Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2999

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
UR 25/4544
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.3 WhtWet hersteloperatie toeslagenWet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op aanvullende schadevergoeding toeslagenaffaire wegens ontbreken causaal verband

Eiseres, gedupeerde van de toeslagenaffaire, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van Dienst Toeslagen over de aanvullende werkelijke schadevergoeding. Dienst Toeslagen had op basis van advies van de Commissie Werkelijke Schade (CWS) een bedrag van in totaal € 23.226,- toegekend, maar eiseres betwistte de hoogte hiervan, met name de niet-vergoede inkomensschade en schade door verkoop van haar woning.

De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen de schadevergoeding juist heeft vastgesteld. De medische gegevens tonen aan dat eiseres al vóór de terugvorderingen ziek was, waardoor geen causaal verband met de toeslagenaffaire kan worden aangenomen. Ook het inkomensoverzicht laat geen wezenlijke achteruitgang zien. Daarnaast is onvoldoende onderbouwd dat de verkoop van de woning in 2016 het gevolg is van de toeslagenproblematiek, mede gezien de problematische schuldsituatie en de scheiding van eiseres.

De rechtbank concludeert dat Dienst Toeslagen terecht heeft geoordeeld dat de aanvullende schadevergoeding niet hoger moet zijn dan toegekend. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de aanvullende schadevergoeding is ongegrond verklaard wegens ontbreken van causaal verband.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4544

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , Turkije, eiseres

(gemachtigde: mr. M.A.L. van de Glind),
en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Maachi)

Waar gaat deze zaak over?

