Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3081

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
7 juni 2026
Zaaknummer
C/16/602125 / HA ZA 25-555
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:401 BWArt. 4.23 WftArt. 6:119 BWArt. 6:233 onder a BWArt. 6:234 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen tekortkoming in pensioenadvies en beheer ondanks wijziging verplichtstelling

SN en [gedaagde] sloten een samenwerkingsovereenkomst waarbij [gedaagde] SN adviseerde en de pensioenregeling beheerde. SN stelde dat [gedaagde] tekort was geschoten door niet te waarschuwen voor de verplichte aansluiting bij PFZW vanaf 1 januari 2017.

De rechtbank stelde vast dat SN pas vanaf 1 augustus 2018 onder de verplichtstelling viel door de betrokkenheid van een psychiater, een wijziging die SN niet aan [gedaagde] had gemeld. Het advies van [gedaagde] in 2017 was gebaseerd op de toen bekende feiten en was zorgvuldig.

De rechtbank oordeelde dat SN niet gebonden was aan de algemene voorwaarden van [gedaagde], waardoor het vervalbeding niet van toepassing was. Verder was er geen sprake van onrechtmatig handelen of tekortkoming door [gedaagde]. De vorderingen van SN werden afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van SN af en veroordeelt haar in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/602125 / HA ZA 25-555 MS/1270
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
SPECIALISTENNET PSYCHOLOGIE B.V.,
gevestigd te Soesterberg,
eisende partij,
hierna te noemen: SN,
advocaten: mr. J. Croonen en mr. H. Spaan,
tegen
[gedaagde] B.V.,
statutair gevestigd te [plaats 1] en kantoorhoudende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. A.M. Kroon.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de aanvullende producties van SN.
1.2
De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 9 april 2026. Namens SN was aanwezig de heer [A] , [functie] van SN, met de gemachtigden van SN. Namens [gedaagde] waren aanwezig de heer [B] , senior pensioenadviseur bij [gedaagde] en tevens procuratiehouder, de heer [C] (hierna: [C] ), pensioenadviseur bij [gedaagde] en de gemachtigde van [gedaagde] . Partijen hebben beide hun standpunten aan de hand van een pleitnota toegelicht. Zij hebben op elkaar kunnen reageren en vragen beantwoord van de rechtbank. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
1.3
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank besloten dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

2.De kern van de zaak

2.1
[gedaagde] en SN hebben een samenwerkingsovereenkomst gesloten op grond waarvan [gedaagde] SN heeft geadviseerd over haar pensioenregeling en ook het beheer van de pensioenregeling verzorgde. SN vindt dat [gedaagde] in de uitvoering van de overeenkomst tekort is geschoten en onrechtmatig heeft gehandeld omdat [gedaagde] haar er niet voor heeft gewaarschuwd dat zij vanaf 1 januari 2017 onder het verplichtstellingsbesluit van Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) viel. De rechtbank deelt dit standpunt niet. SN viel pas per 1 augustus 2018 onder de verplichtstelling van PFZW toen er een psychiater bij SN werd betrokken, waardoor de bedrijfsactiviteiten van SN wijzigden. Dat heeft SN [gedaagde] nooit verteld en [gedaagde] kon SN dus ook niet waarschuwen dat zij mogelijk onder een verplichtstelling zou vallen. [gedaagde] is daarom niet aansprakelijk voor de schade die SN hierdoor stelt te hebben geleden. De rechtbank wijst de vorderingen van SN om deze redenen af.

3.De beoordeling

Inleiding
3.1
SN is een onderneming die volgens haar omschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel diensten verleent op het gebied van gezondheidszorg, die met name gericht zijn op het voorkomen van arbeidsuitval en het begeleiden van werknemers bij herstel en re-integratie in het arbeidsproces.
3.2
[gedaagde] is een onderneming die zich onder meer bezighoudt met pensioenadvisering.
3.3
SN (die toen nog Specialistennet Consultancy B.V. heette) en [gedaagde] hebben op 11 juli 2013 een samenwerkingsovereenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst). Zij hebben hierin afgesproken dat SN haar belangen op het gebied van pensioen met ingang van 23 april 2013 laat behartigen door [gedaagde] en dat [gedaagde] SN zal adviseren over de regeling en zal zorgdragen voor uitvoering en beheer daarvan.
3.4
[gedaagde] heeft SN in 2013 geadviseerd over haar pensioenregeling. Deze pensioenregeling is toen bij Allianz ondergebracht.
