ECLI:NL:RBMNE:2026:3061

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
C/16/604742 / JL RK 25-911
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging uithuisplaatsing en wijziging zorgregeling wegens ouderonthechting en loyaliteitsconflict

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 7 mei 2026 een beschikking gegeven over een machtiging tot uithuisplaatsing en een wijziging van de zorgregeling van een minderjarige. De zaak betreft een langdurig loyaliteitsconflict waarbij het kind emotioneel verdeeld is tussen zijn ouders, met signalen van ouderonthechting. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om uithuisplaatsing bij de vader en een aanpassing van de zorgregeling naar een weekendregeling bij de moeder.

De moeder betwistte de aanwezigheid van ouderonthechting en stelde dat het kind traumabehandeling nodig heeft, terwijl de vader de verzoeken steunde. De Raad voor de Kinderbescherming onderschreef de zorgen van de GI. De rechtbank concludeerde dat de situatie schadelijk is voor het kind en dat de invloed van de moeder moet worden beperkt om het patroon van ouderonthechting te doorbreken.

De rechtbank verleende de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader tot 28 februari 2027 en wijzigde de zorgregeling zodat het kind eens per twee weken een weekend bij de moeder verblijft. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en de rechtbank houdt de definitieve zorgregeling aan, met een rapportageverplichting aan de rechtbank uiterlijk 30 december 2026.

Uitkomst: De rechtbank verleent machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader en wijzigt de zorgregeling naar een weekendregeling bij de moeder wegens ouderonthechting en loyaliteitsconflict.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummers: C/16/604742 / JL RK 25-911 (uithuisplaatsing)
C/16/604749 / JL RK 25-912 (zorgregeling)
Datum uitspraak:
Beschikking van de meervoudige kamer over een machtiging tot uithuisplaatsing en een wijziging van de zorgregeling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd in Almere,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
wonend in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. E. Lucas,
[de vader],
wonend in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vader.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 19 februari 2026 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 28 februari 2027 en de beslissing op de verzoeken over de machtiging tot uithuisplaatsing en de wijziging van de zorgregeling aangehouden tot een behandeling daarvan tijdens een zitting van de meervoudige kamer.
1.2.
De rechtbank heeft daarna op 13 april 2026 een brief met bijlagen van de moeder ontvangen.
1.3.
Op 23 april 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader;
  • [A] namens de GI;
- [B] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen de Raad).
1.4.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. Voorafgaand aan de vorige zitting heeft [minderjarige] een brief gestuurd aan de kinderrechter en hierover op 19 februari 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om [minderjarige] voorafgaand aan deze zitting opnieuw uit te nodigen voor een gesprek.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn samen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.3.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 17 juni 2025 een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld waarbij [minderjarige] per twee weken in een ritme van 5, 2, 2 en 5 dagen bij de moeder respectievelijk de vader zal verblijven,
inhoudende:
- woensdag in de even weken uit school naar de vader (de vader draagt zorg voor het ophalen van [minderjarige] uit school) tot maandagochtend bij de vader (de vader draagt zorg voor het brengen van [minderjarige] naar school), maandag uit school naar de moeder (de moeder draagt zorg voor het ophalen van [minderjarige] uit school) tot woensdagochtend bij de moeder (de moeder draagt zorg voor het brengen van [minderjarige] naar school), woensdag uit school naar de vader (de vader draagt zorg voor het ophalen van [minderjarige] uitschool) tot vrijdagochtend (de vader draagt zorg voor het brengen van [minderjarige] naar school), vrijdag uit school naar de moeder (de moeder draagt zorg voor het ophalen van [minderjarige] uit school) tot woensdagochtend naar school (de moeder draagt zorg voor het brengen van [minderjarige] naar school);
- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen verblijft [minderjarige] bij de vader, in nader onderling overleg te verdelen en zolang er een ondertoezichtstelling is onder regie van de GI.

