Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2970

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
11845266 \ UC EXPL 25-6792
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:400 BWArt. 7:408 lid 1 BWArt. 7:411 BWArt. 6:203 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Redelijk loon bij voortijdige opzegging opleiding outdoorcoach

De eiser heeft zich in januari 2021 aangemeld voor een opleiding tot outdoorcoach bij de gedaagde en heeft de volledige opleiding vooruitbetaald. Na drie jaar heeft eiser de opleiding voortijdig beëindigd en vordert hij terugbetaling van een deel van het betaalde bedrag. De gedaagde betwist dit en stelt dat het redelijk loon voor de reeds verrichte werkzaamheden hoger ligt.

De kantonrechter oordeelt dat de overeenkomst een overeenkomst van opdracht betreft, waarbij de opdrachtgever de opdracht te allen tijde kan opzeggen. Bij voortijdige beëindiging heeft de opdrachtnemer recht op een redelijk loon voor de verrichte werkzaamheden. De kantonrechter stelt het redelijk loon vast op € 5.000,00, gebaseerd op de onderdelen van de opleiding die eiser daadwerkelijk heeft gevolgd, namelijk seizoen 1 en een deel van seizoen 2.

De gedaagde moet het verschil tussen het vooruitbetaalde bedrag en het redelijk loon, € 8.612,50, aan eiser terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten aan eiser toegewezen. Een beroep op verrekening door gedaagde wordt afgewezen omdat eiser nog niet in verzuim is met de teruggave van geleende spullen.

Uitkomst: Gedaagde moet € 8.612,50 terugbetalen aan eiser, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11845266 \ UC EXPL 25-6792
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. M.J.M. Groen,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. G.D. Bosman.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken:
- de dagvaarding van 11 augustus 2025 met producties 1 tot en met 15,
- de conclusie van antwoord van 15 oktober 2025 met producties 1 tot en met 3,
- de aanvullende productie 16 van [eiser] , gemaild op 20 januari 2026,
- een aanvullende productie [1] van [gedaagde] , gemaild op 22 januari 2026,
- een e-mail van [eiser] van 23 januari 2026.
1.2
Op 26 januari 2025 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
Hierbij was [eiser] aanwezig met zijn gemachtigde, mr. M.J.M. Groen. Namens [gedaagde] was de heer [A] , directeur/eigenaar van [gedaagde] (hierna: [A] ), aanwezig met haar gemachtigde, mr. G.D. Bosman. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3.
De kantonrechter heeft aan het einde van de mondelinge behandeling bepaald dat in deze zaak vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1
[gedaagde] is een bedrijf dat naast coachingsreizen ook een opleiding tot outdoorcoach (hierna: de opleiding) aanbiedt. [eiser] heeft zich in januari 2021 voor de opleiding aangemeld en heeft de hele opleiding vooruit betaald. Gedurende drie jaar heeft [eiser] enkele onderdelen van de opleiding gevolgd. Op 17 april 2025 heeft [eiser] [gedaagde] laten weten dat hij voortijdig stopt met de opleiding en dat hij een deel van zijn geld terug wil. [eiser] heeft in totaal € 13.612,50 voor de opleiding betaald en hij wil € 10.209,38 van [gedaagde] terug ontvangen. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Zij zegt dat de afzonderlijke onderdelen van de opleiding niet goed op waarde te schatten zijn, maar dat het in ieder geval niet klopt dat de onderdelen van de opleiding die [eiser] heeft gevolgd, maar een redelijk loon van circa € 3.000,00 waard zouden zijn. De kantonrechter stelt het redelijk loon voor [gedaagde] vast op € 5.000,00 en oordeelt dat [gedaagde] € 8.612,50 aan [eiser] terug moet betalen.

