Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2986

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
12182024 \ UV EXPL 26-90
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 7:629 BWArt. 7:629a BWArt. 130 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loondoorbetaling bij ziekte bij structureel lagere arbeidsomvang dan contractueel overeengekomen

Eiseres trad op 1 oktober 2025 in dienst bij gedaagde op basis van een uitzendovereenkomst voor 18 uur per week. Na ziekmelding vorderde zij loondoorbetaling op basis van 18 uur, terwijl gedaagde stelde dat de feitelijke arbeidsomvang structureel lager was. De kantonrechter stelde vast dat de gemiddelde arbeidsomvang 9,9 uur per week bedroeg en dat eiseres recht had op 90% loondoorbetaling conform de cao NBBU.

De datum van ziekmelding was betwist; eiseres stelde 7 december 2025, gedaagde 8 januari 2026. De kantonrechter oordeelde dat de officiële ziekmelding pas op 8 januari 2026 stond vast, omdat er geen objectieve medische gegevens waren die de eerdere ziekmelding ondersteunden.

Eiseres vorderde betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging en rente. Gedaagde had een deel van het loon betaald, maar te laat. De kantonrechter veroordeelde gedaagde tot betaling van de wettelijke verhoging en rente over het te laat betaalde loon, en tot doorbetaling van het loon vanaf mei 2026 op basis van 9,9 uur per week tegen 90% van het uurloon. De gevorderde dwangsom werd afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: Gedaagde moet loon doorbetalen op basis van 9,9 uur per week tegen 90% van het uurloon vanaf 8 januari 2026 en wettelijke verhoging en rente betalen over te laat betaald loon.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12182024 \ UV EXPL 26-90 BJvd/61169
Vonnis in kort geding van 21 mei 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonend in [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. F. Özer,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. Z.N. Aliar.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 13,
- aanvullende producties 14 tot en met 25 van [eiseres] ,
- de akte eisvermeerdering van [eiseres] met productie 26,
- producties 1 tot en met 5 van [gedaagde] ,
- de pleitnota van [eiseres] ,
- de pleitnota van [gedaagde] .
1.2
Op 7 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij is mevrouw [eiseres] verschenen met haar gemachtigde mr. F. Özer. Namens [gedaagde] is verschenen de heer [A.] , mede-eigenaar en bestuurder van [gedaagde] , met gemachtigde mr. Z.N. Aliar. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiseres] is op 1 oktober 2025 voor de duur van twaalf maanden op basis van een uitzendovereenkomst in dienst getreden bij [gedaagde] . Het overeengekomen uurloon van [eiseres] is € 24,92. Na enige tijd heeft [eiseres] zich ziekgemeld. [eiseres] vordert in deze procedure onder andere betaling van achterstallig loon en doorbetaling van haar loon op basis van een 18-urige werkweek. De kantonrechter is met [gedaagde] van oordeel dat de feitelijke arbeidsomvang structureel afweek van de gecontracteerde 18 uur per week en dat [eiseres] op grond van de cao recht heeft op 90% loondoorbetaling bij ziekte. De kantonrechter bepaalt de gemiddelde arbeidsomvang op 9,9 uur per week. [gedaagde] moet 90% hiervan aan [eiseres] betalen, plus de wettelijke verhoging en wettelijke rente.

3.De beoordeling

Het toetsingskader in kort geding
3.1
Bij een voorziening in kort geding bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van [eiseres] op [gedaagde] voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat er sprake is van dusdanige spoed dat een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter ook kijken naar het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, mocht de bodemrechter anders beslissen.
De eiswijziging van [eiseres] is toelaatbaar
3.2
[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [eiseres] . Volgens [gedaagde] is deze te laat ingediend en in strijd met de goede procesorde, omdat de feiten en stukken onderliggend aan de eiswijziging al ruim voor het uitbrengen van de dagvaarding bij [eiseres] bekend zouden zijn. De kantonrechter oordeelt dat de eiswijziging van [eiseres] toelaatbaar is. Op grond van de wet mag de eisende partij de eis of de gronden daarvan veranderen of vermeerderen, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. [1] De eiswijziging is op tijd ingediend en het is niet gebleken dat [gedaagde] door de eiswijziging is benadeeld in haar procesrechtelijke belangen.