3.5
Omdat de uitvoeringsovereenkomst met Allianz per 1 januari 2018 zou aflopen, heeft SN [gedaagde] eind 2017 opdracht gegeven om haar te adviseren over het opnieuw onderbrengen van de pensioenregeling. [C] heeft in het kader van deze opdracht een onderzoek verricht en heeft hiervan een rapport opgemaakt met als titel ‘klantinventarisatie en analyse pensioenregeling’. Hij heeft in dit rapport geconcludeerd dat SN niet onder de reikwijdte van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds viel. De pensioenregeling is vervolgens per 1 januari 2018 opnieuw ondergebracht bij Allianz.
3.6
PFZW heeft SN met een brief van 25 januari 2023 meegedeeld dat SN per 1 januari 2017 verplicht bij haar is aangesloten. PFZW heeft deze datum later verschoven naar 1 augustus 2018. Dit is de datum waarop een psychiater, mevrouw [D] , bij de praktijk van SN is betrokken.
3.7
SN heeft vervolgens haar bedrijfsactiviteiten zo aangepast dat zij per 1 januari 2024 niet meer onder de reikwijdte van het verplichtstellingsbesluit van PFWZ valt. Voor de tussenliggende periode heeft zij haar pensioenregeling bij Allianz actuarieel gelijkwaardig gemaakt ten opzichte van de pensioenregeling van PFZW. Zij moest hiervoor een bedrag van € 275.680,37 bijstorten. PFZW heeft haar daarna vrijstelling verleend van de verplichte deelname aan PFZW over de periode van 1 augustus 2018 tot en met 31 december 2023.
3.8
SN heeft [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij hierdoor heeft geleden. [gedaagde] vindt echter dat zij niet aansprakelijk is.
De vorderingen en de onderbouwing daarvan
3.9
SN vordert:
1. voor recht te verklaren dat [gedaagde] door haar onjuiste en onvolledige advisering (primair) toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen jegens SN en/of (subsidiair) onrechtmatig jegens SN heeft gehandeld vanaf 1 januari 2018 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum en dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de daardoor door SN geleden schade, thans begroot op € 325.680,37, vermeerderd met wettelijke rente;
2. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 925,00 exclusief btw;
3. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.1
SN legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. [gedaagde] heeft volgens SN ook haar algemene zorgplicht op grond van artikel 7:401 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en haar informatie- en adviesverplichtingen op grond van artikel 4.23 van de Wet op het financieel toezicht (Wft), zoals nader uitgewerkt in de Leidraad tweedepijler pensioenadvisering van de Autoriteit Financiële Markten (hierna: de Leidraad en AFM), geschonden. SN stelt dat [gedaagde] door het schenden van haar zorgplicht ook onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. SN vindt dat [gedaagde] de schade die zij hierdoor heeft geleden moet vergoeden. Dit zijn de kosten voor het actuarieel gelijkwaardig maken van de pensioenregeling bij Allianz, kosten van een actuaris en kosten van schadebeperking door overleg met PZWZ over de ingangsdatum van de verplichtstelling.
Het verweer en de onderbouwing daarvan
3.11
[gedaagde] voert verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Voor het geval de rechtbank toch zou oordelen dat zij schadeplichtig is, dan verzoekt zij de schadevergoeding te maximeren op € 200.250,00 en deels te verrekenen met een direct opeisbare vordering van € 2.535,56 die zij op SN heeft. Zij verzoekt ten slotte SN in de proceskosten en de nakosten te veroordelen, vermeerderd met wettelijke rente.
3.12
[gedaagde] stelt allereerst dat het vorderingsrecht van SN op grond van haar algemene voorwaarden is vervallen. Ook betwist zij dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst en dat zij jegens SN onrechtmatig heeft gehandeld. [gedaagde] betwist verder dat SN hierdoor schade heeft geleden, althans dat deze schade voor haar rekening zou moeten komen. Zij stelt ten slotte dat haar aansprakelijkheid op grond van haar algemene voorwaarden is uitgesloten omdat SN haar informatieverplichting niet is nagekomen en dat een eventuele schadevergoeding bovendien wordt gemaximeerd.
Het vorderingsrecht van SN is niet vervallen
3.13
De rechtbank is van oordeel dat het vorderingsrecht van SN niet is vervallen. De reden hiervoor wordt hierna uitgelegd.
