Werknemer, werkzaam als warranty engineer, meldde zich op 13 januari 2025 ziek. Op 9 december 2025 concludeerde de bedrijfsarts dat werknemer geen beperkingen meer had en adviseerde opbouw naar volledige urenbelasting binnen 4 tot 8 weken. Werkgever betaalde vanaf januari 2026 slechts 70% van het loon omdat zij meende dat werknemer langer dan 52 weken ziek was.
Werknemer vorderde in kort geding betaling van het ingehouden loon, stellende dat hij voor het verstrijken van het eerste ziektejaar hersteld was voor zijn eigen werk. De kantonrechter oordeelde dat het voldoende aannemelijk was dat werknemer niet langer dan 52 weken ziek was, mede op basis van het bedrijfsartsadvies, hersteldmelding en bevestigingen van de arbodienst.
Werkgever had geen geldige reden om de hersteldmelding te weigeren en had eerder een deskundigenoordeel moeten aanvragen. De kantonrechter veroordeelde werkgever tot betaling van het volledige loon vanaf 13 januari 2026, inclusief wettelijke verhoging en rente, en tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
De vordering werd toegewezen omdat werkgever onterecht het loon had verlaagd terwijl werknemer geschikt was voor zijn eigen werk. De kantonrechter verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wees het meer of anders gevorderde af.