Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3003

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/2505
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken procesbelang bij handhavingsverzoek

Op 15 oktober 2025 zijn verkeersmaatregelen getroffen bij Winkelcentrum Overvecht in Utrecht. Verzoeker diende op 10 december 2025 een handhavingsverzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Na het uitblijven van een beslissing, diende verzoeker op 31 maart 2026 een beroep wegens niet tijdig beslissen in, samen met een verzoek om voorlopige voorziening.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van 8 april 2026 van het college geen besluit vormt op het handhavingsverzoek. De voorzieningenrechter beoordeelt vervolgens dat verzoeker geen procesbelang meer heeft bij het verzoek om voorlopige voorziening, omdat de rechtbank het college reeds heeft opgedragen binnen twee weken te beslissen op het handhavingsverzoek.

Daarnaast merkt de voorzieningenrechter op dat het college geen verkeersbesluiten heeft genomen voorafgaand aan de verkeersmaatregelen, waardoor de bestuursrechter niet bevoegd is om inhoudelijk te oordelen over deze maatregelen. Verzoeker kan zich hiervoor tot de civiele rechter wenden.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2505

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.

Inleiding

Op 15 oktober 2025 zijn er verkeersmaatregelen getroffen op of rond het parkeerterrein bij Winkelcentrum Overvecht, nabij de Jonkvrouw Sanderijndreef in Utrecht. Verzoeker heeft op 10 december 2025 een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Verzoeker heeft op 31 maart 2025 een beroep wegens niet tijdig beslissen ingediend en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Het college heeft op 8 april 2026 een brief gestuurd die het heeft aangemerkt als besluit. De rechtbank heeft bij uitspraak van vandaag in de zaak UTR 26/2506 het beroep niet tijdig beslissen gegrond verklaard, omdat de brief van 8 april 2026 niet aan te merken is als een besluit op het handhavingsverzoek van verzoeker.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening moet worden beoordeeld of verzoeker nog een procesbelang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker geen procesbelang meer heeft bij het verzoek om voorlopige voorziening. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker heeft willen bespoedigen dat het college een beslissing neemt op zijn handhavingsverzoek. De rechtbank heeft in haar uitspraak over het beroep tegen het niet tijdig beslissen het college de opdracht gegeven om binnen twee weken een beslissing te nemen op het handhavingsverzoek van verzoeker. Daarvoor is het dus niet meer nodig om een voorziening te treffen.
6. Verzoeker vraagt in het verzoek om voorlopige voorziening expliciet om de voorziening waar punt 5 van deze uitspraak over gaat. Voor zover verzoeker heeft bedoeld om met het verzoek om voorlopige voorziening ook te bereiken dat de verkeersmaatregelen worden teruggedraaid, merkt de voorzieningenrechter het volgende op. Het college heeft geen verkeersbesluiten genomen voorafgaand aan het nemen van de verkeersmaatregelen. Omdat er nog geen besluiten zijn genomen, is de bestuursrechter niet bevoegd om een inhoudelijk oordeel te geven over de genomen verkeersmaatregelen. Totdat er besluiten zijn genomen kan verzoeker daarvoor als hij dat wil terecht bij de civiele rechter.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het wat hiervoor staat is het niet meer nodig om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Gezien de uitspraak over het beroep niet tijdig beslissen ziet de rechtbank wel aanleiding om te bepalen dat het college het betaalde griffierecht aan verzoeker moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.