Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2976

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
11973770 \ UC EXPL 25-9199
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:686a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding na proeftijdontslag wegens schending informatieplicht werkgever

Werknemer trad op 1 december 2024 in dienst bij Oracle en werd op 29 januari 2025 in de proeftijd ontslagen. Hij stelde dat het ontslag onrechtmatig was vanwege schending van de precontractuele informatieplicht en vorderde materiële en immateriële schadevergoeding.

De kantonrechter oordeelde dat de werknemer niet-ontvankelijk was in het deel van de vordering dat verband hield met het beëindigen van het dienstverband vanwege de vervaltermijn van artikel 7:686a BW. De vordering tot immateriële schadevergoeding werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.

De overige vorderingen, waaronder materiële schadevergoeding wegens gemiste bonus en een verklaring van onrechtmatig handelen, werden inhoudelijk beoordeeld en afgewezen. Er was onvoldoende bewijs dat de functie was komen te vervallen of dat de werkgever haar informatieplicht had geschonden. Ook was niet gebleken dat de werknemer geen kans had gehad zich te bewijzen.

De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten, terwijl de vordering van Oracle in reconventie werd afgewezen. De proceskosten werden vastgesteld op het reguliere liquidatietarief.

Uitkomst: Werknemer wordt deels niet-ontvankelijk verklaard en overige vorderingen afgewezen; werknemer veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11973770 \ UC EXPL 25-9199 BJvd/61199
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.A. Harderwijk, ARAG SE Rechtsbijstand,
tegen
ORACLE GLOBAL SERVICES NETHERLANDS B.V.,
gevestigd in Utrecht,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Oracle,
gemachtigde: mr. S.I. Janssen.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 11,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 10,
- de pleitnotitie van [eiser] ,
- de pleitnotitie van Oracle.
1.2
Op 14 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij is verschenen de heer [eiser] met zijn gemachtigde mr. M.A. Harderwijk. Namens Oracle zijn verschenen mevrouw [A] ( [functie 1] bij Oracle) en mevrouw [B] ( [functie 2] bij Oracle) met de gemachtigde, mr. S.I. Janssen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.
1.3
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1
[eiser] trad op 1 december 2024 in dienst bij Oracle als [functie 3] voor 40 uur per week. Het brutoloon van [eiser] was € 8.873,46 per maand, exclusief vakantiegeld en emolumenten. Op 29 januari 2025 heeft Oracle [eiser] in de proeftijd ontslagen. Volgens [eiser] was het proeftijdontslag in strijd met goed werkgeverschap en levert dit misbruik van recht op. [eiser] vordert daarom betaling van een (im)materiële schadevergoeding. Daarnaast stelt [eiser] dat Oracle hem onjuist heeft geïnformeerd over de functie en daarmee haar informatieplicht heeft geschonden. Oracle stelt dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen, vanwege de wettelijke vervaltermijn voor vernietiging van het proeftijdontslag en betwist de stellingen van [eiser] . De kantonrechter oordeelt dat [eiser] niet-ontvankelijk is voor het deel van de vordering dat is gekoppeld aan het einde van het dienstverband, vanwege de vervaltermijn uit artikel 7:686a BW. De overige vorderingen van [eiser] wijst de kantonrechter af.