[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vordering
3.3
[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen, omdat zij aanspraak maakt op loon waarvan zij afhankelijk is om haar kosten van bestaan te betalen. [gedaagde] heeft weliswaar vlak voor de mondelinge behandeling een bedrag ter hoogte van het volgens [gedaagde] verschuldigde achterstallige loon over januari tot en met april aan [eiseres] betaald, maar aangezien [eiseres] stelt recht te hebben op een hoger loon dan [gedaagde] heeft overgemaakt en op doorbetaling van loon vanaf mei 2026, is daarmee het spoedeisende karakter van haar vorderingen niet weggenomen. [eiseres] is daarom ontvankelijk in haar vorderingen in kort geding.
[gedaagde] moet het loon van [eiseres] over de periode dat zij wegens ziekte niet kon werken betalen
3.4
[eiseres] vordert betaling van achterstallig loon en toekomstig loon. Volgens [eiseres] is haar maandloon € 1.943,76 per maand, gerekend met een uurloon van € 24,92 op basis van een 18-urige werkweek en 100% doorbetaling van het loon. [gedaagde] stelt dat het bruto maandloon van [eiseres] € 979,28 per maand is, gebaseerd op een gemiddelde arbeidsomvang van 9,9 uur per week en 90% loondoorbetaling. [gedaagde] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een bedrag van € 3.917,12 aan [eiseres] betaald. Volgens [gedaagde] is dit het loon van [eiseres] over de maanden januari tot en met april 2026. Het loon van december 2025 stelt [gedaagde] niet te hoeven betalen, omdat er volgens [gedaagde] geen officiele ziekmelding door [eiseres] is gedaan vóór 8 januari 2026.
3.5
Volgens de wet heeft een werknemer maximaal 104 weken recht op doorbetaling van 70% van het loon als hij niet kan werken omdat hij ziek is. [2] De rechter wijst een vordering tot betaling van loon af als er geen deskundigenverklaring is toegevoegd over de ziekte van de werknemer. [3] In een cao kunnen aanvullende afspraken worden vastgelegd over dit onderwerp, zolang deze afspraken gunstiger zijn voor de werknemer dan de wettelijke bepalingen over doorbetaling bij ziekte. Tussen partijen is niet in discussie dat [eiseres] een uitzendovereenkomst heeft voor de duur van twaalf maanden en dat [eiseres] in ieder geval sinds 8 januari 2026 langdurig is ziekgemeld. Uit de verklaring van de arboarts van 9 februari 2026 blijkt ook de [eiseres] volledig arbeidsongeschikt is. Dat betekent dat [eiseres] in ieder geval recht heeft op doorbetaling van (een deel van) het loon vanaf 8 januari 2026.
De ziekmelding van [eiseres] in december is niet vast komen te staan
3.6
Partijen hebben discussie over de datum van de ziekmelding van [eiseres] . [eiseres] stelt (bij eisvermeerdering) dat zij zich eerder, namelijk op 7 december 2025 heeft ziekgemeld vanwege een verbrijzelde voet. Op die datum heeft zij een Whatsapp bericht aan [gedaagde] gestuurd waarin zij laat weten haar voet te hebben verbrijzeld en dat zij verwacht de komende drie tot zes weken niet te kunnen werken.
3.7
[gedaagde] stelt dat het voor haar niet duidelijk was dat [eiseres] zich met het Whatsapp bericht van 7 december 2025 officieel ziek meldde. Namens [gedaagde] is uitgelegd dat [eiseres] zich wel vaker om onduidelijke redenen afmeldde. Ook de kantonrechter kan uit de stukken niet opmaken dat [eiseres] ziek was per 7 december 2025 en dat haar Whatsapp bericht als officiële ziekmelding moest worden aangemerkt. Er zijn namelijk geen objectieve aanknopingspunten om aan te nemen dat er vóór 8 januari 2026 daadwerkelijk sprake was van ziekte waardoor [eiseres] de arbeid niet kon verrichten. Uit de medische gegevens van [eiseres] blijkt dat zij in december 2025 meermaals bij de huisarts is geweest voor psychische klachten, maar nergens staat iets vermeld over een verbrijzelde voet. Daarnaar gevraagd op de zitting vertelde [eiseres] dat zij voor zichzelf had vastgesteld dat haar voet verbrijzeld was, omdat ze voelde dat ze er niet meer op kon lopen. Gelet op de ernst van de klacht van een verbrijzelde voet en omdat [eiseres] in december 2025 meermaals bij de huisarts is geweest en desondanks in haar medisch dossier niets te vinden is over klachten aan haar voet, is niet aannemelijk geworden dat [eiseres] op 7 december 2025 daadwerkelijk wegens ziekte als gevolg van een verbrijzelde voet niet kon werken. Dat zij om andere redenen niet kon werken wegens ziekte is niet gesteld. Bovendien is pas bij de eiswijziging door [eiseres] het standpunt ingenomen dat de datum van de ziekmelding 7 december 2025 was, terwijl daarvóór telkens 8 januari 2026 als datum van ziekmelding werd genoemd door [eiseres] . Eerder heeft zij ook geen aanspraak gemaakt bij [gedaagde] op loondoorbetaling over de maand december.