3.14
[gedaagde] beroept zich op artikel 12.1 van haar algemene voorwaarden. In dit artikel staat dat ieder recht van de opdrachtgever jegens [gedaagde] terzake schade ontstaan door eventuele tekortkomingen en/of fouten van [gedaagde] bij de uitvoering van de overeenkomst vervalt na verloop van vijf jaren, te rekenen vanaf de dag van het verstrekken van het advies. Volgens [gedaagde] doet deze situatie zich hier voor, omdat na het uitbrengen van het advies van [C] van eind 2017 inmiddels vijf jaren zijn verstreken.
3.15
SN stelt zich echter op het standpunt dat zij niet aan de algemene voorwaarden van [gedaagde] is gebonden, omdat [gedaagde] haar deze niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand heeft gesteld. Weliswaar worden in de overeenkomst twee bijlagen genoemd, maar die zaten volgens SN niet bij de overeenkomst. Zij heeft de algemene voorwaarden daarom met een brief van 18 april 2024 vernietigd.
SN is niet gebonden aan de algemene voorwaarden
3.16
De rechtbank deelt het standpunt van SN dat zij niet gebonden is aan de algemene voorwaarden van [gedaagde] . Het staat namelijk niet vast dat [gedaagde] aan SN een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen door deze voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan SN ter hand te stellen. Daarom kon SN de bedingen in de algemene voorwaarden vernietigen [1] , wat zij ook heeft gedaan.
3.17
[gedaagde] stelt dat SN de algemene voorwaarden bij het sluiten van de overeenkomst wel heeft ontvangen. Zij wijst erop dat de algemene voorwaarden in artikel 10 van Pro de overeenkomst van toepassing zijn verklaard. Daarbij staat tussen haakjes “bijlage 2”. SN heeft de overeenkomst voor gezien en akkoord ondertekend. Dat betekent volgens [gedaagde] dat SN hiermee verklaart dat zij ook de bijlagen en dus ook de algemene voorwaarden heeft ontvangen. [gedaagde] wijst erop dat SN in deze procedure wel de Dienstenwijzer van [gedaagde] heeft overgelegd, die als bijlage 1 in de overeenkomst is genoemd. Die heeft SN kennelijk wel ontvangen en het ligt dus voor de hand dat SN ook bijlage 2 heeft ontvangen.
3.18
De rechtbank vindt dat [gedaagde] hiermee onvoldoende heeft onderbouwd dat SN de algemene voorwaarden bij het sluiten van de overeenkomst heeft ontvangen. SN heeft de overeenkomst weliswaar voor gezien en akkoord ondertekend, maar het is onduidelijk wat dit precies inhoudt. SN heeft hiermee niet uitdrukkelijk verklaard dat zij de algemene voorwaarden heeft ontvangen en er bestaat geen versie van de overeenkomst waarin ook de bijlagen zijn geparafeerd. Ook uit het feit dat SN de Dienstenwijzer in het geding heeft gebracht kan niet worden afgeleid dat zij zowel de Dienstenwijzer als de algemene voorwaarden bij het sluiten van de overeenkomst heeft ontvangen. SN stelt namelijk dat zij ook deze Dienstenwijzer destijds niet heeft ontvangen en dat zij de versie die zij in het geding heeft gebracht op internet heeft gezocht en gevonden. Omdat niet kan worden uitgesloten dat SN deze versie van de Dienstenwijzer inderdaad op internet heeft gevonden, is onvoldoende komen vast te staan dat SN deze - en eens te meer de algemene voorwaarden - bij het sluiten van de overeenkomst heeft ontvangen.
3.19
De conclusie is daarom dat [gedaagde] tegenover SN geen beroep kan doen op het vervalbeding. Dit betekent dat het vorderingsrecht van SN niet is vervallen.
[gedaagde] is niet aansprakelijk wegens een tekortkoming of onrechtmatig handelen
3.2
Nu het vervalbeding niet van toepassing is, moet worden beoordeeld of [gedaagde] jegens SN aansprakelijk is. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is, omdat [gedaagde] niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst of tegenover SN onrechtmatig heeft gehandeld. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
De verplichtingen van [gedaagde] op grond van de overeenkomst en de algemene zorgplicht
3.21
Om te bepalen of [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst moet eerst worden vastgesteld welke verplichtingen [gedaagde] op grond van deze overeenkomst had. Het gaat hier om een overeenkomst van opdracht. Daarom geldt voor [gedaagde] - naast de verplichtingen die in de overeenkomst staan - ook de algemene zorgvuldigheidsnorm van artikel 7:401 BW Pro. In dit artikel is bepaald dat de opdrachtnemer bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moet nemen.
