Uitspraak
1.De procedure
2.Waar gaat deze zaak over?
3.De beoordeling van het verzoek
vaststellingsovereenkomst 1’). [verzoeker] was op dat moment ruim 16 maanden in dienst bij [verweerder] (dan wel daaraan gelieerde ondernemingen) op basis van in ieder geval drie verschillende arbeidsovereenkomsten. Vaststellingsovereenkomst 1 lijkt op het eerste gezicht helemaal niet gunstig voor [verzoeker] . Zo is hierin opgenomen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zal eindigen op 30 oktober 2025 en dat hij geen ontslagvergoeding krijgt. Ook lijkt iedere andere uitbetaling aan [verzoeker] achterwege te blijven omdat alle vakantiedagen zouden zijn uitbetaald en zou de eindafrekening zijn verrekend met opgenomen vrije dagen. Verder is [verzoeker] verplicht om zich ‘aan de geheimhoudingsregels te houden’ en is het hem verboden om bij een andere poetser of bedrijf dezelfde werkzaamheden te verrichten als bij [verweerder] . Dit op straffe van een boete.
vaststellingsovereenkomst 2’). Ook vaststellingsovereenkomst 2 is voor [verzoeker] niet gunstig, omdat ook in deze overeenkomst geen enkele vergoeding voor [verzoeker] (gelijk aan vaststellingsovereenkomst 1) wordt betaald. [verzoeker] betwist dat hij vaststellingsovereenkomst 2 heeft getekend, hij wilde geen einde van zijn dienstverband. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst [verzoeker] op whatsapp-correspondentie met [verweerder] [1] waaruit volgt dat hij niet dacht of zelf heeft gewild dat er per 30 december 2025 een einde aan zijn arbeidsovereenkomst kwam. Hierna zal de kantonrechter ingaan op wat er feitelijk tussen partijen is voorgevallen vanaf 21 december 2025, waarna er tot de conclusie wordt gekomen dat niet alleen onaannemelijk is dat [verzoeker] vaststellingsovereenkomst 2 heeft getekend, maar ook – als dat wel het geval zou zijn geweest – hem een beroep toekomt op artikel 7:670b lid 2 BW dan wel op vernietiging wegens dwaling.
Ik zeg gewoon allen dit ik kan niet rijden door mij voet teenen dit komt door (wondhechting) Dus ik kan niks Ik kan geen schonnen aan ik kan niet goed lopen Ik kan niet auto rijden’. Desondanks wordt [verzoeker] opgeroepen om te komen werken. [verzoeker] is vervolgens toch naar het werk gegaan. Op 22 december 2025 vraagt hij of hij naar huis kan omdat hij het niet vol kan houden. Hij kan niet meer tegen de pijn. In tegenstelling tot hetgeen [verweerder] stelt dat [verzoeker] zich niet heeft ziekgemeld, had [verweerder] deze verschillende berichten niet anders op kunnen vatten dan als een ziekmelding. Dat heeft [verweerder] niet gedaan. Ondanks de ziekte verwachte [verweerder] [verzoeker] ook op 23 en 24 december 2025 op het werk. Op 28 december 2025 bericht [verweerder] via Whatsapp aan [verzoeker] dat zij morgen met hem in gesprek wil om te weten of hij van plan is om serieus bij [verweerder] te werken en dat ze als dat niet zo is netjes afscheid wil nemen. Op 28 december 2025 laat [verzoeker] aan [verweerder] weten dat hij is gevallen met zijn gebroken teen en dat hij naar het ziekenhuis moet. Hij heeft meegedeeld dat hij echt niet kan komen werken. Op 29 december 2025 bericht [verweerder] :
“Goedemorgen, je bent weggestuurd door je onzin gedrag en je contract liep tot eind vorige maand. Verder niet ons lastig vallen wij zijn redelijk druk (…) Dit is mij privé nummer en gelieve niet meer hierop berichten en ook niet [A] of mijn mensen lastig vallen. De onzin van jou moet je aan iemand anders vertellen.”
het na 30 oktober onverschuldigd betaalde salaris terug te vorderen bij elkaar een bedrag van bijna 4000,-”
syriers zijn erg goed in hun doelen behalen tot ze contract krijgen alleen voor papieren (…) En als laatste, u weet dat syriers en buitenlanders er alles aan doen om misbruik te maken en daar is de heer [verzoeker] 1 van.”Ook tijdens de mondelinge behandeling waarbij [verzoeker] aanwezig was werden de discriminatoire uitlatingen door haar herhaald als vaststaande feiten. Dit gaat alle perken te buiten. Ook weegt mee het handelen van [verweerder] tijdens de vaststellingsovereenkomst(en) en dat [verweerder] [verzoeker] tijdens de ziekmelding heeft laten doorwerken. [verzoeker] heeft aangegeven dat hij pijn had en het niet meer kon volhouden. Dat kan niet anders worden begrepen dan als een ziekmelding. Tenslotte weegt mee dat [verweerder] bij de IND in strijd met de waarheid melding heeft gemaakt van een einde van de arbeidsovereenkomst per 30 november 2025. Dat dit per abuis is gebeurd acht de kantonrechter, gelet op de overige gedragingen van [verweerder] , niet aannemelijk. [verzoeker] heeft nog tot in ieder geval 29 december 2025 gewerkt. Of dit al dan niet de oorzaak is geweest van de afwijzing van het verzoek van [verzoeker] tot gezinshereniging doet niet ter zake. Het gaat om het doorgeven van een verkeerde einddatum van de arbeidsovereenkomst aan de IND, hetgeen niet alleen niet zorgvuldig is maar ook in strijd moet worden geacht met het goed werkgeverschap [7] . Ook heeft [verweerder] niet op verzoek van [verzoeker] de loonstroken die hij voor zijn aanvraag tot gezinshereniging voor de IND nodig had verstrekt. Dat maakt naar het oordeel van de kantonrechter dat de gevorderde vergoeding van € 10.000,00 alleszins redelijk is.