ECLI:NL:RBMNE:2026:3088

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
12120695 \ ME VERZ 26-32 AW/1583
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:670b lid 2 BWArt. 7:671 lid 1 BWArt. 7:677 lid 1 BWArt. 7:678 lid 1 BWArt. 7:681 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig; toekenning billijke vergoeding en transitievergoeding

Verzoeker was sinds mei 2024 in dienst bij verweerder en werd op 29 december 2025 ontslagen op staande voet. Verzoeker betwistte dat er een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst was gesloten en stelde dat het ontslag onterecht was. De kantonrechter oordeelde dat geen van de twee vaststellingsovereenkomsten rechtsgeldig was en dat het ontslag op staande voet niet gerechtvaardigd was vanwege het ontbreken van een dringende reden.

Verzoeker had zich op 21 december 2025 ziek gemeld wegens een gebroken teen, wat door verweerder niet adequaat werd opgevolgd. De mededeling van ontslag op staande voet werd gedaan via WhatsApp met een onduidelijke redengeving ('onzin gedrag'), wat onvoldoende is om een dringende reden aan te nemen. Verweerder had geen schriftelijke waarschuwing gegeven en had de bedrijfsarts niet ingeschakeld.

De kantonrechter kende verzoeker een billijke vergoeding van €10.000 toe wegens ernstig verwijtbaar handelen van verweerder, een gefixeerde schadevergoeding van €2.569,68 wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding van €1.424,93. Verweerder werd tevens veroordeeld tot het verstrekken van een ontbrekende loonstrook en betaling van proceskosten. Tegenverzoeken van verweerder tot terugbetaling van geldleningen en deskundigenonderzoek werden afgewezen.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig; verzoeker krijgt een billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: 12120695 \ ME VERZ 26-32 AW/1583
Beschikking van27mei2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. T.E. Houkes,
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. F.B. Mahabali.

1.De procedure

1.1
[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om onder meer de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen. [verweerder] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.
1.2
Op 21 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verzoeker] en [verweerder] hebben ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Vóór de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] met een e-mail van 16 april 2026 nog stukken toegezonden.
1.3
Tijdens de zitting is bepaald dat uiterlijk op 27 mei 2026 uitspraak zal worden gedaan.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 2001, is sinds 1 mei 2024 in dienst bij [verweerder] . Laatstelijk in de functie van algemeen medewerker met een loon van € 2.371,00 bruto per maand. In de periode van 1 oktober 2024 tot 1 juli 2025 heeft [verzoeker] werkzaamheden verricht voor [bedrijf] B.V. [verweerder] heeft op 29 december 2025 aan [verzoeker] laten weten dat er een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] . De vragen die in deze zaak moet worden beantwoord is of de arbeidsovereenkomst is geëindigd omdat er een vaststellingsovereenkomst is overeengekomen en, als dat niet het geval is, of [verzoeker] terecht op staande voet is ontslagen. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is. [verzoeker] heeft op de zitting ‘de switch’ gemaakt en krijgt een billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en een transitievergoeding toegekend. De tegenverzoeken van [verweerder] om terugbetaling van een geldlening en een deskundigenonderzoek wordt afgewezen.

3.De beoordeling van het verzoek

3.1
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] verklaard dat hij berust in het ontslag op staande voet en de switch maakt. Hij verzoekt om toekenning van de aanzegvergoeding, de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Daarmee staat vast dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd per 29 december 2025. Dat heeft tot gevolg dat het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet en loondoorbetaling niet behandeld hoeven te worden. De kantonrechter zal daarom beoordelen of [verzoeker] recht heeft op de verzochte vergoedingen. Daarvoor moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een vaststellingsovereenkomst op grond waarvan de arbeidsovereenkomst is geëindigd en als dat niet het geval is of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.