3.22
Uit artikel 2 van Pro de overeenkomst volgt dat de dienstverlening van [gedaagde] aan SN bestaat uit het geven van advies over de pensioenregeling van SN en de uitvoering en het beheer van de pensioenregeling.
In artikel 3 van Pro de overeenkomst staat welke dienstverlening [gedaagde] onder meer zal bieden:
  • advies over de inhoud, uitvoering en overgang van pensioenregelingen, op basis van een uitgebreide inventarisatie van de van belang zijnde informatie. (…);
  • op verzoek van Specialistennet Consultancy informeren werknemers over de pensioenregeling (schriftelijke en/of mondelinge informatieverschaffing);
  • begeleiden van het aanvraagtraject van de pensioenregeling en deelnemingen die hieruit voortvloeien;
  • beheer pensioenregeling en deelnemingen.
(…)
Artikel 5 bepaalt Pro dat [gedaagde] de werkgever op verzoek dan wel wanneer omstandigheden dit nodig maken adviseert en informeert over zaken die het beheer van de pensioenregeling aangaan.
Artikel 7 bevat Pro een verplichting van SN: zij moet alle gegevens die relevant zijn voor de dienstverlening van [gedaagde] tijdig aan [gedaagde] ter beschikking stellen.
3.23
Uit de overeenkomst kan worden afgeleid dat de dienstverlening van [gedaagde] in feite twee fases kent. Er is eerst een adviesfase, waarin [gedaagde] adviseert over de inhoud, uitvoering en overgang van pensioenregelingen. Dit advies leidt tot het onderbrengen van de pensioenregeling van SN bij een pensioenuitvoerder. Als dit is gebeurd begint de beheerfase. In artikel 4 van Pro de overeenkomst staat wat [gedaagde] in deze beheerfase doet. Een van haar taken is de aanmelding van nieuwe werknemers van SN bij de pensioenuitvoerder, nadat SN de relevante werknemersgegevens aan haar heeft doorgegeven.
[gedaagde] is niet tekortgeschoten in de adviesfase
3.24
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] niet tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen die zij in de adviesfase had. Hierna wordt toegelicht waarom de rechtbank tot dit oordeel komt.
3.25
SN stelt in de eerste plaats dat [gedaagde] haar eind 2017 niet goed heeft geadviseerd, omdat [gedaagde] haar er niet op heeft gewezen dat haar bedrijfsactiviteiten onder de reikwijdte vielen van het verplichtstellingsbesluit van PFWZ. Dit was volgens SN al vanaf 1 januari 2017 het geval. Volgens SN was het onderzoek dat [gedaagde] naar de verplichtstelling heeft gedaan onzorgvuldig en onvolledig. Uit het rapport van [C] blijkt volgens SN dat hij dit onderzoek alleen heeft gebaseerd op mondelinge mededelingen van SN en dat hij alleen de website waarop de cao’s staan heeft geraadpleegd en niet heeft gekeken naar de verplichtstellingsbesluiten van PFZW.
3.26
[gedaagde] stelt dat haar advies wel zorgvuldig was. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij in 2013 een mogelijke verplichtstelling van SN uitgebreid heeft onderzocht. De conclusie was dat SN niet onder een verplichtstelling viel. De pensioenregeling van SN is toen ondergebracht bij Allianz. Ten tijde van de advisering in 2017 was er geen enkele aanleiding te veronderstellen dat er wijzigingen waren in de bedrijfsvoering van SN en dat zij daarom onder de verplichtstelling van PFZW zou vallen. Dit is niet aan de orde gekomen in de gesprekken die [C] in 2017 met de heer [E] van SN had. Uit die gesprekken bleek juist dat de activiteiten van SN - het ging toen om ongeveer 4 werknemers - nog altijd consultancy gerelateerd waren en gericht op re-integratie en arbobegeleiding. [C] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij naast navraag bij de werkgever en bestudering van de website van SN ook de website [website] heeft geraadpleegd. Op deze website werden destijds ook verplichtstellingsbesluiten gepubliceerd. Hij heeft de verplichtstellingbesluiten die mogelijk van toepassing zouden kunnen zijn bekeken en op grond daarvan geconcludeerd dat SN niet onder een verplichtstelling viel.
3.27
[gedaagde] stelt verder dat de adviesfase op 1 januari 2018, na de onderbrenging van de pensioenregeling bij Allianz, afliep. Pas daarna, per 1 augustus 2018, is alsnog een verplichting tot aansluiting bij PFZW ontstaan doordat een psychiater, mevrouw [D] , bij de praktijk van SN werd betrokken. Hierdoor wijzigden de bedrijfsactiviteiten van SN op een voor de verplichtstelling relevante wijze. SN heeft [gedaagde] nooit van de betrokkenheid van een psychiater op de hoogte gesteld, hoewel zij dit op grond van artikel 7 van Pro de overeenkomst wel had moeten doen.
3.28
De rechtbank is van oordeel dat SN, gelet op het verweer van [gedaagde] , onvoldoende heeft onderbouwd dat zij vanaf 1 januari 2017 al onder de verplichtstelling van PFZW viel. PFZW heeft dit in haar eerste brief van 25 januari 2023 weliswaar aan SN geschreven, maar uit de latere brieven van PFZW van 30 juni 2023 en 3 november 2023 blijkt dat dit een onjuiste aanname was en dat voor PFZW het moment waarop de psychiater [D] bij de praktijk betrokken was geraakt, bepalend was. Dit was volgens opgave van SN per
1 augustus 2018 en PFZW heeft de verplichtstelling daarom per die datum laten ingaan.
SN heeft gesteld dat deze ingangsdatum de uitkomst is van onderhandelingen die haar gemachtigde met PFZW heeft gevoerd, maar dat zij volgens PFZW al per 1 januari 2017, ook los van de betrokkenheid van mevrouw [D] , onder de verplichtstelling viel. SN heeft deze stelling echter niet onderbouwd met correspondentie die zij met PFZW heeft gevoerd. Zij heeft gesteld dat dit allemaal mondeling is gegaan, maar dit is niet controleerbaar. Het standpunt van PFZW blijkt in ieder geval niet uit de brieven die PFZW aan SN heeft gestuurd. SN heeft geciteerd uit de brief van PFZW van 3 november 2023, maar dit citaat is een reactie van PFZW op de stelling van SN dat sprake zou zijn van een uitzondering op de verplichtstelling. Uit dit citaat kan niet worden afgeleid dat PFZW zich op het standpunt heeft gesteld dat SN ook los van de betrokkenheid van [D] onder de verplichtstelling viel. Het citaat is daarom verder niet relevant.
3.29
SN heeft ook verwezen naar haar SBI-code in het Handelsregister, waaruit volgens haar volgt dat zij al sinds 1 januari 2017 onder de verplichtstelling van PFZW valt. Voor de vaststelling of een onderneming onder een verplichtstelling valt is de SBI-code echter niet doorslaggevend. Alleen de daadwerkelijke activiteiten van een onderneming zijn hiervoor van belang en het is niet gebleken dat SN vanwege haar bedrijfsactiviteiten vanaf 1 januari 2017 al onder de verplichtstelling viel.
3.3
[gedaagde] heeft dus eind 2017 geen onjuist of onvolledig advies gegeven toen zij concludeerde dat SN toen niet onder de verplichtstelling van PFZW viel. SN stelt dat het advies ook onzorgvuldig was omdat sprake is geweest van een verkort adviestraject. Volgens SN heeft [gedaagde] hiermee in strijd gehandeld met de Leidraad. [gedaagde] stelt zich echter op het standpunt dat SN aan de Leidraad geen rechten kan ontlenen omdat deze alleen betrekking heeft op de verhouding van [gedaagde] met AFM. Zij heeft verder uitgelegd dat het onderzoek in 2017 beperkter was dan het onderzoek in 2013, omdat partijen hadden afgesproken dat [gedaagde] uit kostenoverwegingen geen marktonderzoek zou doen en het uitgangspunt was dat de pensioenregeling van SN weer bij Allianz zou worden ondergebracht. SN heeft niet betwist dat zij deze afspraak met [gedaagde] heeft gemaakt, zodat de rechtbank hiervan uitgaat. De rechtbank is van oordeel dat het partijen in beginsel vrij stond om het onderzoek op deze manier af te bakenen. Deze afspraak heeft niet tot gevolg gehad dat de advisering van [gedaagde] eind 2017 onjuist is geweest. Uit niets is bovendien gebleken dat als [gedaagde] op dat moment wel een volledig marktonderzoek had gedaan, SN nu in een andere situatie zou verkeren en dat valt ook niet in te zien. [gedaagde] heeft hiermee niet onzorgvuldig en niet in strijd met haar informatie- en adviesverplichtingen op grond van artikel 4.23 Wft gehandeld. Het enkele feit dat wellicht niet volledig aan de Leidraad is voldaan, maakt dit niet anders. De rechtbank volgt het standpunt van [gedaagde] dat SN zich niet rechtstreeks op de Leidraad kan beroepen. Uit de informatie die de AFM zelf op haar website geeft, blijkt dat de Leidraad invulling geeft aan en duidelijkheid geeft over de normen in de Wft en specifiek is bedoeld voor de advisering over tweedepijlerpensioenen door de pensioenadviseur aan werkgevers. De Leidraad heeft niet de status van wet- en regelgeving.
