ECLI:NL:RBMNE:2026:2981

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
12037715 \ LC EXPL 25-2788
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 43 AVArt. 44 AVArt. 15 AVArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervroegde beëindiging leaseovereenkomst en opeising resterende leasetermijnen met afgifte auto

Eiseres heeft de leaseovereenkomst met gedaagde beëindigd wegens achterstallige betalingen van vijf maanden leasetermijnen. Gedaagde had de auto geleaset sinds 1 maart 2024 en ondanks ingebrekestelling niet betaald. De kantonrechter oordeelt dat de beëindiging terecht is op grond van artikel 43 van Pro de algemene voorwaarden.

Eiseres vordert betaling van alle resterende leasetermijnen, die gedaagde niet betwist, en de afgifte van de auto. De auto staat defect bij een autogarage die een retentierecht uitoefent, maar dit risico ligt bij gedaagde. Gedaagde verschijnt niet op de mondelinge behandeling, ondanks oproep en geweigerd uitstelverzoek.

De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot betaling van €36.405,45 aan leasetermijnen, met verrekening van de verkoopopbrengst van de auto indien deze wordt verkocht. Contractuele rente wordt toegewezen over de achterstand tot beëindiging, wettelijke rente over het resterende bedrag. Incassokosten worden gematigd tot het wettelijke tarief. Proceskosten worden aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De leaseovereenkomst is vervroegd beëindigd en gedaagde is veroordeeld tot betaling van resterende leasetermijnen, afgifte van de auto en betaling van rente en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 12037715 \ LC EXPL 25-2788
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: VD&P juristen,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
vertegenwoordigd door haar (middellijk) directeur [A] .

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding tevens incidentele vorderingen ex artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);
  • de conclusie van antwoord;
  • de akte uitlating en producties van [eiseres] ;
  • het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling door [gedaagde] , gedaan op 8 april 2026 (laat in de middag), dat door de kantonrechter niet is gehonoreerd.
1.2
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Namens [eiseres] is verschenen de heer [B] , bijgestaan door mr. R. van Erven. Namens [gedaagde] is niemand verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.
1.3
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[gedaagde] heeft van [eiseres] een Audi A6 Avant met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) geleaset sinds 1 maart 2024. [gedaagde] had een aantal leasetermijnen, ondanks sommaties, onbetaald gelaten. Daarom heeft [eiseres] de leaseovereenkomst beëindigd en onder meer betaling van alle (resterende) leasetermijnen en teruggave van de auto gevorderd. De kantonrechter zal de vorderingen grotendeels toewijzen.

