De eigenaar van een bedrijfspand ontdekte in 2024 dat een derde partij, zonder recht of titel, het pand gebruikte. Na een eerdere beschikking waarin werd vastgesteld dat deze gebruiker geen huurder was, vorderde de eigenaar ontruiming en betaling van een gebruiksvergoeding. De gebruiker betwistte het spoedeisend belang van de eigenaar.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vordering tot ontruiming spoedeisend is en dat ook de geldvorderingen nauw daarmee verbonden zijn. De eigenaar had niet onredelijk lang gewacht met het starten van de procedure, aangezien zij eerst de uitkomst van een verzoekschriftprocedure had afgewacht.
De vorderingen werden toegewezen, waarbij de ontruimingstermijn werd verlengd tot veertien dagen vanwege de aanwezigheid van zware apparatuur die niet binnen drie dagen kon worden verwijderd. De gebruiker werd veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding vanaf april 2026 en tot vergoeding van de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de eigenaar het direct kan laten uitvoeren.