Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3094

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
11830837 \ LC EXPL 25-1683
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing schadevergoeding op basis van wettelijke verhuiskostenvergoeding wegens beëindiging huur

In deze civiele zaak vordert eiser schadevergoeding van gedaagde partijen omdat zij de woning niet voor eigen gebruik hebben genomen, waardoor eiser schade heeft geleden door beëindiging van de huur.

De kantonrechter stelt vast dat eiser in de gelegenheid is gesteld zijn schade nader te onderbouwen, maar dat de door eiser opgevoerde inkomensschade onvoldoende is onderbouwd. De kantonrechter kan niet vaststellen dat eiser daadwerkelijk drie maanden geen inkomen heeft gehad na de beëindiging van de huur.

De overige schadeposten die eiser noemt, zijn niet hoger dan de wettelijke verhuiskostenvergoeding van €7.673. Daarom wordt de schadevergoeding vastgesteld op dit bedrag. Daarnaast worden de proceskosten van €954 toegewezen aan eiser, die hoofdelijk door de gedaagden moeten worden betaald.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en de wettelijke rente over de schadevergoeding en proceskosten wordt toegewezen vanaf 27 mei 2026 tot volledige betaling.

Uitkomst: Gedaagde partijen worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €7.673 schadevergoeding en proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11830837 \ LC EXPL 25-1683
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.P. Groot,
tegen

1.[gedaagde sub1] ,

te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde sub2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub1] en [gedaagde sub2] ,
gemachtigde: Koppert Legal.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 februari 2026,
- de akte van [eiser] ,
- de antwoordakte van [gedaagde sub1] en [gedaagde sub2] .
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

De schadevergoeding
2.1
In het tussenvonnis is overwogen dat [gedaagde sub1] en [gedaagde sub2] tot schadevergoeding gehouden zijn, omdat hun wil om de woning in eigen gebruik te nemen niet aanwezig is geweest. [eiser] is in de gelegenheid gesteld om zijn schade nader te onderbouwen.
2.2
In de dagvaarding heeft [eiser] voor de hoogte van zijn schade aangesloten bij de wettelijke verhuiskostenvergoeding van € 7.673,-. Dit bedrag is toewijsbaar. Op basis van de gegevens die [eiser] heeft overgelegd, kan niet worden vastgesteld dat de schade die [eiser] heeft geleden hoger was dan dit bedrag. Hieronder wordt dit toegelicht.
2.3
Volgens [eiser] heeft hij minimaal € 8.031,30 aan bruto inkomensverlies geleden. [eiser] stelt dat hij door de noodgedwongen verhuizing zijn baan bij [bedrijf] niet kon behouden. Hier verdiende [eiser] € 2.677,13 per maand. [eiser] stelt dat hij zeker drie maanden geen vaste baan meer heeft gehad. Hij heeft ook geen uitkering gekregen, omdat hij zich lange tijd nergens kon inschrijven.
2.4
De kantonrechter kan niet volgen hoe [eiser] tot het bedrag van € 8.031,30 komt. Een toelichting over dit bedrag ontbreekt. Als het gebaseerd is op drie maanden van € 2.677,13 loon, dat is € 8.031,39, dan is het de kantonrechter niet duidelijk hoe [eiser] dit met productie 9 heeft willen onderbouwen. Op productie 9 staat geen bedrijf of periode vermeld, alleen een berekeningsdatum (1 januari 2024). Dat sprake is van een inkomstenderving van € 8.031,30, zoals [eiser] stelt, blijkt hier niet uit. Uit productie 8 volgt dat het sociaal verzekeringsloon over de periode 24 april 2023 tot en met 21 mei 2023 € 631,49 was, terwijl dit de maanden ervoor € 2.674,18 en € 2.117,02 bedroeg. Wat het loon of inkomen na 21 mei 2023 is geweest, blijkt niet uit dit overzicht. De kantonrechter kan op basis van de gegevens die [eiser] heeft overgelegd dus niet vaststellen dat [eiser] door de beëindiging van de huur ten minste drie maanden geen inkomen heeft gehad.
2.5
De overige schadeposten die [eiser] noemt, zijn opgeteld niet hoger dan de verhuiskostenvergoeding van € 7.673,-. Dit leidt tot de conclusie dat de kantonrechter de schade van [eiser] zal vaststellen op basis van de wettelijke verhuiskostenvergoeding ter hoogte van € 7.673,-. Dit bedrag zal worden toegewezen.
De proceskosten
2.6
[gedaagde sub1] en [gedaagde sub2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zullen [gedaagde sub1] en [gedaagde sub2] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
Totaal
954,00
2.7
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.8
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1
veroordeelt [gedaagde sub1] en [gedaagde sub2] hoofdelijk tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 7.673,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 27 mei 2026 tot de dag van volledige betaling,
3.2
veroordeelt [gedaagde sub1] en [gedaagde sub2] hoofdelijk in de proceskosten van € 954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
3.3
veroordeelt [gedaagde sub1] en [gedaagde sub2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.
PM/45352