Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
hierna te noemen: de veroordeelde.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 29 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin de veroordeelde werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en handel in cocaïne. De ontnemingsvordering van de officier van justitie betrof een bedrag van €54.179,27, gebaseerd op een aandeel van 15% in het totale geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van €361.195,12.
De verdediging voerde aan dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel onjuist was en stelde een lagere schatting voor, gebaseerd op een kleinere rol van de veroordeelde als dealer en een kortere periode van handel. De rechtbank heeft de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel getoetst aan de hand van een notitie uit een dealertelefoon die een weekoverzicht van transacties bevatte, en heeft deze als uitgangspunt genomen voor extrapolatie over de bewezenverklaarde periode van 350 dagen.
De rechtbank concludeerde dat de totale opbrengst van de cocaïnehandel €360.800 bedroeg, met kosten van €135.093,28, wat resulteerde in een wederrechtelijk verkregen voordeel van €225.706,72. Op basis van de rolverdeling werd aan de veroordeelde een aandeel van 15% toegerekend, wat neerkomt op €30.778,19. De rechtbank legde de betalingsverplichting van dit bedrag aan de Staat op en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 307 dagen.
De uitspraak is gewezen door de meervoudige kamer, waarbij mr. Verboom niet medeondertekende. De rechtbank verwierp de bezwaren van de verdediging tegen de berekeningswijze en bevestigde de ontnemingsmaatregel als passend en proportioneel.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €30.778,19 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.