3.De verzoeken

in de procedure met zaaknummer C/16/604742 / JL RK 25-911
3.1.
De GI verzoekt een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
in de procedure met zaaknummer C/16/604749 / JL RK 25-912
3.2.
De GI verzoekt de door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 17 juni 2025
vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen naar een
weekendregeling, waarbij [minderjarige] eens per twee weken een weekend bij zijn moeder
verblijft. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De GI heeft nog steeds grote zorgen over [minderjarige] en vindt dat de gestelde voorwaarden niet of onvoldoende behaald zijn. Er is namelijk nog steeds sprake van een loyaliteitsconflict waardoor [minderjarige] ernstig belast wordt. De ingezette hulp heeft daar onvoldoende verandering in kunnen brengen en daarom vindt de GI een ingrijpende maatregel nodig. Door het contact met de moeder te beperken tot een overzichtelijk en voorspelbaar kader, kan [minderjarige] positieve ervaringen opdoen bij de vader zonder druk of innerlijke worsteling. De GI vindt daarom dat [minderjarige] bij de vader moet gaan wonen.
4.2.
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de GI. Volgens de moeder is er geen sprake van ouderonthechting, maar is er bij [minderjarige] sprake van kind-signalen waarvoor hij traumabehandeling nodig heeft. De moeder is altijd de primaire opvoedfiguur geweest en het is dan ook logisch dat [minderjarige] erg op haar gericht is. Dat betekent echter niet dat zij [minderjarige] negatief beïnvloedt of onder druk zet. Een uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader is volgens de moeder echt niet in zijn belang. Nog los van dat hij dan wordt weggehaald bij de moeder als primaire hechtingsfiguur, vindt de moeder ook dat de vader niet goed genoeg voor [minderjarige] zorgt. Zo heeft de vader door zijn werk te weinig tijd voor [minderjarige] waardoor [minderjarige] vaak alleen is, bij anderen verblijft en zijn huiswerk niet altijd af heeft.
4.3.
Ondanks dat de vader het erg ingrijpend vindt voor [minderjarige] , staat hij achter de verzoeken van de GI. De vader heeft namelijk net als de GI zorgen over [minderjarige] . Inmiddels gaat het gelukkig wel goed met [minderjarige] als hij bij de vader is en is er geen sprake meer van agressie of ander groot verzet. Toch ziet de vader ook dat [minderjarige] nog steeds veel spanning ervaart en bijvoorbeeld het contact met zijn familie of hulpverleners afwijst. De vader heeft verder verteld dat als de verzoeken worden toegewezen, hij met zijn werk kan regelen dat hij genoeg beschikbaar is voor [minderjarige] en hem zo goed mogelijk zal opvangen. De vader hoopt vooral dat er verandering komt in de situatie en dat de moeder hem gaat vertrouwen zodat de ouders in het belang van [minderjarige] samen kunnen optrekken.
4.4.
De Raad begrijpt dat de GI wil ingrijpen omdat de inzet van hulpverlening geen verandering in de situatie heeft kunnen brengen. Toen de Raad onderzoek deed naar de noodzaak van een ondertoezichtstelling, waren deze zorgen over [minderjarige] er ook al. De hoop was toen dat een co-ouderschapsregeling de weerstand bij [minderjarige] zou doen afnemen. Helaas is dat onvoldoende gebeurd. De Raad merkt wel op dat deze eventuele beslissing voor [minderjarige] ingrijpend zal zijn en dat het daarom fijn is dat inmiddels een kindercoach betrokken is. Verder vindt de Raad het ook belangrijk dat de GI gaat kijken naar het perspectief van [minderjarige] op de langere termijn omdat hij over twee jaar naar de middelbare school zal gaan.