Deze uitspraak gaat over de aanvullende werkelijke schadevergoeding dat Dienst Toeslagen heeft uitgekeerd na advies van de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Eiseres heeft op 22 mei 2021 een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend. Op 23 juni 2022 heeft Dienst Toeslagen een bedrag van in totaal € 14.699,- toegekend. Bij het bestreden besluit van 18 juni 2025 heeft Dienst Toeslagen een aanvullend bedrag van € 8.527,- toegekend.
Eiseres is het niet eens met de hoogte van de schadevergoeding en heeft beroep ingesteld.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, eiseres, [A] (de ex-partner van eiseres), A. Arpat als tolk en mr. S. Maachi en mr. F. Tarrahi als gemachtigden van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen de hoogte van de aanvullende schadevergoeding juist heeft vastgesteld
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Aanvraag
2. Eiseres is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft een compensatie kinderopvangtoeslag van in totaal € 32.321,- ontvangen. Daarna heeft eiseres zich op 22 mei 2021 gemeld voor vaststelling en vergoeding van werkelijke schade.
Bestreden besluitvorming
3. CWS heeft beoordeeld of sprake is van aanvullende schade, hoe hoog die schade is en of er causaal verband is tussen de geleden schade en de handelswijze van Dienst Toeslagen. CWS heeft op 29 maart 2022 advies gegeven aan Dienst Toeslagen. Dienst Toeslagen heeft op basis van het advies van CWS een bedrag van € 14.699,- aan aanvullende compensatie uitgekeerd. In het bestreden besluit is een aanvullend bedrag van € 8.527,- toegekend en is toegelicht hoe de bedragen zijn opgebouwd. Ten aanzien van de materiële vergoeding voor inkomensschade heeft Dienst Toeslagen beoordeeld dat er geen reden is om inkomensschade te vergoeden. Volgens CWS is onvoldoende aannemelijk dat de mededeling van de Belastingdienst dat zij geld moest terugbetalen de enige dan wel de belangrijkste oorzaak is van de ziekte van eiseres, waardoor zij in de Ziektewet is beland. Verder heeft eiseres volgens CWS niet aannemelijk gemaakt dat de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag (KOT) hebben geleid tot de verkoop van de woning. Eiseres heeft namelijk geen concrete informatie verstrekt over de reden van verkoop van de woning in 2016. Dat wordt daarom niet meegewogen in de materiële schadevergoeding. In het bestreden besluit is Dienst Toeslagen bij zijn standpunten gebleven.
Gronden beroep
4. Eiseres is het – samengevat weergegeven – niet eens met de hoogte van de berekening van de materiële schadevergoeding omdat daarbij haar inkomensschade en de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verkoop van haar huis in [plaats] niet zijn meegenomen. Volgens eiseres is er wel sprake van een causaal verband tussen de toeslagenaffaire en deze schadeposten.
Toetsingskader
5. In artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), is bepaald dat aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid en met zevende lid, op aanvraag door Dienst Toeslagen aanvullende compensatie voor de werkelijke schade wordt toegekend.
6. De aanvrager van de compensatie hoeft zijn schade niet te bewijzen, maar moet wel aannemelijk en concreet maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade het toegekende compensatiebedrag te boven gaat. Als hij daarin slaagt heeft hij op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht in beginsel recht op door hem aangevraagde aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Dienst Toeslagen moet bij zijn besluit op de aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade aansluiting zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Hetzelfde geldt voor de bestuursrechter bij de toetsing van een dergelijk besluit. Dat betekent dat de bestuursrechter de aansprakelijkheid voor de schade en de omvang daarvan ten volle toetst, uitgaande van wat daarover tussen Dienst Toeslagen en de aanvrager in geschil is. [1]
7. Het schadekader dat sinds juli 2024 wordt toegepast door de CWS, en ook in het bestreden besluit is gehanteerd, is neergelegd in ‘De werkwijze en het schadekader van de Commissie Werkelijke Schade’ [2] (Schadekader CWS). In dit document is aangegeven hoe de immateriële schade en materiële schade worden berekend aan de hand van diverse bouwstenen en kostenposten.
Oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen reden is om meer schade te vergoeden dan al is uitgekeerd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Inkomensschade door medische situatie
9. Eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van een aannemelijk causaal verband tussen haar inkomensdaling en de KOT-terugvorderingen. Eiseres stelt dat zij rond 2010 te maken kreeg met een forse inkomensdaling. Volgens eiseres hing dat samen met terugvorderingen, druk van de Belastingdienst en onzekerheid over de KOT. Eiseres stelt dat Dienst Toeslagen niet heeft uitgelegd waarom niet ten minste aannemelijk is dat de toeslagenproblematiek heeft bijgedragen aan die situatie. Het besluit is daarom volgens haar in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
10. Dienst Toeslagen heeft verwezen naar medische informatie waaruit blijkt dat eiseres al in 2007/2009 medische klachten had, waaronder overbelasting, hyperventilatie, hypertensie en cardiologische klachten. Dit heeft eiseres niet weersproken. Eiseres heeft ter zitting wel gesteld dat zij in 2009 alleen schouderklachten heeft gehad, en dat zij in 2011 aan het re-integreren was. Doordat de Dienst Toeslagen geld ging terugvorderen, kreeg zij stress en kon zij niet goed herstellen, zo stelt eiseres. De stellingen van eiseres komen niet overeen met de hiervoor weergegeven informatie. Ook blijkt uit het dossier dat eiseres vanaf 2011 eiseres een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) heeft ontvangen. Voor de toekenning van een WIA-uitkering moet 104 weken op onafgebroken wijze sprake zijn geweest van een ziektewetuitkering dan wel loondoorbetaling door de werkgever. Eiseres heeft geen informatie overgelegd waaruit volgt wanneer zij ziek is uitgevallen. Dienst Toeslagen gaat er daarom vanuit dat eiseres al vanaf 2009 ziek moet zijn geweest.
11. Gelet op de medische informatie en de omstandigheid dat eiseres vanaf 2011 een WIA-uitkering heeft gekregen, moet het ervoor gehouden worden dat eiseres al tussen 2007 en 2009 ziek moet zijn geworden. Deze jaren liggen ver voor het moment waarop Dienst Toeslagen voor het eerst geld heeft teruggevorderd. Dat was namelijk in oktober 2012. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat Dienst Toeslagen terecht tot de conclusie is gekomen dat de medische klachten die eiseres heeft gehad, niet zijn ontstaan als gevolg van de toeslagenaffaire. Dit heeft Dienst Toeslagen voldoende gemotiveerd in het bestreden besluit. Voor zover er al sprake is van inkomensschade als gevolg van ziekte, is daarom onvoldoende aannemelijk dat dat komt door de toeslagenaffaire.
12. Daarnaast is ook niet gebleken dat eiseres is achteruit gegaan in haar inkomen door de toeslagenaffaire. Uit het overzicht dat Dienst Toeslagen in het verweerschrift heeft opgenomen, blijkt dat eiseres in de periode van 2010 tot 2020 niet wezenlijk achteruit is gegaan in haar inkomen, maar dat in de loop der jaren het inkomen van eiseres nagenoeg gelijk is gebleven en uiteindelijk zelfs iets is gestegen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Inkomensschade door verkoop van woning
13. Verder heeft eiseres aangevoerd dat sprake is van schade door de verkoop van de eigen woning van eiseres en haar ex-partner in [plaats] . Dienst Toeslagen heeft ten onrechte informatie gevraagd over de hypotheekachterstand ten tijde van de verkoop in 2016. Het is volgens eiseres onredelijk om haar te verwijten dat er inmiddels geen stukken meer zijn uit 2016. Eiseres is in 2017 toegelaten tot de schuldsanering, waarin de schuld aan de KOT is opgenomen. Dat maakt het volgens eiseres aannemelijk dat de verkoop van de woning en de schuldensituatie mede het gevolg waren van de toeslagenproblematiek.
14. Dienst Toeslagen heeft ter zitting aangegeven dat eiseres en haar ex-partner toentertijd in een problematische schuldenpositie hebben gezeten. De totale schuld was bijna € 200.000,-. Eiseres heeft dit niet weersproken. De totale schuld aan de Dienst Toeslagen was € 27.000,-, dit is maar een klein deel van de totale schuld. Daarnaast heeft eiseres zelf verklaard dat zij de woning in [plaats] moest verkopen om te kunnen worden toegelaten tot het schuldsaneringstraject op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp). Ook heeft eiseres verklaard dat er in die periode vanaf 2014 tot het moment dat zij en haar ex-partner zijn toegelaten tot de Wsnp meer aan de hand was. Eiseres en haar ex-partner zijn in 2014 uit elkaar gegaan, wat heeft geleid tot hogere woonlasten. Eiseres moest daarna namelijk haar woonlasten zelf betalen, in plaats van dat zij dat samen deed met haar ex-partner.
15. Dienst Toeslagen heeft gelet op het voorgaande niet kunnen vaststellen dat de schade als gevolg van de verkoop van de woning het gevolg is geweest van het handelen van de Dienst Toeslagen. Eiseres heeft ook niet nader onderbouwd dat het anders ligt. Anders dan eiseres stelt is het niet onredelijk om dat van eiseres te verlangen omdat eiseres zelf heeft gevraagd om schadevergoeding. De rechtbank is daarom van oordeel dat Dienst Toeslagen terecht tot de conclusie is gekomen dat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een causaal verband tussen schade als gevolg van de verkoop van de woning van eiseres in [plaats] en de toeslagenaffaire. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RVS:2023:3620, r.o. 15.3.
2.Te raadplegen via www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties.