ECLI:NL:RBMNE:2026:3039
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart zich onbevoegd inzake verzoek griffierechtvergoeding na intrekking beroep
Verzoeker heeft op 26 augustus 2024 beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht over een handhavingsverzoek. De rechtbank oordeelde in een tussenuitspraak dat het besluit in strijd was met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, waarna het college een nieuw besluit nam dat het verzoek opnieuw afwees. Verzoeker trok daarop zijn beroep in, mede naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank beoordeelt het verzoek tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €187,- dat verzoeker indiende bij de intrekking van zijn beroep. Volgens artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht moet het bestuursorgaan het griffierecht vergoeden als het beroep wordt ingetrokken vanwege tegemoetkoming, maar in dit geval is er geen sprake van tegemoetkoming omdat het handhavingsverzoek opnieuw werd afgewezen.
Daarom is het aan het college om te beslissen over de vergoeding van het griffierecht. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd om hierover uitspraak te doen. Het college heeft zich op het oordeel van de rechtbank beroepen, maar moet zelf een beslissing nemen. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 4 juni 2026 door rechter M. van der Knijff.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te beslissen over het verzoek tot vergoeding van griffierecht na intrekking van het beroep.