Verschillende vaststellingsovereenkomsten
3.2
Tussen partijen staat vast dat [verzoeker] op 25 oktober 2025 een beëindigingsovereenkomst heeft ondertekend (hierna te noemen: ‘
vaststellingsovereenkomst 1’). [verzoeker] was op dat moment ruim 16 maanden in dienst bij [verweerder] (dan wel daaraan gelieerde ondernemingen) op basis van in ieder geval drie verschillende arbeidsovereenkomsten. Vaststellingsovereenkomst 1 lijkt op het eerste gezicht helemaal niet gunstig voor [verzoeker] . Zo is hierin opgenomen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden zal eindigen op 30 oktober 2025 en dat hij geen ontslagvergoeding krijgt. Ook lijkt iedere andere uitbetaling aan [verzoeker] achterwege te blijven omdat alle vakantiedagen zouden zijn uitbetaald en zou de eindafrekening zijn verrekend met opgenomen vrije dagen. Verder is [verzoeker] verplicht om zich ‘aan de geheimhoudingsregels te houden’ en is het hem verboden om bij een andere poetser of bedrijf dezelfde werkzaamheden te verrichten als bij [verweerder] . Dit op straffe van een boete.
3.3
[verzoeker] stelt dat hij vaststellingsovereenkomst 1 heeft getekend zonder te beseffen wat hij precies tekende. Partijen hebben geen uitvoering aan vaststellingsovereenkomst 1 gegeven omdat [verzoeker] ook na 30 oktober 2025 zijn werkzaamheden heeft voortgezet. [verweerder] erkent ook dat er geen uitvoering aan vaststellingsovereenkomst 1 is gegeven en dat [verzoeker] zijn werkzaamheden is blijven verrichten. Hierdoor is er mogelijk tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan. Wat er van vaststellingsovereenkomst 1 ook zij, en of het geen uitvoering geven aan de vaststellingsovereenkomst betekent dat er een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan, kan echter in het midden blijven. Gelet op het debat tussen partijen is er immers geen uitvoering gegeven aan vaststellingsovereenkomst 1 en, zoals hiervoor al is vastgesteld, is aan de arbeidsovereenkomst op 29 december 2025 een einde gekomen doordat [verzoeker] zich in het kader van deze procedure berust in het einde per die datum.
3.4
[verweerder] stelt in haar verweerschrift dat partijen nóg een vaststellingsovereenkomst voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Op grond van deze vaststellingsovereenkomst zou de arbeidsovereenkomst op 30 december 2025 eindigen (hierna: ‘
vaststellingsovereenkomst 2’). Ook vaststellingsovereenkomst 2 is voor [verzoeker] niet gunstig, omdat ook in deze overeenkomst geen enkele vergoeding voor [verzoeker] (gelijk aan vaststellingsovereenkomst 1) wordt betaald. [verzoeker] betwist dat hij vaststellingsovereenkomst 2 heeft getekend, hij wilde geen einde van zijn dienstverband. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst [verzoeker] op whatsapp-correspondentie met [verweerder] [1] waaruit volgt dat hij niet dacht of zelf heeft gewild dat er per 30 december 2025 een einde aan zijn arbeidsovereenkomst kwam. Hierna zal de kantonrechter ingaan op wat er feitelijk tussen partijen is voorgevallen vanaf 21 december 2025, waarna er tot de conclusie wordt gekomen dat niet alleen onaannemelijk is dat [verzoeker] vaststellingsovereenkomst 2 heeft getekend, maar ook – als dat wel het geval zou zijn geweest – hem een beroep toekomt op artikel 7:670b lid 2 BW dan wel op vernietiging wegens dwaling.
