Art. 28 Huisvestingsverordening gemeente UtrechtArt. 33 Huisvestingsverordening gemeente Utrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing urgentieverklaring mantelzorg bij sociale huurwoning blijft in stand ondanks onjuiste onderbouwing
Eiser, die mantelzorg verleent aan zijn broer met diverse beperkingen, vroeg urgentie voor een sociale huurwoning dichter bij zijn broer om mantelzorg effectief te kunnen verlenen. Het college wees de aanvraag af omdat eiser niet voldeed aan de algemene voorwaarde dat een verhuizing binnen zes maanden noodzakelijk is, mede gebaseerd op een Wmo-advies dat de mantelzorg niet noodzakelijk achtte.
De rechtbank oordeelt dat het college onterecht het Wmo-advies als grondslag gebruikte, omdat dit advies niet concludent was over de mobiliteit van de broer. Hierdoor heeft het college niet aan zijn vergewisplicht voldaan. Dit maakt het beroep gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd.
Desondanks blijft de afwijzing van de urgentieverklaring in stand, omdat het college op andere gronden terecht concludeerde dat de mantelzorg niet zodanig noodzakelijk is dat een verhuizing binnen zes maanden vereist is. De rechtbank wijst erop dat mantelzorgtaken vooral sociale begeleiding betreffen en dat er voorliggende voorzieningen zijn. Ook is de hardheidsclausule niet van toepassing.
Eiser krijgt het griffierecht en proceskosten vergoed, maar het college hoeft geen nieuw besluit te nemen. De uitspraak is gedaan door rechter I. Helmich op 28 mei 2026.
Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de afwijzing van de urgentieverklaring blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4588
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
(gemachtigde: mr. W. van Beveren).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor urgentie bij de toewijzing van een sociale huurwoning. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de urgentieverklaring van eiser heeft mogen afwijzen, maar met een andere onderbouwing dan het college in het bestreden besluit heeft gebruikt. De afwijzing blijft daarom in stand. Maar omdat de onderbouwing door het college onjuist is, heeft eiser wel terecht beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser woont in Utrecht samen met zijn gezin. Zijn broer [A] woont op 5,6 kilometer afstand bij hun ouders. [A] heeft een visuele beperking, dwerggroei, persoonlijkheidsproblematiek en depressieve stoornissen en is daarom voor een deel van zijn dagelijkse verzorging, vervoer naar afspraken en dagbesteding afhankelijk van anderen. Eiser verleent sinds enige tijd mantelzorg aan zijn broer. Omdat hun ouders op leeftijd zijn wordt de dagelijkse hulp voor [A] voor hen lastiger. Volgens eiser is hij ongeveer 40 uur per week bezig met de mantelzorg van zijn broer.
3. Eiser heeft urgentie gevraagd als mantelzorgverlener en wil daarmee bereiken dat hij en zijn gezin dichterbij [A] kunnen gaan wonen. Op die manier kan hij in geval van calamiteiten tijdig bij [A] zijn en bespaart hij in andere gevallen reistijd, wat het mogelijk maakt om de zorg te blijven leveren naast zijn betaalde baan.
4. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 19 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
4.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Verzoek om heropening
5. Eiser heeft op 10 april 2026, na sluiting van het onderzoek op de zitting, een brief aan de rechtbank gestuurd waarin hij aangeeft dat hij in verband met persoonlijke omstandigheden uitstel wil vragen om het overzicht van de mantelzorg die hij verleent toe te sturen. Op 28 april 2026 heeft eiser aanvullende gegevens gestuurd aan de rechtbank. De rechtbank vat dit op als een verzoek om heropening van het onderzoek.
5.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. Op de zitting heeft het college aangegeven dat zij bereid is om eventuele nadere informatie van eiser over de inhoud en omvang van zijn mantelzorgtaken te bekijken om te bezien of dat kan leiden tot toewijzing van het verzoek om urgentie. Tijdens de zitting is afgesproken dat eiser nadere informatie naar het college zou sturen. De rechtbank heeft daarin toen geen reden gezien om het onderzoek te schorsen en de zaak aan te houden. Eiser heeft op 28 april 2026 alsnog nadere informatie opgestuurd. De brief van 10 april 2026, waarin eiser vraagt om uitstel, vormt alleen al daarom geen reden om het onderzoek te heropenen.