3.De beoordeling

In het incident
3.1
In het incident heeft [eiseres] ook gevorderd om voorlopige voorzieningen te treffen als bedoeld in artikel 223 Rv Pro. Dit zijn provisionele vorderingen die zien op maatregelen die gelden voor de duur van deze zaak. Omdat de kantonrechter direct in de hoofdzaak zal beslissen, heeft [eiseres] geen belang meer bij deze vorderingen. Deze worden daarom afgewezen. Verder ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten van het incident te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
In de hoofdzaak
De leaseovereenkomst is terecht beëindigd
3.2
Vast staat dat [gedaagde] een leaseachterstand heeft. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij de auto voor iemand anders heeft geleaset. Die persoon zou de kosten betalen en [gedaagde] ondersteunen om het bedrijf weer nieuw leven in te blazen. Dit kan echter (wat hier verder ook van zij) niet aan [eiseres] worden tegengeworpen.
3.3
Doordat [gedaagde] ook na ingebrekestelling niet is overgegaan tot betaling van de leaseachterstand (van op dat moment vijf maanden) is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de leaseovereenkomst. Door het verzuim is [eiseres] op grond van artikel 43 van Pro de toepasselijke algemene voorwaarden (hierna: AV) gerechtigd om tot vervroegde beëindiging van de leaseovereenkomst over te gaan. Dit heeft [eiseres] dan ook gedaan op 27 oktober 2025. De gevorderde verklaring voor recht dat de leaseovereenkomst is beëindigd, is daarom toewijsbaar.
Betaling leasetermijnen en afgifte auto
3.4
[eiseres] is ook overgegaan tot de opeising van alle (toekomstige) leasetermijnen overgegaan op grond van artikel 43 AV Pro. [gedaagde] heeft niet betwist dat zij in totaal € 36.405,45 verschuldigd is, zodat de kantonrechter dit bedrag toewijst.
3.5
Verder moet [gedaagde] ook ervoor zorgen dat de auto wordt afgeleverd bij [eiseres] op grond van artikel 44 AV Pro. [gedaagde] heeft in haar e-mailbericht van 4 februari 2026 aangegeven dat de auto al geruime tijd staat gestald bij autogarage [autogarage] , te [plaats 3] . De kantonrechter leidt uit de stukken af dat de auto defect is en dat de autogarage een beroep doet op een retentierecht vanwege een volgens haar openstaande factuur van € 7.347,73 (berekend tot en met 9 februari 2026). Ook deze omstandigheden (wat hier verder ook van zij) liggen echter in de risicosfeer van [gedaagde] en kunnen niet aan [eiseres] worden tegengeworpen. Bovendien is [gedaagde] niet naar de mondelinge behandeling op 9 april 2026 gekomen om de nodige toelichtingen te geven en vragen van de kantonrechter hierover te beantwoorden. Dit ondanks de oproepbrief van 26 februari 2026 waarin staat dat [gedaagde] wordt geacht op de mondelinge behandeling te verschijnen en dat anders in haar nadeel kan worden beslist. [gedaagde] heeft één dag vóór de mondelinge behandeling (laat in de middag) nog wel een uitstelverzoek gedaan, maar dit verzoek is afgewezen omdat dit te laat is gedaan en bovendien geen voldoende klemmende reden is gegeven.
3.6
Voor het afleveren van de auto krijgt [gedaagde] drie dagen de tijd nadat het vonnis aan hem door de deurwaarder is bezorgd. De kantonrechter ziet wel aanleiding om de gevorderde dwangsom aan het teruggeven van de auto te matigen. Als [gedaagde] niet ervoor zorgt dat de auto aan [eiseres] wordt teruggegeven binnen 72 uur (drie dagen) nadat dit vonnis aan haar door de deurwaarder is bezorgd, moet zij € 100,00 per dag betalen totdat de auto is teruggegeven, met een maximum van € 10.000,00.
3.7
Daarbij zal worden bepaald dat als de auto wordt ingeleverd en vervolgens door [eiseres] wordt verkocht, de verkoopwaarde in mindering moet worden gebracht op de toegewezen leasetermijnen. Volgens artikel 44 AV Pro heeft [gedaagde] bij inname van de auto recht op vergoeding van de verkoopwaarde daarvan.
[gedaagde] moet ook rente betalen
3.8
[eiseres] vordert verder de contractuele rente van 1,5% per maand over de hoofdsom (art. 15 AV Pro). De contractuele rente is echter alleen toewijsbaar over de betalingsachterstand tot aan de datum van beëindiging van de leaseovereenkomst. Op dat moment bedroeg de achterstand € 3.545,05 (= 5 maanden x € 709,01). De kantonrechter stelt vast dat het bedrag aan verschenen rente dat in de dagvaarding staat om deze reden onjuist is berekend. Dat bedrag is daarom niet toewijsbaar. De contractuele rente wordt toegewezen over voornoemd bedrag vanaf de verschillende vervaldata van de facturen tot aan de betaling.
3.9
Omdat de leaseovereenkomst is geëindigd, kan de gevorderde contractuele rente over het resterende bedrag van € 32.860,40 niet op de leaseovereenkomst worden gegrond.
Ook is toewijzing van de gevorderde wettelijke handelsrente daarover niet mogelijk. Het bedrag aan resterende leasetermijnen na de beëindiging betreft namelijk een schadevergoeding. Gelet hierop zal de kantonrechter over het bedrag van € 32.860,40 de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) toewijzen vanaf 27 oktober 2025 tot de dag van betaling.
Incassokosten worden gematigd
3.1
[eiseres] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. In deze zaak zijn partijen – beide partijen daarbij handelend in de uitoefening van beroep of bedrijf – in artikel 53 AV Pro echter een vergoeding van buitengerechtelijke kosten overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt, namelijk 10 % van de hoofdsom. De door [eiseres] gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten komt op grond van deze bepaling in beginsel voor toewijzing in aanmerking.
3.11
In dit geval ziet de kantonrechter echter aanleiding om de vergoeding op grond van het bepaalde in artikel 242 Rv Pro ambtshalve te matigen tot het toepasselijke tarief van het Besluit, welk tarief wordt geacht redelijk te zijn, omdat niet gesteld of gebleken is dat de werkelijke kosten van [eiseres] hoger zijn dan dit tarief. [1] De kantonrechter zal de buitengerechtelijke kosten dan ook toewijzen over de toewijsbare hoofdsom en wel tot het wettelijke tarief, zodat een bedrag van € 1.139,05 wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf de datum van dagvaarding.
Kosten van de inname en de aangifte worden afgewezen
3.12
De door [eiseres] gevorderde kosten voor het innemen van de auto (€ 1.040,60) en het doen van aangifte bij de politie (€ 217,80) kunnen niet op voorhand worden toegewezen. Dit betreffen namelijk (mogelijke) toekomstige vorderingen die niet opeisbaar zijn. De kosten zijn immers nog niet gemaakt en ook staat niet vast dat deze kosten (tot dit bedrag) gemaakt zullen worden.
Proceskosten moeten worden betaald door [gedaagde]
3.13
[gedaagde] moet als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
1.504,00
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus eventuele betekeningskosten)
Totaal
2.924,35
3.14
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
In het incident
4.1
wijst de vorderingen in het incident af;
4.2
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
In de hoofdzaak
4.3
verklaart voor recht dat de huurkoopovereenkomst met betrekking tot de Audi A6 Avant met kenteken [kenteken] is beëindigd;
4.4
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van de auto aan [eiseres] , dan wel aan een door [eiseres] aan te wijzen derde,
binnen 72 uurna betekening van dit vonnis
op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat [gedaagde] met de afgifte in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00;
4.5
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen:
  • € 36.405,45 aan (resterende) leasetermijnen, met dien verstande dat indien de auto wordt ingeleverd en vervolgens verkocht door [eiseres] , de verkoopopbrengst in mindering wordt gebracht op dit bedrag;
  • de contractuele rente van 1,5% per maand over € 3.545,05 vanaf de vervaldata van de van de onderliggende facturen tot aan de betaling;
  • de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 32.860,40 vanaf 27 oktober 2025 tot aan de betaling;
  • € 1.139,05 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 19 december 2025 tot aan de betaling;
4.6
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.924,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij ook de betekeningskosten betalen;
4.7
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
4.8
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.9
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
4578

Voetnoten

1.Hoge Raad, 10 juli 2015,