Niet aannemelijk dat vaststellingsovereenkomst 2 is gesloten
3.5
Voor de beoordeling of al dan niet aannemelijk is dat [verzoeker] vaststellingsovereenkomst 2 heeft getekend, is de feitelijke gang van zaken – zoals door hem ook toegelicht en nader onderbouwd met stukken – relevant. Anders dan [verweerder] stelt, staat voldoende vast dat [verzoeker] zich op 21 december 2025 heeft ziek gemeld. [verzoeker] had op die dag zijn teen gebroken. Uit de whatsappcorrespondentie [2] blijkt dat [verzoeker] dit aan [verweerder] heeft gemeld en dat [verweerder] dit ook heeft kunnen en moeten begrijpen. Zo stuurt [verzoeker] om 18:54:33 (nadat hij een paar uur eerder ook al had gemeld dat hij niet kon komen werken omdat hij met zijn voet niet in een auto kan rijden): ‘
Ik zeg gewoon allen dit ik kan niet rijden door mij voet teenen dit komt door (wondhechting) Dus ik kan niks Ik kan geen schonnen aan ik kan niet goed lopen Ik kan niet auto rijden’. Desondanks wordt [verzoeker] opgeroepen om te komen werken. [verzoeker] is vervolgens toch naar het werk gegaan. Op 22 december 2025 vraagt hij of hij naar huis kan omdat hij het niet vol kan houden. Hij kan niet meer tegen de pijn. In tegenstelling tot hetgeen [verweerder] stelt dat [verzoeker] zich niet heeft ziekgemeld, had [verweerder] deze verschillende berichten niet anders op kunnen vatten dan als een ziekmelding. Dat heeft [verweerder] niet gedaan. Ondanks de ziekte verwachte [verweerder] [verzoeker] ook op 23 en 24 december 2025 op het werk. Op 28 december 2025 bericht [verweerder] via Whatsapp aan [verzoeker] dat zij morgen met hem in gesprek wil om te weten of hij van plan is om serieus bij [verweerder] te werken en dat ze als dat niet zo is netjes afscheid wil nemen. Op 28 december 2025 laat [verzoeker] aan [verweerder] weten dat hij is gevallen met zijn gebroken teen en dat hij naar het ziekenhuis moet. Hij heeft meegedeeld dat hij echt niet kan komen werken. Op 29 december 2025 bericht [verweerder] :
“Ik ga vandaag beeindiging contract in gang zeten per vandaag. (…) En verder niet meer ons contacten. (…) En hoeft niet meer te komen.”
Als [verzoeker] daarop aangeeft dat zijn contract nog tot augustus 2026 loopt, geeft [verweerder] aan:
“Goedemorgen, je bent weggestuurd door je onzin gedrag en je contract liep tot eind vorige maand. Verder niet ons lastig vallen wij zijn redelijk druk (…) Dit is mij privé nummer en gelieve niet meer hierop berichten en ook niet [A] of mijn mensen lastig vallen. De onzin van jou moet je aan iemand anders vertellen.”
3.6
Nergens maakt [verweerder] hier melding van vaststellingsovereenkomst 2 en dat de arbeidsovereenkomst hierdoor zou eindigen per 30 december 2025. Wanneer partijen vaststellingsovereenkomst 2 zouden hebben gesloten (op 5 december 2025, dan wel op 25 december 2025; zie hierna) dan zou het verwijzen naar vaststellingsovereenkomst 2 juist in de rede hebben gelegen. Het handelen van [verweerder] wijst juist op het tegendeel. Op 28 december 2025 vraagt [verweerder] nog om een gesprek met [verzoeker] omdat ze wil weten of [verzoeker] van plan is te blijven werken en dat ze anders ‘netjes afscheid’ wil nemen [3] . Dat is opmerkelijk, omdat [verweerder] in deze procedure het standpunt inneemt dat de arbeidsovereenkomst destijds toch twee dagen later zou eindigen. Als [verzoeker] vervolgens vraagt om loonstroken geeft [verweerder] aan de gemachtigde van [verzoeker] op 6 januari 2026 het volgende aan:
“heb u geinformeerd dat de heer [verzoeker] op 30 november een vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend. (…) Uit coulance hebben wij hem de gelegenheid geboden om in december nog te komen werken, zodat hij openstaande vakantiedagen kon inhalen, in die periode had hij twee weken niet gewerkt, wat hij in december heeft ingehaald. Wij hebben hem, eveneens uit goedheid, een bedrag extra salaris december overgemaakt inclusief bonus. (…) De heer [verzoeker] is officieel uit dienst getreden per 30 november, zoals vastgelegd in de overeenkomst. Indien nodig, zullen wij ook de informatie verstekken aan de IND (…) Ten tijde van de ondertekening verkeerde ik in de veronderstelling dat de einddatum 30 november betrof. Achteraf blijkt dit onjuist te zijn. Desalniettemin doet deze misvatting geen enkele afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de vaststellingsovereenkomst, nog aan de daarin opgenomen einddatum. Uw client heeft derhalve na 30 oktober geen dienstverband meer gehad. (…) Formeel en juridisch gezien zijn wij dan ook gerechtigd om

het na 30 oktober onverschuldigd betaalde salaris terug te vorderen bij elkaar een bedrag van bijna 4000,-”
Vastgesteld kan worden dat ook op 6 januari 2026 [verweerder] geen melding maakt van een tweede getekende vaststellingsovereenkomst, maar dat zij toen nog een beroep deed op vaststellingsovereenkomst 1 waaruit volgens haar ook een einde van de arbeidsovereenkomst zou volgen.
3.7
Als de gemachtigde van [verzoeker] daarop aangeeft dat voor zover de arbeidsovereenkomst per 30 oktober 2025 zou zijn geëindigd, deze door partijen is voortgezet en van rechtswege is overgegaan in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet anders kan worden aangemerkt dan als een onterecht gegeven ontslag op staande voet, reageert [verweerder] op 20 januari 2026 als volgt:
“De heer [verzoeker] is officieel uit dienst per de in de overeenkomst vastgelegde datum. Desondanks heb ik hem uit coulance toegestaan om na beeindiging van het dienstverband nog vakantiedagen in te halen en die extra te betalen. (…) Daarnaast heb ik uit goedheid extra loon en een bonus uitbetaald in december. Achteraf is gebleken dat de maand november is gebeurd op basis van een onjuiste veronderstelling over de looptijd van de overeenkomst. De vaststellingsovereenkomst liep tot 30 oktober, niet tot 30 november”
Nog steeds valt [verweerder] hier dus terug op vaststellingsovereenkomst 1.
3.8
Nadat tussen de gemachtigden van partijen telefonisch overleg is geweest, stuurt de gemachtigde van [verweerder] op 5 februari 2026 per email ineens vaststellingsovereenkomst 2 die is gedateerd 25 december 2025.
3.9
Bij verzoekschrift geeft [verzoeker] aan dat hij geen tweede vaststellingsovereenkomst heeft getekend, dat hij op 25 december 2025 de hele dag thuis was en niet op het werk is geweest, het was immers eerste kerstdag. Voor de volledigheid merkt de kantonrechter hierover op dat voor zover [verzoeker] vaststellingsovereenkomst 2 zou hebben getekend op 25 december 2025, hetgeen in het geheel niet aannemelijk is, zijn whatsappberichten en e-mails van 29 en 30 december 2025 en 5 en 14 januari 2026 dan alsnog aangemerkt moeten worden als een herroeping in de zin van artikel 7:670b lid 2 BW.
3.1
Bij verweerschrift stelt [verweerder] dan vervolgens dat de tweede overeenkomst niet op 25 december 2025 is getekend, maar al op 5 december 2025. Dat betekent volgens haar dat [verzoeker] uiterlijk op 27 december 2025 schriftelijk aan [verweerder] had moeten laten weten dat hij de vaststellingsovereenkomst wenste te ontbinden en dat [verzoeker] daarmee dus te laat is.
3.11
Uit de hiervoor tussen de punten 3.5. en 3.10. weergegeven gang van zaken komt sterk een beeld dat voren dat iedere keer als er een verweer naar voren komt dat [verweerder] niet baat, zij haar verhaal aanpast. Dit is ook meteen de rode draad van het dossier. [verweerder] verzand daarbij in blote stellingen. Zij heeft deze stellingen, ook wanneer daar naar gevraagd wordt, totaal niet onderbouwd. Dat vaststellingsovereenkomst 2 door [verzoeker] is ondertekend is niet aannemelijk en is ook geenszins komen vast te staan.
Vaststellingsovereenkomst 2 ook vernietigbaar wegens dwaling
3.12
Maar zelfs als vaststellingsovereenkomst 2 wel door [verzoeker] zou zijn ondertekend, kan dit [verweerder] niet baten. [verzoeker] heeft een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de vaststellingsovereenkomst op grond van misbruik van omstandigheden dan wel dwaling. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] in dat geval een geslaagd beroep op vernietiging toekomt.
3.13
Er dient weliswaar terughoudend te worden omgegaan met een beroep op vernietiging van een vaststellingsovereenkomst wegens dwaling gelet op het karakter van de vaststellingsovereenkomst, maar een werkgever mag er niet te snel op vertrouwen dat een werknemer akkoord gaat met vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Van een werkgever mag worden verwacht dat zij met een redelijke zorgvuldigheid nagaat of de werknemer de beëindiging, met alle nadelige gevolgen, werkelijk wenst. Dit eens temeer wanneer er sprake is van een zeer nadelige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zoals in dit geval waarbij [verzoeker] zelfs afstand zou doen van zijn recht op een transitievergoeding, uitbetaling van vakantiedagen maar daarbij ook nog eens akkoord gaat met concurrentiebeding en boete.
3.14
Niet is gebleken dat de consequenties van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst goed met [verzoeker] zijn besproken. Dit had [verweerder] wel moeten doen, temeer omdat het bij [verweerder] bekend was dat [verzoeker] bezig was met een aanvraag bij de IND voor gezinshereniging. Verder is vaststellingsovereenkomst 2 zoals gezegd nadelig voor [verzoeker] . Ook is de wettelijke bedenktermijn van veertien dagen niet in de overeenkomst vermeld en is [verzoeker] niet gewezen op de mogelijkheid juridische bijstand te zoeken. Naar het oordeel van de kantonrechter moet het ervoor worden gehouden dat voor zover [verzoeker] vaststellingsovereenkomst 2 wel zou hebben getekend, hetgeen niet aannemelijk wordt geacht, [verzoeker] zich onvoldoende bewust is geweest van hetgeen er precies werd overeengekomen en wat de gevolgen daarvan zijn. Dit alles leidt ertoe dat vaststellingsovereenkomst 2 (getekend op 5 dan wel op 25 december 2025) niet in stand kan blijven, en, voor zover deze al daadwerkelijk tot stand is gekomen, deze vernietigbaar is. In het laatste woord voor het sluiten van de zitting en nadat de kantonrechter op verzoek van partijen haar voorlopige oordeel heeft gegeven in het kader van een minnelijke regeling, deelde [verweerder] weliswaar nog mee dat [verzoeker] wel in de gelegenheid zou zijn gesteld juridische bijstand te zoeken en dat hij juridische bijstand heeft gehad, maar daarvan is in het geheel niets gebleken. Deze uitroep lijkt meer op de rode draad zoals hiervoor al is beschreven; [verweerder] past haar verhaal waar nodig aan.
Het ontslag op staande voet
3.15
Hiervoor is geoordeeld dat er geen einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst op grond van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen. De arbeidsovereenkomst is verder niet rechtsgeldig opgezegd. De wijzen waarop een arbeidsovereenkomst kan worden beëindigd, zijn in de wet geregeld. Ingevolge artikel 7:671 lid 1 BW Pro kan de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij - kort gezegd - toestemming voor die opzegging is verleend door het UWV (sub a), de opzegging geschiedt in de proeftijd (sub b), er sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet (sub c), of een van de in dat artikellid genoemde uitzonderingsgevallen (sub d t/m h) zich voordoet. Vaststaat dat [verzoeker] niet met de opzegging heeft ingestemd, dat het UWV geen toestemming heeft verleend en dat de opzegging niet heeft plaatsgevonden in een proeftijd. Evenmin is sprake van een van de in artikel 7:671 lid 1 sub Pro d t/m h BW genoemde uitzonderingsgevallen.
3.16
Naar het oordeel van de kantonrechter moet de mededeling van [verweerder] van 29 december 2025 dat [verzoeker] niet meer hoeft te komen en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst die dag in gang wordt gezet dan ook worden gezien als een ontslag op staande voet.