3.31
Gelet hierop luidt de conclusie dat de advisering door [gedaagde] eind 2017 niet onzorgvuldig of onvolledig is geweest en dat [gedaagde] in dit opzicht niet tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. Zij heeft ook niet gehandeld in strijd met haar algemene zorgplicht om als goed opdrachtnemer te handelen.
[gedaagde] is ook niet tekortgeschoten in de beheerfase
3.32
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] ook niet tekort is geschoten in de verplichtingen die zij in de beheerfase had. [gedaagde] had ook tijdens deze fase geen aanleiding te veronderstellen dat SN onder de verplichtstelling van PFZW viel. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat SN [gedaagde] nooit van de betrokkenheid van de psychiater [D] en daarmee van de wijziging in haar bedrijfsactiviteiten in kennis heeft gesteld. Omdat mevrouw [D] als externe zelfstandige bij SN was betrokken, heeft SN haar ook nooit aangemeld bij [gedaagde] in het kader van het beheer van de pensioenregeling.
3.33
Uit de overeenkomst blijkt bovendien niet dat partijen een doorlopende adviesrelatie hadden. Zij zijn niet overeengekomen dat [gedaagde] , na het onderbrengen van de pensioenregeling bij een pensioenuitvoerder, daarna nog kosteloos onderzoek zou moeten doen naar een verplichtstelling zonder dat daarvoor een concrete aanleiding was. Deze concrete aanleiding was er in dit geval niet. SN heeft gesteld dat [gedaagde] op grond van de Leidraad een verplichting tot nazorg had. [gedaagde] heeft er echter terecht op gewezen dat de verplichting tot nazorg die daarin staat beschreven betrekking heeft op een andere situatie (namelijk waarin dispensatie van deelname aan een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds is verleend). Dit was in de periode waar het hier om gaat niet aan de orde. Nog los van het feit dat aan SN geen rechtstreeks beroep op de Leidraad toekomt, kan daaruit dus geen doorlopende adviesrelatie worden afgeleid. De adviesfase was afgerond eind 2017.
3.34
SN stelt ook nog dat [gedaagde] eind 2018 onderzoek naar een mogelijke verplichtstelling had moeten doen, toen de toenmalige [functie] van SN voor een andere rechtspersoon een pensioenregeling wilde treffen en hierover met [C] correspondeerde. Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt echter dat de [functie] niet voor een verplichtstellingsonderzoek voor die andere vennootschap wilde betalen. Onder deze omstandigheden volgt ook uit de algemene zorgvuldigheidsnorm van artikel 7:401 BW Pro niet dat [gedaagde] SN kosteloos, zonder aparte opdracht en zonder dat daarvoor een concrete aanleiding was, had moeten adviseren over een mogelijke verplichtstelling voor SN.
[gedaagde] heeft ook niet onrechtmatig jegens SN gehandeld
3.35
De conclusie luidt op grond van het voorgaande dus dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst en dat zij ook de zorgvuldigheidsnorm van artikel 7:401 BW Pro niet heeft geschonden. SN heeft haar stelling dat [gedaagde] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld alleen gebaseerd op schending van deze zorgplicht. Nu van een dergelijke schending geen sprake is, is ook niet komen vast te staan dat [gedaagde] onrechtmatig jegens SN heeft gehandeld.
De vorderingen worden afgewezen
3.36
Dit betekent dat [gedaagde] niet aansprakelijk is voor de schade die SN stelt te hebben geleden. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen. Hetzelfde geldt voor de gevorderde buitengerechtelijke kosten.
De proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad
3.37
SN is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.820,00
3.38
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.39
De uitspraak wordt voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dat wil zeggen dat SN moet uitvoeren wat daar in staat, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1
wijst de vorderingen van SN af,
4.2
veroordeelt SN in de proceskosten van € 12.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als SN niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt SN in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
4.4
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:233 onder Pro a BW en artikel 6:234 lid 1 BW Pro.