3.De beoordeling in conventie en reconventie

Het juridisch kader
3.1
Partijen zijn het erover eens dat er een geldig proeftijdbeding van twee maanden is overeengekomen. Om een proeftijdontslag te vernietigen moet binnen twee maanden (de vervaltermijn) na het proeftijdontslag een procedure worden gestart. [1] Omdat [eiser] in november 2025 een procedure is gestart, terwijl het ontslag van 29 januari 2025 dateert, is de vervaltermijn van toepassing en daarmee het proeftijdontslag rechtsgeldig geworden. De rechtsgeldigheid van het proeftijdontslag kan dus niet meer worden beoordeeld. Dat betekent dat voor zover de vorderingen van [eiser] direct verband houden met het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst en de gevolgen daarvan, [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
[eiser] is niet ontvankelijk in zijn vordering tot betaling van immateriële schadevergoeding
3.2
[eiser] vordert betaling van een immateriële schadevergoeding van € 5.000,00 bruto vermeerderd met wettelijke rente, als compensatie voor de door [eiser] ervaren stress van het werkloos worden door het proeftijdontslag. Deze vordering is direct gekoppeld aan het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat op deze vordering de wettelijke vervaltermijn van toepassing is en de kantonrechter deze vordering niet kan beoordelen. [eiser] is dus niet-ontvankelijk in zijn vordering tot betaling van immateriële schadevergoeding.
[eiser] is ontvankelijk in zijn overige vorderingen
3.3
De overige vorderingen van [eiser] zijn gekoppeld aan de stelling dat Oracle niet heeft voldaan aan haar precontractuele informatieplichten en niet aan het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [eiser] in deze vorderingen wel ontvankelijk is en zal deze vorderingen hieronder inhoudelijk bespreken.
De vordering van [eiser] tot betaling van materiële schadevergoeding wordt afgewezen
3.4
[eiser] vordert betaling van een materiele schadevergoeding van € 27.500,00, plus de wettelijke rente hierover. Volgens [eiser] is hij een bonus gelijk aan dit bedrag bij zijn vorige werkgever misgelopen, omdat Oracle niet aan haar informatieplicht heeft voldaan. [eiser] stelt dat hij eigenlijk pas op 1 januari 2025 bij Oracle zou beginnen, maar op verzoek van Oracle toch op 1 december 2024 is begonnen. Omdat de bonus altijd in december wordt uitbetaald, liep hij de bonus mis. [eiser] stelt dat hij zijn vorige dienstverband niet had opgezegd als Oracle voorafgaand aan het dienstverband aan haar informatieplicht had voldaan. [eiser] had dan geweten dat de functie waarvoor hij was aangenomen op korte termijn zou komen te vervallen en was dan niet in dienst getreden bij Oracle, zo stelt hij.
3.5
Bovenstaande vordering van [eiser] wordt afgewezen. Het is allereerst niet gebleken dat de functie van [eiser] bij Oracle is of zou komen te vervallen. [eiser] baseert zijn standpunt op het feit dat zijn functietitel voorafgaand aan zijn indiensttreding is gewijzigd, maar Oracle heeft onderbouwd dat het regelmatig voorkomt dat functietitels worden aangepast terwijl de onderliggende functiecodes, taken en verantwoordelijkheden ongewijzigd bleven. Ook heeft [eiser] na het voorstel van Oracle om de functietitel te wijzigen, ervoor gekozen om hiermee akkoord te gaan, waarna het dienstverband is ingegaan. Gelet op de gemotiveerde betwisting van Oracle kan ook uit de stelling van [eiser] dat er na het proeftijdontslag geen vacature meer is opengesteld niet worden afgeleid dat zijn functie is komen te vervallen. Volgens Oracle zijn er in andere teams diverse nieuwe medewerkers aangenomen in een vergelijkebare rol als die [eiser] binnen Oracle vervulde en bestaan zijn functietaken nog in ruime mate binnen het bedrijf. Dat er binnen Oracle een verschuivende focus was waarbij duurzaamheid plotseling geen prioriteit meer was, zoals [eiser] stelt, is dan ook niet gebleken.
3.6
Los van het voorgaande is ook de gestelde schade niet onderbouwd. Niet of onvoldoende is onderbouwd dat [eiser] in december 2024 bij zijn vorige werkgever een bonus zou hebben gekregen als hij op dat moment daar in dienst was, noch dat hij een bonus is misgelopen omdat hij op dat moment uit dienst was, noch wat de hoogte van die bonus zou zijn, noch dat [eiser] op enig moment het mogelijk mislopen van een bonus met Oracle heeft besproken, noch dat Oracle druk op [eiser] heeft uitgeoefend om (desondanks) per 1 december 2024 en niet per 1 januari 2025 in dienst te treden. Causaal verband tussen de vermeende schade en de stelling dat [eiser] door Oracle onvoldoende is geïnformeerd over de functie ontbreekt ook.
De overige vorderingen van [eiser] worden ook afgewezen
3.7
[eiser] vordert een verklaring van recht dat Oracle misbruik heeft gemaakt van het recht en/of onrechtmatig en/of in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld en daarom aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg daarvan geleden schade. [eiser] stelt dat Oracle misbruik heeft gemaakt van het proeftijdbeding, dan wel in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld, door niet te voldoen aan de informatieplicht voor het aangaan van het dienstverband en omdat hij geen kans heeft gehad om zichzelf te bewijzen.
3.8
Deze vordering wordt afgewezen. Hierboven is al geoordeeld dat niet is gebleken dat Oracle niet zou hebben voldaan aan haar precontractuele informatieplicht. Dat [eiser] geen kans heeft gehad om zichzelf te bewijzen is ook niet gebleken. Volgens Oracle is [eiser] ontslagen in de proeftijd, omdat hij niet geschikt was voor de functie. Tijdens zijn dienstverband bleek [eiser] niet over de vereiste vaardigheden voor de functie te beschikken. Hij kreeg daarom wekelijkse coaching van zijn manager en de gelegenheid om te leren van teamgenoten. Vanuit het management van Oracle is hem vervolgens een deadline gegeven tot 28 januari 2025 voor het opstellen van een KPI-enquête, maar enkele dagen voor het aflopen van de deadline bleek dat hij nog niets aan het project had gedaan. De presentatie die hij uiteindelijk gaf schoot volgens Oracle tekort. Uit het bovenstaande leidt de kantonrechter af dat [eiser] uitgebreid dat kans heeft gehad om zijn geschiktheid voor de functie bij Oracle te bewijzen, maar hierin kennelijk niet is geslaagd. Vanwege de vervaltermijn kan de inhoud van het proeftijdontslag verder niet worden getoetst.
3.9
[eiser] vordert ook betaling van € 1.331,00 aan buitengerechtelijke incassokosten.
Omdat de hoofdvorderingen van [eiser] worden afgewezen, delen de nevenvorderingen dat lot. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen, maar niet de werkelijke proceskosten
3.1
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Oracle vordert in reconventie betaling van de werkelijke proceskosten. Deze vordering wordt afgewezen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan een procespartij worden veroordeeld tot vergoeding van de werkelijke proceskosten in geval van bijzondere omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht. Hiervan is sprake als degene die in het ongelijk wordt gesteld de andere partij zonder enige noodzaak of redelijk belang tot procederen heeft gedwongen. Dat daarvan in dit geval sprake is, is niet komen vast te staan. Bovendien heeft Oracle haar werkelijke proceskosten niet begroot of onderbouwd.
3.11
Voor de proceskosten wordt gelet op het bovenstaande aangesloten bij het reguliere liquidatietarief. De proceskosten van Oracle worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.298,00
3.12
De proceskosten in reconventie komen voor rekening van Oracle, omdat Oracle ongelijk krijgt. Omdat niet is gebleken dat [eiser] in reconventie proceskosten heeft gemaakt en vanwege de samenhang met de conventie worden de proceskosten van [eiser] in reconventie vastgesteld op nihil.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot betaling van immateriële schadevergoeding,
4.2
wijst de overige vorderingen van [eiser] af,
4.3
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
4.5
wijst de vordering van Oracle af,
4.6
veroordeelt Oracle in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:686a lid 4 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW).