Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3073

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
6 juni 2026
Zaaknummer
C/16/607338 / KG ZA 26-88
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming en betaling gebruiksvergoeding van bedrijfspand toegewezen

De eigenaar van een bedrijfspand ontdekte in 2024 dat een derde partij, zonder recht of titel, het pand gebruikte. Na een eerdere beschikking waarin werd vastgesteld dat deze gebruiker geen huurder was, vorderde de eigenaar ontruiming en betaling van een gebruiksvergoeding. De gebruiker betwistte het spoedeisend belang van de eigenaar.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de vordering tot ontruiming spoedeisend is en dat ook de geldvorderingen nauw daarmee verbonden zijn. De eigenaar had niet onredelijk lang gewacht met het starten van de procedure, aangezien zij eerst de uitkomst van een verzoekschriftprocedure had afgewacht.

De vorderingen werden toegewezen, waarbij de ontruimingstermijn werd verlengd tot veertien dagen vanwege de aanwezigheid van zware apparatuur die niet binnen drie dagen kon worden verwijderd. De gebruiker werd veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding vanaf april 2026 en tot vergoeding van de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de eigenaar het direct kan laten uitvoeren.

Uitkomst: De gebruiker wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van gebruiksvergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht, zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/607338 / KG ZA 26-88
Vonnis in kort geding van 26 mei 2026
in de zaak van

1.drs. [eiser sub 1] ,

wonend in [woonplaats] ,
2.
[eiseres sub 2],
wonend in [woonplaats] ,
3.
[eiseres sub 3],
wonend in [woonplaats] ,
4. ir.
[eiseres sub 4],
wonend in [woonplaats] ,
5. mr.
[eiseres sub 5],
wonend in [woonplaats] ,
6. mr.
[eiser sub 6],
wonend in [woonplaats] ,
7. dr.
[eiseres sub 7],
wonend in [woonplaats] ,
8. mr.
[eiseres sub 8],
wonend in [woonplaats] ,
rechtsgeldig vertegenwoordigd door
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna gezamenlijk te noemen: [eiseres] ,
advocaten: mr. A. Veltman en mr. E.K. Sneeuw,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. E. Doornbos.

1.De procedure

1.1
[eiseres] heeft [gedaagde] op 9 maart 2026 gedagvaard. Daarna vond een eerste mondelinge behandeling plaats op 18 maart 2026. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de zitting. De heer [A] is daar namens [eiseres] verschenen, samen met mrs. Sneeuw en Veltman. [gedaagde] is daarbij niet verschenen. De voorzieningenrechter heeft daarom verstek verleent tegen [gedaagde] . Op 19 maart 2026 heeft mr. Doornbos een e-mail gestuurd aan de rechtbank met het verzoek om een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling te plannen, zodat [gedaagde] haar verstek kan zuiveren. Daartegen heeft [eiseres] bezwaar gemaakt. Dat bezwaar heeft de voorzieningenrechter afgewezen, waarna er een nieuwe mondelinge behandeling plaatsvond op 11 mei 2026. De griffier heeft aantekeningen gemaakt tijdens de zitting. Daarbij zijn de heer [A] en mrs. Sneeuw en Veltman wederom verschenen. Namens [gedaagde] is verschenen de heer [B] , medewerker bij [gedaagde] . Hij werd bijgestaan door mr. Doornbos. Aan het eind van de zitting heeft de voorzieningenrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

[eiseres] is eigenaar van het pand aan de [adres] te [plaats] (hierna te noemen: het pand). Zij verhuurde het pand voorheen aan [bedrijf] B.V., maar is er in 2024 achter gekomen dat [gedaagde] daarvan gebruikmaakt. In de beschikking die op 12 november 2025 is gewezen (met zaaknummer 11815602 \ UE VERZ 25-226) heeft de kantonrechter bepaald dat [gedaagde] dat zonder recht of titel doet. [eiseres] wil dat [gedaagde] wordt veroordeeld om het pand binnen drie dagen te ontruimen en om een gebruiksvergoeding te betalen. [gedaagde] zegt dat [eiseres] geen spoedeisend belang heeft bij de ontruiming. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiseres] grotendeels toe, maar met een langere ontruimingstermijn.