5.De beoordeling

De uithuisplaatsing
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [1] De rechtbank wijst het verzoek van de GI daarom toe en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met ingang van de datum van deze beschikking tot 28 februari 2027. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. Hierna wordt uitgelegd waarom de rechtbank deze beslissing neemt.
5.2.
De rechtbank maakt zich grote zorgen over [minderjarige] en over de situatie waar hij zich in bevindt. De afgelopen jaren is tijdens de ondertoezichtstelling gebleken dat hij wordt belast met de langdurige strijd en spanningen tussen zijn ouders en daardoor in een ernstig loyaliteitsconflict is beland. Ondanks dat de ouders inmiddels gezamenlijk met het gezag zijn belast en vorig jaar afspraken hebben gemaakt over een co-ouderschapsregeling, lijkt de situatie voor [minderjarige] niet beter te zijn geworden. In de beschikking van 19 februari 2026 heeft de rechtbank overwogen dat [minderjarige] nog steeds ontzettend klem zit tussen de ouders. Het is voor hem niet mogelijk om onbelast en positief contact met de vader te hebben. De moeder blijft hem namelijk (mogelijk onbewust) negatief beïnvloeden waardoor hij geen emotionele toestemming van zijn moeder ervaart om het leuk te hebben bij de vader en hij hem zelfs afwijst.
5.3.
Inmiddels heeft de GI geconcludeerd dat er sprake is van ouderonthechting. De GI baseert zich daarbij op eigen waarnemingen, maar ook op de sinds november 2024 ingezette gezinsbegeleiding door Praktijk Valida. Deze begeleiding heeft zich gericht op het verkrijgen van inzicht in de emotionele impact die de strijd tussen de ouders op [minderjarige] heeft en het creëren van ruimte voor onbelast contact tussen [minderjarige] en beide ouders. Volgens Praktijk Valida zijn er tijdens het traject signalen naar voren gekomen die duiden op ouderonthechting. Met ouderonthechting wordt bedoeld dat er een situatie ontstaat waarbij een kind emotioneel afstand doet van een ouder, vaak door een loyaliteitsconflict. Zo’n loyaliteitsconflict is volgens Praktijk Valida duidelijk zichtbaar bij [minderjarige] . Wanneer [minderjarige] over de vader spreekt, laat hij spanning zien en kijkt hij regelmatig naar zijn moeder. Dit wijst op innerlijke strijd waarbij hij zich enerzijds verbonden voelt met de vader, maar anderzijds het gevoel heeft loyaal te moeten blijven aan de moeder. Die spanning is een klassiek teken van ouderonthechting waarbij het kind zich verdeeld voelt tussen de ouders en niet de ruimte ervaart om een onbelaste relatie te hebben met hen beide. Dit is emotioneel erg belastend voor een kind en belemmert de ontwikkeling op sociaal en emotioneel vlak. Verder lijkt [minderjarige] zich ook ongemakkelijk te voelen bij het uiten van positieve gevoelens over zijn vader wanneer zijn moeder aanwezig is en blijft hij dingen benoemen dit niet goed zouden gaan bij de vader.
5.4.
De GI heeft verwezen naar Het Adviesrapport Expertteam Ouderverstoting/Complexe omgangsproblematiek uit 2021 en andere literatuur (Koppejan, e.a., 2020 en van Leuven, 2010) over het onderwerp ouderonthechting. Volgens de GI blijkt daaruit hoe schadelijk de gevolgen van ouderonthechting voor een kind kunnen zijn. Het gaat dan om gevolgen op de korte termijn zoals onrust, stress, verschillende en verwarrende boodschappen van beide ouders en schuldgevoelens. Op de lange termijn is er een grotere kans op bijvoorbeeld depressie, angst, onveilige hechting, minder zelfvertrouwen en een beschadigde identiteit. Ouderonthechting kan dus langdurige en ernstige consequenties hebben voor een kind. De rechtbank is het daarom met de GI en de Raad eens dat dit patroon doorbroken moet worden.
5.5.
De meest effectieve manier om dat te doen is door de ouders, of in dit geval de moeder, zo ver te krijgen dat zij intrinsiek overtuigd (gaan) zijn van het belang van ouder-kind contact en inzicht krijgen in hun eigen handelen en negatieve invloed. Dat is hier ondanks de inzet van hulpverlening in het dwangkader van de ondertoezichtstelling niet gelukt. De begeleiding bij de moeder thuis is moeizaam verlopen. Praktijk Valida heeft gerapporteerd dat een terugkerend patroon te zien was waarbij de moeder regelmatig beschuldigen uitte richting de vader. Niet is gebleken dat deze beschuldigen terecht zijn. Verder heeft zowel Praktijk Valida als de GI de ervaring dat de moeder continu een eigen draai geeft aan de informatie of de inhoud van de gesprekken met de gezinsbegeleiders of de gezinsvoogd. Dit zorgt voor veel verwarring en stagneert het proces van hulpverlening. De moeder blijft aangeven dat zij geen hulpvraag heeft en richt zich vooral op wat er bij de vader thuis niet goed zou gaan, zorgen die de GI niet deelt. Deze houding van de moeder heeft de rechtbank ook tijdens de zitting waargenomen. In de periode van maart 2025 tot en met december 2025 heeft ondanks vele pogingen daartoe, geen enkele afspraak tussen de gezinsbegeleiding en de moeder plaatsgevonden. De vader heeft zich juist meewerkend opgesteld en laten zien dat hij in het belang van [minderjarige] bereid is om hulp en ondersteuning te ontvangen. Door de houding van de moeder heeft Praktijk Valida in december 2025 moeten besluiten het traject te beëindigen. Ook de jeugdbeschermer heeft nog maar moeizaam contact met de moeder en [minderjarige] wil helemaal niet meer met de jeugdbeschermer in gesprek.
