Eiser heeft bij de vestigingsdirecteur van een Penitentiaire Inrichting een verzoek ingediend om inzage in zijn inrichtingsdossier, met betrekking tot zijn overplaatsing. Na een primaire afwijzing en bezwaarprocedure reageerde verweerder niet tijdig op het bezwaar, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is om over het beroep te beslissen, ondanks dat het dossier onder tenuitvoerleggingsgegevens valt, omdat het beroep ziet op inzage en niet op de tenuitvoerlegging zelf. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat verweerder bij brief van 28 augustus 2023 schriftelijk heeft geweigerd een besluit te nemen, waarna eiser binnen zes weken beroep had moeten instellen.
Eiser heeft het beroep echter anderhalve week te laat ingediend en de rechtbank acht deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar, mede omdat eiser werd bijgestaan door professionele rechtshulp. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Wel wijst de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank zelf, en veroordeelt de Staat tot betaling van deze vergoeding en proceskosten.