3.17
Een werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een opzegging op grond van artikel 7:677 lid 1 BW Pro. In dit artikel staat dat de arbeidsovereenkomst onverwijld opgezegd kan worden om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW Pro, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.
3.18
Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW Pro worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW Pro beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
3.19
De door de werkgever aan het ontslag ten grondslag gelegde en aan de werknemer onverwijld medegedeelde reden fixeert de omvang van het debat tussen partijen, omdat voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoodzaakt tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werknemer moet zich namelijk na de mededeling kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt. De werkgever die een werknemer heeft ontslagen, moet in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, stellen en zo nodig bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden.
3.2
Op of omstreeks 29 december 2025 heeft [verweerder] aan [verzoeker] per whatsapp als reden dat [verzoeker] is weggestuurd aangegeven dat dit is geweest door zijn ‘onzin gedrag’ en omdat zijn arbeidsovereenkomst liep tot het einde van de vorige maand. Over het al dan niet eindigen van de arbeidsovereenkomst door middel van een vaststellingsovereenkomst is hiervoor al geoordeeld. Verder blijkt niet waaruit het ‘onzingedrag’ van [verzoeker] heeft bestaan, nog daar gelaten de vraag of het [verzoeker] onmiddellijk duidelijk was waarom zijn dienstverband per direct werd beëindigd. [verweerder] heeft dat niet uiteengezet. De kantonrechter gaat er gelet op de stukken vanuit dat het vermeende onzin gedrag bestaat uit de ziekmelding en het niet kunnen werken vanwege een gebroken teen van [verzoeker] . Duidelijk is echter dat [verweerder] met die ziekmelding juist niks heeft gedaan. [verweerder] had als werkgever vanwege de ziekmelding van [verzoeker] de bedrijfsarts moeten inschakelen om vast te stellen of er sprake is van arbeidsongeschiktheid of niet. Het is niet aan een werkgever om zelf te oordelen over de arbeidsongeschiktheid van een werknemer. Daarnaast geldt dat als er al sprake zou zijn van ‘onzingedrag’, een schriftelijke (officiële) waarschuwing ontbreekt, waarin [verzoeker] wordt gewezen op de consequenties. Dit levert dan ook geen dringende reden op voor het ontslag op staande voet.
3.21
De conclusie is dat er geen dringende reden is geweest voor het ontslag op staande voet. Het ontslag is dan ook niet rechtsgeldig gegeven.
Billijke vergoeding
3.22
[verzoeker] maakt aanspraak op een billijke vergoeding. Voor de verschuldigdheid van een billijke vergoeding moet worden vastgesteld of [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
3.23
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. [4] Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt. [5]
3.24
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [6] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
3.25
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 10.000,00. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.
3.26
Bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding weegt in de eerste plaats mee de inkomensschade die [verzoeker] leidt als gevolg van de ontbinding, omdat die schade een gevolg is van het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] en daaraan toegerekend kan worden. Ter zitting is gebleken dat [verzoeker] vanaf 9 maart 2026 een andere baan heeft. Een toegekende ziektewetuitkering moet hij terugbetalen. [verzoeker] heeft tot 9 maart 2026 geen inkomen gehad. De vraag of [verzoeker] wel of niet bij een andere vennootschap onder firma werkte of eigen werkzaamheden had, zoals [verweerder] ter zitting heeft gesteld, kan in het midden blijven. Niet gebleken is dat [verzoeker] daaruit inkomen heeft vergaard. Verder weegt het gedrag van mevrouw Ahmed namens [verweerder] mee. Niet alleen op schrift komt een beeld naar voren van een werkgever die zich niets gelegen laat liggen van wettelijke bepalingen en zelfs niet schroomt om zich daarbij discriminatoir uit te laten richting werknemer. [verweerder] schrijft op 20 januari 2026 aan (de gemachtigde van) [verzoeker] : “
