ECLI:NL:RBMNE:2026:303
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM bij vervolging buitenslapen in Utrecht wegens onevenredigheid
De zaak betreft een Roemeense man zonder vaste woon- of verblijfplaats die in november 2024 slapend werd aangetroffen onder een brug in Utrecht. Hij werd vervolgd voor het overtreden van het verbod op buitenslapen in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Utrecht. De kantonrechter verleende verstek omdat de verdachte niet aanwezig was.
De kantonrechter oordeelde dat de vervolging onevenredig en willekeurig was, omdat het OM geen afweging had gemaakt over de nut en noodzaak van strafrechtelijke vervolging, terwijl de gemeenteraad expliciet terughoudendheid beoogde bij handhaving van het buitenslaapverbod. Ook speelde de maatschappelijke context mee, waaronder moties van de Tweede Kamer en beleidsreacties van de staatssecretaris die het beboeten van dak- en thuislozen onwenselijk achten.
De kantonrechter stelde vast dat het dossier weinig informatie bevatte over de situatie van de verdachte en dat er geen aanwijzingen waren voor overlast of verstoring van de openbare orde. De vervolging werd gezien als een systeemmatige praktijk zonder individuele afweging, wat in strijd is met het verbod op willekeur. Daarom verklaarde de kantonrechter het OM niet-ontvankelijk in de vervolging.
De uitspraak benadrukt het belang van proportionele handhaving en het bieden van hulp aan dak- en thuislozen, en onderstreept dat strafrechtelijke vervolging alleen als laatste middel mag worden ingezet.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens evidente onevenredigheid en willekeur.