Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:3002

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
UTR 26/2506
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4:13 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College moet alsnog besluit nemen op handhavingsverzoek verkeersmaatregelen

Eiser heeft op 10 december 2025 een handhavingsverzoek ingediend tegen verkeersmaatregelen die volgens hem zonder wettelijke grondslag zijn genomen. Het college had uiterlijk 4 februari 2026 moeten beslissen, maar heeft deze termijn overschreden. Eiser stelde het college op 6 februari 2026 in gebreke.

Op 8 april 2026 stuurde het college een brief die het als besluit aanmerkte, maar de rechtbank oordeelt dat deze brief geen besluit is op het handhavingsverzoek. De brief interpreteert het verzoek als een aanvraag voor verkeersbesluiten, terwijl eiser handhavend optreden tegen de feitelijke maatregelen eist.

De rechtbank concludeert dat het college nog geen besluit heeft genomen en draagt het op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog te beslissen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 en stelt de reeds opgelopen dwangsom vast op €1.442. Het college moet ook het griffierecht van €200 aan eiser vergoeden.

Uitkomst: Het college moet binnen twee weken alsnog een besluit nemen op het handhavingsverzoek en een dwangsom betalen wegens overschrijding van de beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2506

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek van 10 december 2025. Daarbij heeft eiser verzocht om handhavend op te treden tegen verkeersmaatregelen die naar eisers mening zonder wettelijke grondslag zijn aangebracht.
Op 8 april 2026 heeft het college een brief gestuurd aan eiser, waarbij is aangegeven dat het handhavingsverzoek is opgepakt als een verzoek om verkeersbesluiten te nemen. Het college heeft deze brief aangemerkt als een besluit.
Eiser heeft op 22 april, 4 mei en 6 mei 2026 laten weten dat hij het niet eens is met de brief van het college en dat hij zijn beroep niet intrekt.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1] Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
Heeft het college een besluit genomen?
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft op 10 december 2025 een handhavingsverzoek ingediend. Het college moet binnen acht weken beslissen op dat verzoek. Dat staat in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb. Het college had dus uiterlijk op 4 februari 2026 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser het college op 6 februari 2026 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Het college heeft op 8 april 2026 een brief gestuurd die het heeft aangemerkt als besluit. In deze brief is het handhavingsverzoek opgevat als een verzoek om verkeersbesluiten te nemen. Volgens eiser is met deze brief niet tegemoetgekomen aan zijn handhavingsverzoek. Door het verzoek aan te merken als een verzoek om verkeersbesluiten te nemen, wordt miskend wat de strekking is van eisers handhavingsverzoek. Eiser heeft namelijk verzocht om op te treden tegen feitelijke en juridische maatregelen die zonder deugdelijke besluitvorming zijn genomen.
5. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 8 april 2026 niet aan te merken is als een besluit [2] op het verzoek van eiser. Eiser heeft immers verzocht om handhavend op te treden tegen de verkeersmaatregelen, waaronder het verminderen van het aantal parkeerplaatsen en het volledig afsluiten van het doorgaand autoverkeer door het plaatsen van meerdere afsluitpalen op de middelste voetgangersoversteekplaatsen. Eiser heeft daarbij gewezen op de gevolgen, waaronder gevaarlijk rijgedrag, slechtere bereikbaarheid voor hulpdiensten en verminderde toegankelijkheid van de mindervalidenparkeerplaatsen. Het gaat eiser dus niet alleen om het ontbreken van onderliggende verkeersbesluiten, hij wil dat (op korte termijn) handhavend wordt opgetreden. In de brief van 8 april 2025 is geen besluit genomen op dat handhavingsverzoek.
6. De rechtbank merkt daarbij ten overvloede nog op dat ook als het college het verzoek had mogen opvatten als een verzoek om verkeersbesluiten te nemen (wat dus niet het geval is), de brief van 8 april 2025 ook niet aan te merken is als een besluit daarover. In de brief van 8 april 2025 is namelijk geen verkeersbesluit genomen, maar wordt slechts een aankondiging gedaan dat er een verkeersbesluit wordt voorbereid voor de fysieke afsluiting.
7. De rechtbank concludeert dat er nog niet is beslist op het handhavingsverzoek van eiser.
Wat moet er nu gebeuren?
8. Omdat het college nog geen besluit heeft genomen op het handhavingsverzoek van eiser, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Als uitgangspunt geldt op basis van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb dat de termijn hiervoor twee weken na het verzenden van de uitspraak is. In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. [3] De rechtbank ziet geen aanleiding om de termijn te verlengen en stelt de beslistermijn vast op de standaardtermijn van twee weken na verzending van deze uitspraak.
9. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee deze beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Bestuurlijke dwangsom
10. Eiser heeft verzocht om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [4]
11. De beslistermijn eindigde op 4 februari 2026, en eiser heeft het college op 6 februari 2026 in gebreke gesteld. Omdat er inmiddels al 42 dagen zijn verstreken sinds het college in gebreke is, stelt de rechtbank de dwangsom vast op het maximale bedrag van € 1.442,-
Conclusie
12. Het beroep is kennelijk gegrond.
13. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- stelt de door het college te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan eiser vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb.
3.Op basis van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
4.Artikelen 4:17 en 4:18, eerste lid, van de Awb.