5.2.
De rechtbank vat het bericht van 28 april 2026 met nadere informatie op als een verzoek om heropening van het onderzoek. Dat verzoek wijst de rechtbank af. De informatie die eiser na sluiting van het onderzoek heeft opgestuurd is deels een nadere toelichting op de door hem verrichte mantelzorgtaken. Eiser heeft echter voldoende gelegenheid gehad om deze informatie te verstrekken voordat de rechtbank het onderzoek sloot. Hij licht in zijn verzoek van 10 april 2026 ook niet toe waarom hij deze informatie niet al eerder heeft verstrekt. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding het onderzoek te heropenen. Verder heeft eiser op 28 april 2026 ook informatie opgestuurd die ziet op de periode van na het bestreden besluit. Omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ‘ex-tunc’ (dus naar de toestand van toen) moet beoordelen, kan de rechtbank die informatie niet bij de beoordeling van het beroep betrekken. Ook daarin bestaat dus geen aanleiding om het onderzoek te heropenen.
5.3.
De brieven van 10 april 2026 en 28 april 2026 (met nadere informatie) worden daarom niet bij de beoordeling betrokken.
5.4.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de beslissing van de rechtbank om het onderzoek niet te heropenen, niet afdoet aan de toezegging van het college tijdens de zitting om nadere informatie te bekijken en te bezien of dit kan leiden tot toewijzing van het verzoek om urgentie. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat het college dat ook zal doen. Dat staat echter los van de beoordeling van de rechtbank van het beroep van eiser tegen het bestreden besluit. Het bestreden besluit
6. De aanvraag is afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de algemene voorwaarde van artikel 28 vanPro de Huisvestingsverordening gemeente Utrecht (Hvv). Meer specifiek gaat het om de voorwaarde onder f; dat een verhuizing binnen zes maanden noodzakelijk is. Het is aan de aanvrager om de noodzaak aan te tonen. Volgens het college is eiser daarin niet geslaagd. Ondanks dat eiser niet voldoet aan de algemene voorwaarden voor urgentieverlening, heeft het college ook nog gekeken naar specifieke voorwaarden voor urgentie bij mantelzorg (artikel 33 vanPro de Hvv). Het college komt tot de conclusie dat eiser ook niet voldoet aan deze eisen. Het college werpt eiser tegen dat niet is aangetoond dat sprake is van langdurige zorg (sub d en e). Dat volgt onvoldoende uit de verklaring van Mantelzorg Utrecht en het WMO-advies concludeert dat mantelzorg niet noodzakelijk is. De zorg kan namelijk door persoonlijke thuiszorg worden uitgevoerd. Voor zijn persoonlijke verzorging heeft [A] een indicatie van 5 uur en 15 minuten. Deze zorg wordt door zijn moeder geleverd. De broer van eiser heeft verder geen indicatie voor persoonlijke begeleiding, zodat de noodzaak daarvan niet is vast te stellen. Tot slot heeft het college geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule. Dat eiser gebaat is bij een sociale huurwoning in de buurt van zijn broer vindt het college begrijpelijk, maar dat laat onverlet dat aan strikte voorwaarden moet worden voldaan om voorrang te kunnen krijgen op de zeer krappe woningmarkt. Wat voert eiser aan in beroep?