3.De beoordeling

[eiseres] heeft spoedeisend belang bij haar vorderingen

3.1
Een vordering kan in kort geding alleen worden toegewezen als de eiser daarbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet kan afwachten. Dat is hier het geval, aangezien het gaat om een vordering tot ontruiming. Zo een vordering is naar zijn aard spoedeisend. Datzelfde geldt voor de geldvorderingen, omdat die nauw verbonden zijn aan de ontruiming. Dat wordt niet anders doordat [eiseres] lang heeft gewacht met het starten van een ontruimingsprocedure, zoals [gedaagde] zegt. [eiseres] heeft uitgelegd dat het enige tijd heeft geduurd om erachter te komen dat [gedaagde] degene was die haar pand gebruikte. Vervolgens heeft zij de uitkomst van de door [gedaagde] ingestelde verzoekschriftprocedure en de beroepstermijn daarvan afgewacht voordat zij dit kort geding startte. Het is dus niet zo dat [eiseres] zonder reden heeft stilgezeten. Zelfs als ze dat wel had gedaan, was dat bovendien niet zonder meer voldoende reden geweest om haar vorderingen af te wijzen. [1]
De vorderingen van [eiseres] zijn toewijsbaar
3.2
[eiseres] wil dat [gedaagde] wordt veroordeeld om het pand te ontruimen. Daarnaast heeft [eiseres] met stukken onderbouwd dat [gedaagde] voor haar gebruik van het pand geen vergoeding betaalt. [eiseres] zegt dat [gedaagde] daardoor ongerechtvaardigd ten koste van haar is verrijkt en [gedaagde] een (gebruiks)vergoeding van € 15.027,51 en € 4.760,94 per maand vanaf april 2026 aan haar verschuldigd is. Daartegen heeft [gedaagde] geen verweer gevoerd. Die vorderingen zullen daarom worden toegewezen. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de ontruiming toe te wijzen op een termijn van veertien dagen, omdat [gedaagde] tijdens de zitting heeft uitgelegd dat het ondoenlijk is om de zware printapparatuur in het pand binnen drie dagen te demonteren.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiseres] betalen
3.3
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Het salaris voor de advocaten van [eiseres] wordt op anderhalf keer het toepasselijke salaristarief van € 760,00 begroot, omdat [gedaagde] zonder voorafgaand bericht verstek heeft laten gaan op de eerste zitting en haar verstek de volgende dag heeft gezuiverd. Daardoor heeft [eiseres] onnodig kosten moeten maken om met haar advocaten twee keer op een zitting te moeten verschijnen. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
128,65
- griffierecht
3.083,00
- salaris advocaat
1.140,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.540,65
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.4.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat [eiseres] het vonnis direct kan (laten) uitvoeren, als [gedaagde] daaraan niet voldoet. [gedaagde] kan dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als er nog in hoger beroep moet worden beslist.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het pand met alle daar aanwezige personen en/of hen toebehorende goederen te ontruimen (en ontruimd te houden) en het pand leeg (voor zover het de spullen van [gedaagde] betreft) en schoon aan [eiseres] ter beschikking te stellen en de sleutels af te geven aan [eiseres] ;
4.2
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 15.027,51 aan verschuldigde gebruiksvergoeding over de periode tot en met maart 2026;
4.3
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 4.760,94 inclusief btw aan gebruiksvergoeding per maand vanaf 1 april 2026, steeds vanaf de datum van opeisbaarheid tot en met de maand waarin de (gerechtelijke) ontruiming zal plaatsvinden;
4.4
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.540,65, te vermeerderen met:
  • € 98,00 en de kosten van betekening;
  • de wettelijke rente
4.5
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Scharrenborg en in het openbaar uitgesproken 26 mei 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4553.
2.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.