5.6.
Het is daarom niet te verwachten dat de inzet van hulpverlening de komende periode wel het gewenste resultaat zal hebben als er geen andere maatregelen worden getroffen. De rechtbank is van oordeel dat de invloed van de moeder op [minderjarige] de komende tijd sterk verminderd moet worden om een kans te creëren de situatie te herstellen. Door de GI en de hulpverlening is geconcludeerd dat het, behalve ten aanzien van de beschreven zorgen over de loyaliteitsproblematiek, bij beide ouders thuis goed is voor [minderjarige] . De moeder is door haar (ongefundeerde) angsten, zorgen en wantrouwen echter niet in staat om een voor [minderjarige] onbelast en fijn contact met de vader te faciliteren en werkt onvoldoende mee aan de geboden hulp, terwijl de vader heeft laten zien dat hij wel openstaat voor hulpverlening en in staat is een onbelaste zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder te faciliteren. Daarom vindt de rechtbank het voor [minderjarige] nu beter om bij de vader te gaan wonen. Hoewel dat een ingrijpende verandering voor [minderjarige] zal zijn, is de huidige situatie zo schadelijk voor hem dat de rechtbank dat net als de GI toch in zijn belang acht. Het is fijn voor [minderjarige] dat er inmiddels een kindercoach is ingezet voor hem. Niet helemaal duidelijk is of er bij [minderjarige] naast het loyaliteitsconflict sprake is van eigen problematiek, maar ook als dat niet zo is, kan hij hulp goed gebruiken om met deze lastige situatie om te gaan.
De zorgregeling
5.7.
De rechtbank wijst ook dit het verzoek van de GI toe en wijzigt de eerder vastgestelde zorgregeling in die zin dat [minderjarige] voorlopig eens per twee weken een weekend bij de moeder verblijft. De definitieve beslissing over de zorgregeling houdt de rechtbank aan. Hierna wordt uitgelegd waarom de rechtbank deze beslissing neemt.
5.8.
Uit de overwegingen over de uithuisplaatsing blijkt dat de rechtbank het net als de GI nodig vindt dat [minderjarige] meer rust krijgt in zijn leven en dat daarom het contact met de moeder voorlopig begrensd moet worden. De GI heeft uitgelegd dat een weekendregeling daarvoor op dit moment het meest passend is. Op die manier blijft er sprake van structureel contact tussen de moeder en [minderjarige] , maar is er naar verwachting voldoende afstand en rust om het huidige patroon van ouderonthechting te doorbreken. Daarbij is wel belangrijk dat de moeder zich tijdens de omgangsmomenten richt op fijn contact met [minderjarige] en niet op haar mogelijke onvrede of verdriet over deze beslissing. Anders bestaat de kans dat het contact nog verder ingeperkt moet worden.
5.9.
Het is aan de GI om de komende periode te monitoren of de uithuisplaatsing in combinatie met de gewijzigde zorgregeling het gewenste effect heeft. De rechtbank neemt daarom een voorlopige beslissing over de zorgregeling en houdt de definitieve beslissing aan. De rechtbank verzoekt de GI en de ouders uiterlijk op 30 december 2026 de rechtbank schriftelijk te informeren over het verloop van de voorlopige zorgregeling, de huidige stand van zaken en de gewenste voortgang van de procedure. De rechtbank kiest voor die termijn zodat een eventuele nieuwe zitting gepland kan worden voor het aflopen van de huidige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Mocht de GI in dat kader ook nog nieuwe verzoeken doen, dan kunnen de zaken gelijktijdig behandeld worden.
5.10.
De rechtbank merkt op dat zij alleen de reguliere zorgregeling wijzigt zodat de regeling ten aanzien van de vakanties en feestdagen in stand blijft. Dat betekent dat de ouders de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte moeten verdelen en dat zolang er een ondertoezichtstelling is, zij dat onder regie van de GI moeten doen.

6.De beslissing

De rechtbank:
in de procedure met zaaknummer C/16/604742 / JL RK 25-911
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met ingang de datum van deze beschikking tot 28 februari 2027;
6.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
in de procedure met zaaknummer C/16/604749 / JL RK 25-912
6.3.
wijzigt de bij beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 juni 2025 vastgestelde zorgregeling en stelt een voorlopige zorgregeling vast waarbij [minderjarige] om de week van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de moeder verblijft;
6.4.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
houdt de verdere beslissing over de zorgregeling aan en verzoekt de GI en de ouders de rechtbank uiterlijk op 30 december 2026 schriftelijk te informeren over het verloop van de voorlopige zorgregeling, de huidige stand van zaken en de gewenste voorgang van de procedure.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M. Weistra, mr. M.M. Janssen - Witteveen en mr. D. van Bloemendaal, kinderrechters, in samenwerking met mr. L. de Kroon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.