syriers zijn erg goed in hun doelen behalen tot ze contract krijgen alleen voor papieren (…) En als laatste, u weet dat syriers en buitenlanders er alles aan doen om misbruik te maken en daar is de heer [verzoeker] 1 van.”Ook tijdens de mondelinge behandeling waarbij [verzoeker] aanwezig was werden de discriminatoire uitlatingen door haar herhaald als vaststaande feiten. Dit gaat alle perken te buiten. Ook weegt mee het handelen van [verweerder] tijdens de vaststellingsovereenkomst(en) en dat [verweerder] [verzoeker] tijdens de ziekmelding heeft laten doorwerken. [verzoeker] heeft aangegeven dat hij pijn had en het niet meer kon volhouden. Dat kan niet anders worden begrepen dan als een ziekmelding. Tenslotte weegt mee dat [verweerder] bij de IND in strijd met de waarheid melding heeft gemaakt van een einde van de arbeidsovereenkomst per 30 november 2025. Dat dit per abuis is gebeurd acht de kantonrechter, gelet op de overige gedragingen van [verweerder] , niet aannemelijk. [verzoeker] heeft nog tot in ieder geval 29 december 2025 gewerkt. Of dit al dan niet de oorzaak is geweest van de afwijzing van het verzoek van [verzoeker] tot gezinshereniging doet niet ter zake. Het gaat om het doorgeven van een verkeerde einddatum van de arbeidsovereenkomst aan de IND, hetgeen niet alleen niet zorgvuldig is maar ook in strijd moet worden geacht met het goed werkgeverschap [7] . Ook heeft [verweerder] niet op verzoek van [verzoeker] de loonstroken die hij voor zijn aanvraag tot gezinshereniging voor de IND nodig had verstrekt. Dat maakt naar het oordeel van de kantonrechter dat de gevorderde vergoeding van € 10.000,00 alleszins redelijk is.
3.27
[verweerder] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 10.000,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Gefixeerde schadevergoeding
3.28
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. [8] De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te weten € 2.569,68. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 29 december 2025.
Transitievergoeding
3.29
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [9] [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 1.424,93 bedraagt. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 29 januari 2026.
De loonstroken en de jaaropgave over 2025
3.3
[verzoeker] heeft verzocht om verstrekking van de loonstroken vanaf maart 2025 en de jaaropgave over 2025. Bij verweerschrift heeft [verweerder] de loonstroken over juli 2025, september 2025 t/m december 2025 en de jaaropgave 2025 overgelegd. Volgens [verweerder] kan zij de loonstroken over de periode april tot en met juli 2025 in beginsel niet overleggen omdat [verzoeker] in die periode werkzaam was bij [bedrijf] B.V. [verzoeker] handhaaft zijn verzoek ten aanzien van de ontbrekende loonstroken.
3.31
[verweerder] stelt dat zij de loonstroken maandelijks fysiek aan [verzoeker] heeft verstrekt. Dat is door [verzoeker] betwist en blijkt ook nergens uit. Dit komt ook niet overeen met het feit dat [verweerder] in haar brief van 6 januari 2026 heeft aangegeven dat door de feestdagen de administratie is vertraagd, dat de loonstroken zijn doorgegeven aan de administratie en spoedig zullen worden verstrekt. Niet valt in te zien waarom [verweerder] als [verzoeker] daarom verzoekt omdat hij deze nodig heeft voor de IND, de loonstroken als goed werkgever niet (nogmaals) heeft verstrekt.
3.32
Omdat [verzoeker] in de maanden april tot en met juni 2025 niet in dienst was van [verweerder] en [bedrijf] B.V. geen partij is in deze procedure, kan [verweerder] niet worden veroordeeld tot afgifte van de loonstroken over die periode. Wel dient [verweerder] de missende loonstrook over augustus 2025 te overleggen.
3.33
De door [verzoeker] in dit verband verzochte vaststelling van een dwangsom wijst de kantonrechter toe. De kantonrechter ziet aanleiding om de dwangsom te maximeren tot € 1.000,00.
Buitengerechtelijke kosten
3.34
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat onvoldoende is gesteld of gebleken dat sprake is van buitengerechtelijke werkzaamheden die een vergoeding daarvoor kunnen rechtvaardigen. Naar het oordeel van de kantonrechter zien de gemaakte kosten op die betrekking hebben op deze procedure.