7. Eiser voert als eerste aan dat [A] afhankelijk is van de door hem geboden mantelzorg en dat het dus wel degelijk noodzakelijk is om binnen zes maanden te verhuizen. Volgens eiser legt het college de algemene voorwaarden van artikel 28, aanhef en onder f, van de Hvv, dan ook verkeerd uit: het gaat niet om de noodzaak van verhuizen als abstract gegeven maar de noodzaak om mantelzorg binnen zes maanden effectief te kunnen verlenen, wat enkel mogelijk is bij een verhuizing. De beoordeling van de algemene voorwaarde kan dus niet los worden gezien van de criteria die specifiek worden gesteld voor een urgentie op basis van mantelzorg. Eiser heeft tijdens de zitting hierover aangevoerd dat is voldaan aan de specifieke mantelzorg-criteria van artikel 33 vanPro de Hvv (dat mantelzorg noodzakelijk is), en dat dit betekent dat dus ook is voldaan aan de algemene voorwaarden van artikel 28 vanPro de Hvv (dat verhuizing binnen zes maanden noodzakelijk is). Ten tweede betoogt eiser dat het Wmo-advies van 28 februari 2025 onjuistheden bevat. [A] heeft een verstandelijke beperking en kan niet zelfstandig naar buiten. Tot slot voert eiser aan dat verweerder heeft nagelaten om gemotiveerd te toetsen of zijn situatie valt onder de reikwijdte van de hardheidsclausule.
Heeft het college de aanvraag kunnen afwijzen?
8. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat niet is voldaan aan de algemene voorwaarde dat verhuizing binnen zes maanden noodzakelijk is (artikel 28, aanhef en onder f, van de Hvv). Het standpunt van het college komt in de kern erop neer dat volgens het Wmo-advies van 28 februari 2025 de mantelzorg niet noodzakelijk is, dit ook niet blijkt uit de door eiser overgelegde documenten en dat daarom verhuizing binnen zes maanden ook niet noodzakelijk.
9. Het Wmo-advies is een deskundigenadvies. Uit vaste rechtspraak volgt dat het bestuursorgaan een deskundigenadvies mag betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, indien het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld. Het college moet zich ervan vergewissen of het advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Dat betekent dat er bijvoorbeeld geen tegenstrijdigheden in het advies mogen staan en dat de conclusies van het advies logisch volgen op wat er daarvoor is vastgesteld. Het is aan eiser om met argumenten aan te geven waarom de inhoud van een advies onjuist is of waarom er iets anders mis mee is. Dit kan hij onderbouwen met stukken en eventueel met een advies van een andere deskundige (een contra-expertise).
10. De rechtbank is van oordeel dat het college bij de afwijzing van de aanvraag niet mocht uitgaan van het WMO-advies dat daaraan ten grondslag is gelegd. Eiser heeft er terecht op gewezen dat er kritische kanttekeningen te plaatsen zijn bij de omschrijving van de vermogens van [A] in dat advies. Zo staat er in het Wmo-advies dat [A] zelfstandig naar buiten kan. Dat lijkt alleen te gelden voor een scoot-mobiel en ziet dus op zeer korte afstanden. In het Wmo-advies staat verder dat [A] geen grote stappen kan maken, opstapjes lastig zijn, dat hij niet zelfstandig gebruik kan maken van de regiotaxi en dat hij begeleiding nodig heeft bij vervoer. Uit de overige delen van het Wmo-advies volgt dat [A] bij alles hulp nodig heeft. De conclusie in het Wmo-advies dat [A] zich zelfstandig kan verplaatsen, sluiten dan ook niet aan op deze bevindingen in het Wmo-advies. Het Wmo-advies is op dit punt dus niet concludent.
11. De rechtbank volgt eiser echter niet in zijn stelling dat het rapport onjuistheden bevat als het gaat om de verstandelijke vermogens van [A] . In het Wmo-advies staat dat er cognitief geen klachten zijn en dat er geen sprake is van een verstandelijke beperking waardoor [A] niet alleen zou kunnen zijn of niet alleen naar buiten zou kunnen gaan. Uit de overige stukken blijkt niet dat dit niet klopt. In het stuk van Baritméus staat weliswaar dat [A] een IQ heeft van 73 en dat hij moeilijk lerend is, maar dat betekent niet dat het Wmo-advies onjuist is.
12. Omdat gelet op het voorgaande de conclusie in het Wmo-advies over de reismogelijkheden van [A] niet logisch volgen uit de opgetekende feiten, heeft het college ten aanzien van dat advies naar het oordeel van de rechtbank niet aan zijn vergewisplicht voldaan. Het college heeft het WMO-advies in zoverre daarom niet aan haar besluitvorming ten grondslag mogen leggen. Het beroep is gelet hierop gegrond.
12. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven, gelet op de overige motivering van het besluit en het nader ingenomen standpunt in het verweerschrift. De rechtbank is van oordeel dat die motivering, samen met dat wat het college op zitting naar voren heeft gebracht, de conclusie kan dragen dat het voor eiser niet noodzakelijk is om voor de mantelzorg te verhuizen. Het college heeft in dit kader kunnen overwegen dat eiser geen stukken heeft overgelegd waaruit de omvang van de mantelzorgtaken blijkt en de tijd die hij daaraan spendeert. Verder wijst het college er terecht op dat er voor diverse mantelzorgtaken voorliggende voorzieningen zijn. Daarnaast heeft het college bij zijn afwijzing kunnen betrekken dat [A] bij zijn ouders woont en dat (in ieder geval) zijn moeder de nodige dagelijkse zorgtaken op zich neemt. Zij wordt daarvoor ook deels betaald uit een PGB. Uit de uitleg van eiser op zitting over zijn mantelzorgtaken volgt dat hij [A] met name begeleidt in zijn sociale leven. Hij brengt hem naar vrienden en familie, loopt een rondje met hem in het park, ruimt zijn kamer op en ze gamen samen. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen overwegen dat dit sociale activiteiten zijn die binnen een familie- of gezinsband als normaal kunnen worden bestempeld. Dat eiser daarmee zijn broer probeert te activeren en te begeleiden, ook gelet op zijn psychische gezondheid, maakt bovendien dat hij daar een budget voor zou kunnen aanvragen bij de gemeente. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat hiervoor een voorliggende voorziening beschikbaar is in de vorm van activerende begeleiding. De begeleiding en mantelzorg die [A] nodig heeft bij het vervoer heeft het college in het bestreden besluit weliswaar onvoldoende gemotiveerd, maar het college heeft in het verweerschrift en tijdens de zitting terecht erop gewezen dat [A] bij zijn ouders woont, dat zijn moeder hierin ook iets kan betekenen en dat er niet heel veel afspraken zijn waarbij begeleiding nodig is. Dat [A] voor het vervoer en naar buiten gaan volledig is aangewezen op eiser, is dan ook onvoldoende gebleken. Verder heeft het college zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de administratie van [A] niet zoveel tijd kost dat het noodzakelijk is om daarvoor te verhuizen. De rechtbank kan dat volgen.
12. Gelet op het voorgaande, volgt de rechtbank het standpunt van het college dat de mantelzorg niet noodzakelijk is en dat verhuizing binnen zes maanden daarom ook niet noodzakelijk is. Dat betekent dat het college naar het oordeel van de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat niet is voldaan aan de algemene voorwaarde uit artikel 28 vanPro de Hvv. Er bestaat daarom geen reden om een urgentie te verlenen. Het betoog van eiser dat het college de algemene voorwaarde van artikel 28 vanPro de Hvv verkeerd uitlegt en dat aan die algemene voorwaarde is voldaan als is voldaan aan de specifieke mantelzorg-criteria van artikel 33 vanPro de Hvv, leidt niet tot een andere conclusie over het ontbreken van de noodzaak van de verhuizing binnen zes maanden in het geval van eiser. De rechtbank gaat daarom hierop niet verder in.
12. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Anders dan eiser betoogt, heeft het college in het bestreden besluit gemotiveerd waarom de hardheidsclausule in zijn geval niet wordt toegepast. Eiser heeft ook in beroep geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat bij strikte toepassing van de Hvv sprake is van bijzondere hardheid. Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gelet op overweging 12 gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen hiervan in stand. Het college is namelijk wel tot de juiste uitkomst gekomen, namelijk dat eiser niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Eiser krijgt dus geen urgentieverklaring en het college hoeft ook geen nieuw besluit te nemen. Wel krijgt eiser het griffierecht terug en een vergoeding van zijn proceskosten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser vergoedt;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
De rechter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.