoek hoeft te beginnen voordat deze van de griffie bericht heeft ontvangen dat het voorschot is betaald;
3.13
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen, stukken en gegevens aan de deskundige moeten verstrekken als deze daarom verzoekt, de deskundige toegang moeten verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige medewerking moeten verlenen aan het onderzoek;
3.14
bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek ter plaatse partijen in de gelegenheid moet stellen dit onderzoek bij te wonen en dat uit het deskundigenrapport moet blijken dat die gelegenheid is geboden;
3.15
bepaalt dat de deskundige een concept van het rapport aan partijen zal toezenden en hen in de gelegenheid zal stellen om
binnen een termijn van vier wekenna toezending opmerkingen over het concept te maken en bepaalt dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren;
3.16
bepaalt dat uit het rapport van de deskundige moet blijken of aan partijen de gelegenheid is geboden om opmerkingen te maken (tijdens het onderzoek en op het conceptrapport) en dat de deskundige in het rapport melding moet maken van de inhoud van die opmerkingen, en verzoekt de deskundige om in het rapport te reageren op de opmerkingen van partijen;
3.17
wijst de deskundige er op dat uit het rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd;
de overige beslissingen
3.18
draagt de griffier op een kopie van dit vonnis toe te zenden aan de deskundige;
3.19
draagt de griffier op om na inlevering van het schriftelijke rapport door de deskundige de zaak op een termijn van vier weken weer op de rol te plaatsen voor het nemen van een conclusie na deskundigenrapport aan de zijde van [eiser] ;
3.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
5827