AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot verwijzing civiele zaak naar kantonrechter wegens onduidelijkheid over belang
In deze civiele procedure vordert ASR dat de rechtbank de hoofdzaak verwijst naar de kantonrechter, stellende dat het belang van de zaak het competentiebedrag van € 25.000 niet overstijgt. De eiser, die een huisdierenverzekering heeft afgesloten, betwist dit en stelt dat de gewijzigde voorwaarden van ASR onredelijk bezwarend zijn en niet correct zijn verstrekt.
De rechtbank oordeelt dat ASR uitgaat van een onjuiste interpretatie van artikel 93 sub b RvPro. Volgens de rechtbank worden vorderingen van onbepaalde waarde in principe door de civiele kamer behandeld, tenzij er duidelijke aanwijzingen zijn dat het belang niet hoger is dan € 25.000. ASR heeft onvoldoende onderbouwd dat dergelijke aanwijzingen aanwezig zijn.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot verwijzing af en bevestigt zij haar bevoegdheid om de hoofdzaak te behandelen. Tevens wordt ASR veroordeeld tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. De zaak wordt verwezen naar de rol voor verdere procedurele planning.
Uitkomst: Verzoek tot verwijzing naar kantonrechter afgewezen; rechtbank bevoegd en ASR veroordeeld in proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/606536 / HA ZA 26-65
Vonnis in incident van 27 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. O.S.H. Horssius,
tegen
ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
te Utrecht,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: ASR,
advocaat: mr. A.E.M. Langerhuizen.
1.De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 7,
- de conclusie van antwoord met een incidentele vordering tot verwijzing zonder producties,
- de conclusie van antwoord in het incident zonder producties.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2.De kern van de zaak
2.1
ASR vordert dat de rechtbank de hoofdzaak verwijst naar de kantonrechter, omdat er geen aanwijzingen zijn dat het belang in deze zaak het competentiebedrag van € 25.000,00 overstijgt. De rechtbank wijst deze vordering af. ASR gaat uit van de verkeerde toets. Het gaat juist om de vraag of er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering géén hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000. Die aanwijzingen zijn er niet.
3.De achtergrond van de zaak
3.1
Op 20 oktober 2020 heeft [eiser] bij Aegon een huisdierenverzekering afgesloten voor de medische kosten van haar kat. In 2024 heeft ASR als rechtsopvolger van Aegon haar eigen voorwaarden van toepassing verklaard op de verzekeringsovereenkomst. Zo heeft ASR het eigen risico gewijzigd van een vast bedrag van € 50,00 per jaar naar 25% van de betreffende nota met een minimum van € 25,00. Ook is de maximaal jaarlijkse uitkering verlaagd met 33%. [eiser] meent dat zij hierdoor ten onrechte wordt geconfronteerd met een aanzienlijke lastenverzwaring.
3.2
[eiser] stelt zich kort gezegd op het standpunt dat de door ASR gewijzigde voorwaarden niet van toepassing zijn op de verzekeringsovereenkomst, omdat de gewijzigde voorwaarden haar niet (correct) ter hand zijn gesteld en het wijzigingsbeding waarop ASR zich beroept onredelijk bezwarend is, dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarom vordert [eiser] in de hoofdzaak beknopt weergegeven een verklaring voor recht dat:
de door ASR gewijzigde voorwaarden niet van toepassing zijn op de verzekeringsovereenkomst;
ASR de informatieplichten heeft geschonden;
ASR haar verplichting heeft geschonden om (tijdig) de algemene voorwaarden en informatieplichten op een duurzame gegevensdrager te verstrekken;
ASR haar verplichting heeft geschonden om de verzekeringskaart bij de totstandkoming van de overeenkomst aan de verzekerde te verstrekken.
In de conclusie van antwoord heeft ASR, naast het voeren van inhoudelijk verweer tegen de vorderingen van [eiser] , een incidentele vordering tot verwijzing van de zaak naar de kantonrechter ingediend [1] . [eiser] is het hier niet mee eens en voert hiertegen verweer.
4.De beoordeling
4.1
De incidentele vordering van ASR zal worden afgewezen. De rechtbank licht dit oordeel toe.
4.2
Volgens ASR moet de zaak naar de kantonrechter worden verwezen, omdat uit de vorderingen van [eiser] in het geheel geen financieel belang volgt en er dus geen aanwijzingen zijn dat het belang in deze zaak hoger is dan het competentiebedrag van € 25.000,00. ASR voert niets aan waaruit blijkt dat het belang in deze zaak daadwerkelijk lager dan € 25.000,00 is.
4.3
De rechtbank interpreteert het standpunt van ASR zo dat ASR ervan uitgaat dat een zaak in principe bij de kantonrechter wordt behandeld, tenzij er aanwijzingen zijn dat het geldelijk belang in die zaak hoger is dan € 25.000,00. Alleen in dat geval zou de civiele kamer van de rechtbank bevoegd zijn. ASR baseert haar vordering op artikel 93 sub b RvPro waarin staat:
“Door de kantonrechter worden behandeld en beslist:
(…)
b. zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000;”
4.4
De lezing van ASR gaat uit van een onjuiste toepassing van het recht. Artikel 93 sub b RvPro moet anders worden geïnterpreteerd. Vorderingen van onbepaalde waarde – zoals de vorderingen van [eiser] – worden in principe behandeld en beslist door een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de rechtbank. Alleen als er duidelijke aanwijzingen zijn dat de vorderingen geen hogere waarde hebben dan € 25.000,00, wordt de zaak door de kantonrechter behandeld en beslist. Daarvan is in dit geval geen sprake, althans ASR heeft niet onderbouwd dat die aanwijzingen er zijn. De zaak kan ook niet op een van de andere gronden in artikel 93 subPro a, c, d Rv naar de kantonrechter worden verwezen. Dat betekent dat de zaak bij de juiste kamer is aangebracht en dat de rechtbank in de hoofdzaak bevoegd is deze zaak te behandelen.
ASR moet de proceskosten betalen
4.5
ASR is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ASR worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing. De rechtbank ziet geen reden om het dubbele liquidatietarief te rekenen, zoals door [eiser] is gevorderd.
4.6
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.De beslissing
De rechtbank
in het incident
5.1
wijst de incidentele vordering tot verwijzing af,
5.2
veroordeelt ASR in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als ASR niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3
veroordeelt ASR tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
5.5
verwijst de zaak naar de rol van 10 juni 2026voor beraad rolrechter over het plannen van een mondelinge behandeling en voor het opvragen van verhinderdata aan partijen voor de periode september tot en met oktober 2026.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Erich en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.