De proceskosten
3.35
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).

4.De beoordeling van het tegenverzoek

4.1
Over de andere verzoeken van [verweerder] wordt het volgende overwogen.
Geldleningen
4.2
[verweerder] vordert terugbetaling van door haar aan [verzoeker] geleende gelden ter hoogte van € 3.560,00 dan wel € 2.860,00. Volgens [verweerder] heeft zij [verzoeker] meermalen op zijn verzoek financieel ondersteund. [verzoeker] betwist dat hij geld heeft geleend van [verweerder] .
4.3
[verweerder] beroept zich op de rechtsgevolgen van haar stelling dat zij geld heeft geleend aan [verzoeker] . Daarom rust op haar de verplichting om voldoende concrete feiten en omstandigheden naar voren te brengen waaruit volgt dat partijen een geldleningsovereenkomst hebben gesloten.
4.4
[verweerder] heeft ter onderbouwing van haar stelling gewezen op betaalverzoeken van [verzoeker] met de omschrijving ‘Lennen’, afschrijvingen met de omschrijving ‘voorschot betaling’ en afschriften met de omschrijving ‘bonus’. Gelet op de stelling van [verzoeker] dat hij nu ineens bedragen die hij als bonus of vergoeding heeft ontvangen moet terugbetalen en dat te veel betaalde bedragen zijn verrekend met zijn loon, is dit onvoldoende om ervan uit te gaan dat er sprake is van een leningsovereenkomst zoals door [verweerder] is gesteld en dat het om betalingen gaat uit hoofde van die geldleningsovereenkomst. Dit geldt temeer nu uit door [verweerder] overgelegde whatsapp correspondentie van 8 februari 2025 blijkt dat [verzoeker] vraagt hoe hij wordt betaald voor die dag en hij vervolgens een betaalverzoek stuurt van € 200,00 met de omschrijving ‘Lennen’. [verzoeker] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat [verweerder] soms vroeg om betalingen voor te schieten, waarna hij deze giraal terugkreeg. De vordering van [verweerder] wordt dan ook als onvoldoende onderbouwd afgewezen.
Deskundigenonderzoek
4.5
[verweerder] verzoekt om ter onderbouwing van haar stelling dat de handtekening onder vaststellingsovereenkomst 2 getekend op 5 december 2025 waarmee de arbeidsovereenkomst is geëindigd per 30 december 2025 van [verzoeker] is, een deskundigenonderzoek te bevelen. Het deskundigenonderzoek moet volgens [verweerder] bestaan uit een forensisch handschriften/handtekeningenonderzoek door een door de kantonrechter te benoemen deskundige.
4.6
De kantonrechter wijst dat verzoek af. [verweerder] heeft daarbij geen belang. Het uiteindelijke antwoord op de vraag of vaststellingsovereenkomst 2 van 5 december 2025 door [verzoeker] is getekend kan zoals hiervoor al is gebleken immers in het midden blijven. Als deze is ondertekend door [verzoeker] dan is deze vernietigbaar.
De proceskosten worden gecompenseerd
4.7
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft en het tegenverzoek niet een dusdanig meerwerk oplevert dat hiervoor een vergoeding moet worden toegekend.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
5.1
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.2
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 2.569,68, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 1.424,93, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 januari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.4
bepaalt dat [verweerder] binnen een maand na heden de loonstrook over augustus 2025 verstrekt, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 1.000,00;
5.5
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.6
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [10] ,
5.7
wijst het meer of anders verzochte af,
op het tegenverzoek
5.8
wijst het verzoek af,
5.9
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

Voetnoten

1.Productie 20, nagezonden stukken van verzoeker.
2.Productie 6 bij verzoekschrift.
3.Productie 6, pagina 4 bij verzoekschrift.
4.Artikel 7:681 lid Pro 1, onderdeel a, BW.
6.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
7.Artikel 7:611 BW Pro.
8.Artikel 7:672 lid 11 BW Pro.
9.Artikel 7:673 lid 1 BW Pro.
10.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.