ECLI:NL:RBMNE:2026:3017

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/16/608432 / JE RK 26-30
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 1:264 lid 1 BWArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing in ondertoezichtstelling

De moeder verzoekt de rechtbank om de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) betreffende de verzorging en opvoeding van haar minderjarige kind te laten vervallen. Zij stelt dat de aanwijzing onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, berust op een onjuiste feitelijke grondslag, onvoldoende concreet is en onevenredig is.

De vader en de GI verzetten zich tegen dit verzoek. De GI heeft duidelijke voorwaarden gesteld voor het contactherstel tussen de moeder en het kind, en benadrukt dat het herstelgesprek en de hulpverlening noodzakelijk blijven ondanks het feit dat moeder en kind contact hebben gehad.

De kinderrechter oordeelt dat de schriftelijke aanwijzing tijdig is aangevochten en dat de GI binnen haar bevoegdheid heeft gehandeld. De aanwijzing is voldoende gemotiveerd, zorgvuldig voorbereid en proportioneel. De moeder heeft tot op heden geen stappen gezet om mee te werken aan het hulpverleningstraject, ondanks meerdere uitnodigingen en afspraken.

Tijdens de zitting is gebleken dat inmiddels afspraken zijn gemaakt om het hulpverleningstraject te starten. De kinderrechter benadrukt het belang van een verantwoorde aanpak van het contactherstel in het belang van het kind. Het verzoek van de moeder wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing te laten vervallen wordt afgewezen omdat deze voldoende gemotiveerd en zorgvuldig is gegeven.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/608432 / JE RK 26-370
Datum uitspraak: 29 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. G.G. Kempenaars,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
de gecertificeerde instelling
SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND,
gevestigd te Utrecht,
hierna te noemen de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 maart 2026;
- het bericht van de vader van 9 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [A.] en [B.] , namens de GI.
1.3.
De vader is opgeroepen maar heeft voorafgaand aan de zitting laten weten dat hij niet aanwezig zou zijn.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn vader. Hij heeft contact met de moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 maart 2026 de ondertoezichtstelling en de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader (met gezag) verlengd tot 29 september 2026.
2.4.
De GI heeft op 27 februari 2026 aan de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
  • SAVE verwacht van moeder dat zij meewerkt aan de hulpverlening van [naam] en hier actief aan meedoet, de adviezen opvolgt en in de praktijk brengt.
  • SAVE verwacht dat moeder zelf [naam] belt om een nieuwe afspraak in te plannen en hierbij SAVE uitnodigt. Mocht het moeder niet lukken om dit te doen, verwacht SAVE van moeder dat zij SAVE hierover informeert, zodat SAVE de afspraak kan maken.
  • SAVE verwacht van moeder dat zij op de vervolgafspraken aanwezig is en zich actief inzet.

3.Het verzoek

3.1.
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI vervallen te verklaren. Aan dat verzoek legt zij onder meer ten grondslag dat de schriftelijke aanwijzing onvoldoende zorgvuldig is voorbereid, berust op een onjuiste feitelijke grondslag, onvoldoende concreet is geformuleerd en onevenredig is tot het daarmee te dienen doel. De moeder is in tegenstelling tot wat de GI beweert, bereid om mee te werken aan een hulpverleningstraject bij [naam] , mits er duidelijkheid bestaat over de inhoud en het doel van het traject.

4.De standpunten

4.1.
De vader is het niet eens met het verzoek van de moeder. Hij vindt de schriftelijke aanwijzing noodzakelijk en in het belang van [minderjarige] . De vader vindt het belangrijk dat er eerst wordt gewerkt aan de voorwaarden, zodat het contact tussen [minderjarige] en de moeder in de toekomst op een stabiele, veilig en verantwoorde manier kan plaatsvinden.
4.2.
De GI is het niet eens met het verzoek van de moeder. De GI heeft een jaar geleden duidelijke voorwaarden gesteld aan het contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder. Dat de moeder en [minderjarige] tegen de afspraken in wel contact met elkaar hebben, betekent niet dat het herstelgesprek en de hulpverlening niet meer nodig zijn. Hierover is via de mail en in de gesprekken steeds duidelijk gecommuniceerd naar de moeder.