[gedaagde] moet 90% van het loon van [eiseres] doorbetalen vanaf 8 januari 2025
3.8
[eiseres] stelt dat zij recht heeft op 100% loondoorbetaling bij ziekte, maar de kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] recht heeft op 90% loondoorbetaling bij ziekte. Op de arbeidsovereenkomst van [eiseres] is de Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen (NBBU)-cao van toepassing. In artikel 21 van Pro de NBBU-cao staat dat een uitzendkracht recht heeft op gelijkwaardige beloning. Met gelijkwaardige beloning wordt bedoeld dat het totaal van de essentiële arbeidsvoorwaarden van de uitzendkracht ten minste gelijkwaardig moet zijn aan het totaal van de essentiële arbeidsvoorwaarden van de werknemer in dienst van de opdrachtgever met een gelijkwaardige functie. [4] Als essentiële arbeidsvoorwaarden worden in het artikel genoemd: het loon en de arbeidstijden. Loondoorbetaling bij ziekte wordt in het artikel niet als zelfstandige arbeidsvoorwaarde genoemd, dus [eiseres] kan op grond hiervan niet zonder meer recht op 100% doorbetaling van loon tijdens ziekte ontlenen.
3.9
In artikel 29 lid 4 van Pro de cao-NBBU is bepaald dat een werknemer gedurende 52 weken recht heeft op 90% loondoorbetaling bij ziekte. Volgens [eiseres] is dit oneerlijk ten opzichte van een werknemer die niet op basis van een uitzendovereenkomst werkt en op grond van de cao Gehandicaptenzorg aanspraak maakt op 100% loondoorbetaling bij ziekte. [eiseres] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat het totale arbeidsvoorwaardenpakket van [eiseres] minder gunstig zou zijn dan een ‘gewone’ werknemer bij de inlener. Dat zonder meer bij de cao Gehandicaptenzorg moet worden aangehaakt is dus niet gebleken. De omstandigheden van het geval lenen zich daar ook niet zonder meer voor. De kantonrechter kan dus niet als uitgangspunt nemen dat een bodemrechter naar alle waarschijnlijkheid zal oordelen dat artikel 21 NBBU Pro-cao prevaleert boven artikel 29 van Pro de NBBU-cao. Daarom moet worden uitgegaan van de bepaling in de cao-NBBU waaruit volgt dat [eiseres] recht heeft op 90% loondoorbetaling bij ziekte. Dat betekent dat voor de loondoorbetaling van [eiseres] voorlopig moet worden uitgegaan van een uurloon van € 22,42 (90% van € 24,92).
De kantonrechter moet de gemiddelde arbeidsomvang per week bepalen
3.1
In de arbeidsovereenkomst van [eiseres] is overeengekomen dat de arbeidsomvang van [eiseres] 18 uur per week is. [gedaagde] stelt dat [eiseres] structureel minder heeft gewerkt dan de overeengekomen 18 uur per week. De NBBU-cao bepaalt dat wanneer er geen of geen eenduidige arbeidsomvang is overeengekomen of de feitelijke arbeidsomvang in de periode van dertien kalenderweken voorafgaand aan de week van ziekmelding structureel afwijkt van de overeengekomen arbeidsomvang, het loon tijdens ziekte berekend wordt over het gemiddelde aantal uren dat de werknemer in die 13 weken gewerkt heeft. [5]
3.11
Volgens [eiseres] is een duidelijke arbeidsomvang van 18 uur per week overeengekomen en moet daarom het loon op basis van 18 uur per week worden doorbetaald. De kantonrechter is van oordeel dat voorlopig voldoende is gebleken dat de arbeidsomvang van [eiseres] structureel afweek van de overeengekomen 18 uur. [eiseres] heeft namelijk tijdens de mondelinge behandeling verteld dat zij bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst heeft gekozen voor een arbeidsomvang van 18 uur per week, maar dat zij die uren eigenlijk niet kon maken omdat zij onvoldoende beschikbaar was vanwege haar persoonlijke omstandigheden. Dit terwijl er wel diensten werden aangeboden waar zij op kon reageren om de afgesproken 18 uur per week te maken. [eiseres] vertelde ook dat zij dit probeerde te compenseren door onhandige en zwaardere diensten op te pakken, zoals nachtdiensten. Maar dat kan niet worden gezien als compensatie, want dat leidde tot een hoger salaris vanwege de onregelmatigheidstoeslagen die bij deze diensten horen. Verder is door [eiseres] erkend dat zij alleen de diensten accepteerde op de woongroep die het minst intensief was qua werkzaamheden en doelgroep. Hieruit blijkt vooral dat [eiseres] zelf haar uren en werkzaamheden wilde uitkiezen, in plaats van dat zij te weinig gewerkte uren daadwerkelijk wilde compenseren.
De gemiddelde arbeidsomvang van [eiseres] is 9,9 uur per week
3.12
Aangezien de arbeidsomvang van [eiseres] structureel afweek dan de overeengekomen 18 uur per week moet worden aangesloten bij artikel 29 lid 4 van Pro de NBBU-cao. Voor het bepalen van de arbeidsomvang moet dus worden gekeken naar het gemiddeld aantal uren dat [eiseres] in de 13 weken voorafgaand aan de ziekmelding heeft gewerkt. Eerder is al voorlopig vastgesteld dat voor de datum van de ziekmelding uit moet worden gegaan van 8 januari 2026.
3.13
Uit de loonstroken van [eiseres] blijkt dat zij 63 uur in oktober 2025 heeft gewerkt, 65,75 uur in november 2025 en in december 2025 heeft [eiseres] nul uur gewerkt. De vraag is of december 2025 als normale maand moet worden meegerekend, uitgaande van 18 uur per week. Gelet op wat de kantonrechter hierboven heeft overwogen en de verklaringen van [eiseres] dat zij wist dat zij niet voldoende beschikbaar was voor 18 uur per week, zijn er geen aanknopingspunten om uit te gaan van een arbeidsomvang van 18 uur per week in december. Bovendien heeft [eiseres] zelf gevraagd om in december 2025 uitgeroosterd te worden. Hoewel de kantonrechter begrip heeft voor de ingewikkelde persoonlijke omstandigheden van [eiseres] , betekent dat niet dat [gedaagde] verantwoordelijk moet worden gehouden voor een arbeidsovereenkomst waarvan [eiseres] eigenlijk al wist dat zij deze niet zou kunnen naleven. Voor de maand december kan niet worden uitgegaan van een gemiddelde aantal gewerkte uren of van het aantal uur dat overeen is gekomen. Daarom wordt voor de maand december voorlopig gerekend met nul uur.
3.14
Gelet op het bovenstaande is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat de bodemrechter een gemiddelde arbeidsomvang van meer dan 9,9 uur per week (128,75/ 13 weken) als basis voor de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte zal hanteren.
Het maandloon dat [gedaagde] tijdens ziekte aan [eiseres] moet betalen is € 979,28
3.15
De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde] het loon van [eiseres] moet doorbetalen op basis van een 9,9-urige werkweek met een uurloon van € 22,42. [eiseres] betwist niet dat het maandloon dan uitkomt op een bedrag van € 979,28 bruto, inclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.
De vorderingen van [eiseres] worden deels toegewezen en deels afgewezen
3.16
[eiseres] heeft de volgende vorderingen ingediend:
betaling van achterstallig loon van december 2025 tot en met april 2026, plus vakantiegeld en overige emolumenten;
wettelijke verhoging over het achterstallige loon;
betaling van een brutoloon van € 1.943,76 vanaf mei 2026 tot en met een rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst, plus vakantiegeld, overige emolumenten en evenueel (cao)(minimum)loonsverhogingen;
de wettelijke rente over bovenstaande vorderingen;
veroordeling van [gedaagde] tot verstrekking van deugdelijke bruto-netto(salaris)specificaties over de periode december 2026 tot en met een rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst en van alle betalingen die uit dit vonnis voortvloeien, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 25.000,00.
3.17
Uit het voorgaande blijkt dat [gedaagde] het achterstallige loon van [eiseres] over de periode van december 2025 tot en met april 2026 moet betalen, uitgaande van een loon van € 979,28, per maand inclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. Omdat [gedaagde] dit bedrag al aan [eiseres] heeft betaald, wordt de vordering onder i) afgewezen.
3.18
[gedaagde] moet de wettelijke verhoging over het al betaalde achterstallige loon betalen. [gedaagde] heeft namelijk het loon van [eiseres] te laat betaald, terwijl [eiseres] op grond van de wet en de NBBU-cao recht had op doorbetaling van haar loon. Dat [gedaagde] er eerst vanuit ging dat zij vanwege de uitzendovereenkomst van [eiseres] niet verplicht was tot loondoorbetaling tijdens ziekte komt voor haar rekening en risico. [gedaagde] heeft weliswaar vlak voor de mondelinge behandeling het loon van [eiseres] betaald, maar dat betekent niet dat de wettelijke verhoging niet hoeft te worden betaald omdat de ‘prikkelfunctie van de wettelijke verhoging’ daarmee is weggenomen, zoals [gedaagde] stelt. De wettelijke verhoging dient als prikkel tot tijdige nakoming van het betalen van loon en dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter voorlopig geen reden voor matiging van de wettelijke verhoging.
3.19
De vordering van [eiseres] onder iii) wordt toegewezen, met inachtneming van het in dit vonnis (voorlopig) vastgestelde bruto maandloon van € 979,28, waarbij het vakantiegeld en overige emolumenten al opgeteld zijn. Als [eiseres] weer aan het werk gaat en meer uren gaat werken dan 9,9 uur per week, dan zal vanzelfsprekend dat meerdere moeten worden betaald op basis van het overeengekomen uurloon.
3.2
Over de gevorderde wettelijke rente oordeelt de kantonrechter als volgt. [gedaagde] moet de wettelijke rente over het achterstallige loon aan [eiseres] betalen, omdat zij in verzuim is (geweest) met de betaling hiervan. De wettelijke rente wordt toegewezen over de afzonderlijke data dat het loon betaald had moeten worden tot en met de dag dat het loon uiteindelijk door [gedaagde] is betaald. Voor toewijzing van de wettelijke rente over de wettelijke verhoging is vereist dat [eiseres] [gedaagde] in gebreke heeft gesteld voor de betaling van de wettelijke verhoging. Niet gesteld of gebleken is dat [eiseres] dat eerder heeft gedaan dan bij het uitbrengen van de dagvaarding. Daarom wordt de wettelijke rente over de wettelijke verhoging toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. Wettelijke rente over toekomstige (loon)vorderingen kan niet worden toegewezen, omdat het verzuim van [gedaagde] daarover (nog) niet is ingetreden.
3.21
De kantonrechter begrijpt dat [eiseres] bij de vordering onder v) heeft bedoeld te vorderen de salarisspecificaties vanaf december 2025 (in plaats van 2026) tot een rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst. [gedaagde] heeft over de periode januari tot en met april 2026 het verschuldigde loon betaald en de salarisspecificaties daarvan verstrekt. Eerder in dit vonnis is voorlopig vastgesteld dat [eiseres] in december 2025 niet gewerkt heeft en er geen sprake was van een officiële ziekte(melding), zodat hier ook geen salarisspecificatie over hoeft te worden verstrekt. De vordering wordt toegewezen, in die zin dat [gedaagde] de salarisspecificaties over de periode vanaf mei 2026 tot en met een rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst aan [eiseres] moet verstrekken. De gevorderde dwangsom wordt niet toegewezen, omdat er geen aanleiding is om aan te nemen dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling zal voldoen.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.22
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro over het te laat betaalde loon over januari tot en met april 2026,
4.2
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het te laat betaalde loon van januari tot en met april 2026, ingaande vanaf de respectievelijke data waarop het loon betaald had moeten zijn tot de dag dat het loon ter hoogte van € 979,28 door [gedaagde] betaald is,
4.3
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de wettelijke verhoging, ingaande vanaf 22 april 2026, tot de dag dat het volledige bedrag aan wettelijke verhoging is betaald,
4.4
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van het brutoloon van € 979,28, vanaf mei 2026 tot en met de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtgeldig is geëindigd, vermeerderd met evenuele (cao)(minimum)loonsverhogingen,
4.5
veroordeelt [gedaagde] tot verstrekking van deugdelijke bruto-netto(salaris)specificaties over het loon vanaf mei 2026 tot en met een rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst,
4.6
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.7
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.8
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.

Voetnoten

1.Art. 130 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Artikel 7:629 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Artikel 7:629a BW.
4.Artikel 21 lid 2 NBBU Pro-cao.
5.Artikel 29 lid 2 onder Pro b van de NBBU-cao.