5.De beoordeling

De beslissing
5.1.
De kinderrechter zal het verzoek van de moeder afwijzen. De kinderrechter legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Ontvankelijkheid
5.2.
Een ouder die met het gezag is belast kan de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. [1] De termijn hiervoor bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt. De kinderrechter stelt vast dat de schriftelijke aanwijzing van de GI is gedateerd op 27 februari 2026. De rechtbank heeft het verzoek van de moeder tijdig, namelijk op 12 maart 2026 ontvangen. De moeder is dan ook ontvankelijk in haar verzoek.
Bevoegdheid GI
5.3.
Als een ouder niet wil meewerken aan de (uitvoering van de) ondertoezichtstelling, dan kan de GI die ouder een schriftelijke aanwijzing geven die ziet op de verzorging en opvoeding van de minderjarige. [2] In dit geval heeft de GI een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder, waarin voorwaarden worden gesteld in het kader van de ondertoezichtstelling. In zoverre past dit binnen de gegeven bevoegdheid van de GI.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing voldoende is gemotiveerd, zorgvuldig is voorbereid en terecht is gegeven. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.5.
Kort na de uithuisplaatsing van [minderjarige] zijn door de GI voorwaarden opgesteld voor het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] . Vanwege de incidenten die hebben plaatsgevonden, is de GI van mening dat de moeder eerst mee moet werken aan een herstelgesprek met [minderjarige] onder begeleiding van de hulpverlening. Daarnaast dient de moeder hulpverlening bij [naam] te gaan volgen die gericht is op de systemische problematiek en het verdere contact tussen [minderjarige] en de moeder. De GI heeft via de mail en in het gesprek van 4 november 2025 duidelijk aan de moeder de inhoud en het doel van deze hulpverlening gecommuniceerd. De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing begrijpelijk is geformuleerd en toegelicht en dat daarmee ook de opdracht aan [naam] voldoende concreet is gemotiveerd.
5.6.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig is voorbereid. Nadat hierover onduidelijkheid was ontstaan bij de moeder, heeft de GI opgehelderd dat er wel degelijk vanuit de GI een opdracht ligt om bij [naam] hulpverlening te volgen. Hierna heeft de GI op 15 januari 2026 en op 27 januari 2026 een afspraak ingepland bij [naam] . Ondanks het bericht vanuit de GI dat de moeder op deze afspraken werd verwacht, ook als [minderjarige] niet aanwezig zou zijn, is de moeder niet komen opdagen. Op 13 februari 2026 heeft de GI een aankondiging van de schriftelijke aanwijzing verstuurd, met daarin een laatste mogelijkheid voor de moeder om binnen een week opnieuw (zelf) een afspraak te plannen bij [naam] . Door hier geen gevolg aan te geven, heeft de moeder de indruk gewekt dat zij niet bereid is om mee te werken aan de hulpverlening. Dat de moeder stelt dat dit niet zo is en dit anders heeft opgevat, maakt dit niet anders. Alhoewel de moeder zegt dat zij zeker bereid is het traject bij [naam] aan te gaan, heeft zij hier tot nu toe geen stappen voor gezet. De kinderrechter acht de schriftelijke aanwijzing dan ook proportioneel en begrijpt dat de GI de schriftelijke aanwijzing heeft gegeven.
Tijdens de zitting hebben de GI en de moeder aangegeven dat zij inmiddels de afspraak hebben gemaakt om het hulpverleningstraject op korte termijn bij [naam] te starten. De kinderrechter vindt het fijn dat dit in overleg is opgelost. Ook wanneer blijkt dat een herstelgesprek of andere hulp niet noodzakelijk is, is het in het belang van [minderjarige] om het contactherstel op verantwoorde wijze aan te pakken.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.J. van der Weide, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026, in aanwezigheid van mr. P. S. Bamberg als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [3]

Voetnoten

1.Artikel 1:264 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 1:263 BW Pro.
3.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).