3.De beoordeling

Wel of niet betrekken van een productie van [gedaagde] bij de beoordeling?
3.1
[eiser] heeft per e-mail van 23 januari 2026 bezwaar gemaakt tegen het betrekken van een op 22 januari 2026 en dus te laat ingediende verklaring van de heer [A] , [2] bij de beoordeling van de zaak. Dit bezwaar heeft hij tijdens de mondelinge behandeling gehandhaafd. De kantonrechter laat deze verklaring buiten de beoordeling van de zaak, omdat [eiser] door deze late indiening zich niet op deze verklaring heeft kunnen voorbereiden en [gedaagde] geen rechtens acceptabele verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding heeft gegeven.
3.2
Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat, ook als zij deze verklaring bij de beoordeling van de zaak zou betrekken, deze verklaring het oordeel van de kantonrechter niet in het voordeel van [gedaagde] zou wijzigen.
[eiser] moet een redelijk loon aan [gedaagde] betalen
3.3
Partijen hebben een overeenkomst gesloten waarbij [eiser] een opleiding zou volgen bij [gedaagde] . Deze overeenkomst kan aangemerkt worden als een overeenkomst van opdracht. [3] Partijen zijn het hier over eens en dit volgt ook uit de rechtspraak. [4]
3.4
De opdrachtgever mag een overeenkomst van opdracht op elk moment opzeggen. [5] De wet bepaalt dat als een overeenkomst van opdracht eindigt voordat de opdracht is volbracht en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging, de opdrachtnemer recht heeft op een redelijk loon. Bij de bepaling van dit redelijke loon moet onder meer rekening worden gehouden met de al door de opdrachtnemer (in dit geval [gedaagde] ) verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever (in dit geval [eiser] ) daarvan heeft en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd. Op het bedrag van het loon worden de besparingen die voor de opdrachtnemer uit de voortijdige beëindiging voortvloeien in mindering gebracht. [6]
3.5
Tussen partijen is niet in geschil, dat zij zijn overeengekomen dat het loon afhankelijk is van de volbrenging van de opdracht. [eiser] heeft de overeenkomst van opdracht beëindigd voordat hij de opleiding had afgerond, op 17 april 2025. [eiser] heeft [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst al betaald voor de hele opleiding. Hij zegt dat hij gelet op deze omstandigheden een deel onverschuldigd heeft betaald. [7] Hierin heeft [eiser] gelijk. Ten tijde van de beëindiging heeft hij immers niet alle onderdelen van de opleiding gevolgd. Om vast te stellen hoeveel [eiser] te veel heeft betaald, moet eerst vastgesteld worden wat een redelijk loon is voor de reeds verrichte werkzaamheden van [gedaagde] .
€ 5.000,00 is een redelijk loon voor de verrichte werkzaamheden van [gedaagde]
3.6
De kantonrechter stelt het redelijk loon voor de verrichte werkzaamheden van [gedaagde] vast op € 5.000,00. Zij motiveert dit als volgt.
3.7
Om een redelijk loon te bepalen, moet de kantonrechter bepalen wat de waarde is van de werkzaamheden die [gedaagde] voor [eiser] heeft verricht. De stelplicht en bewijslast hiervoor ligt overeenkomstig de hoofdregel uit de wet bij [gedaagde] . [8] Zij beroept zich namelijk op het rechtsgevolg van haar stelling.
3.8
[gedaagde] heeft echter op geen enkele manier gespecificeerd en/of onderbouwd welke kosten verbonden zijn aan de verschillende onderdelen van de opleiding die [eiser] tot 17 april 2025 gevolgd heeft.
3.9
De opleiding bestaat uit vier onderdelen, ‘seizoenen’ genaamd. [eiser] heeft daarom het redelijk loon berekend door het totaalbedrag van € 13.612,50 te delen door vier en vervolgens te bekijken welke seizoenen hij gevolgd heeft. Volgens [gedaagde] is de opleiding echter niet in vier gelijke seizoenen op te delen. Zij stelt verder, zonder enige motivering dan wel onderbouwing, dat zij veel meer kosten heeft voor een cursist in de eerste twee seizoenen, dan in de andere seizoenen.
3.1
De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in haar stelling dat de opleiding niet deelbaar is. Zoals [eiser] ook heeft gesteld, heeft hij dan wel in één keer voor alle vier seizoenen één overeenkomst gesloten, maar dit is niet noodzakelijk om de opleiding te volgen. Uit de eigen stellingen van [gedaagde] blijkt dat cursisten de opleiding ook kunnen volgen door telkens per seizoen een overeenkomst te sluiten. Dit betekent dat de opleiding dus wel deelbaar is.
3.11
In reactie op vragen van de kantonrechter heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling verduidelijkt dat een cursist die telkens een overeenkomst voor één seizoen sluit, per seizoen € 3.500,00 betaalt. Dit neemt de kantonrechter dan ook als uitgangspunt voor de berekening van het redelijk loon van [gedaagde] . Omdat een cursist per seizoen € 3.500,00 aan [gedaagde] betaalt, verwerpt de kantonrechter de stelling van [gedaagde] dat voor seizoen 1 een hoger redelijk loon moet worden vastgesteld dan voor seizoen 4.
3.12
Anders dan [eiser] heeft gesteld, is zijn berekening van wat hij
onverschuldigd aan [gedaagde] heeft betaald, niet juist. [eiser] stelt slechts voor één seizoen loon aan [gedaagde] verschuldigd te zijn. Dit is volgens hem 25% van de totale door hem betaalde opleidingskosten, namelijk € 3.403,12 (= € 13.612,50 x 0,25). [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling verduidelijkt dat wanneer een cursist alle vier seizoenen in één keer afneemt, hij een korting krijgt ten opzichte van cursisten die per seizoen een overeenkomst sluiten. Aangezien [eiser] de overeenkomst vóór de volbrenging van de opdracht heeft opgezegd, vervalt deze korting. Dit heeft [eiser] niet weersproken. Ook als de kantonrechter tot de conclusie zou komen dat [eiser] slechts voor één seizoen loon aan [gedaagde] verschuldigd zou zijn – wat niet zo is; zie onder 3.16. – , zou hij daarom minder terug krijgen dan wat hij als onverschuldigd betaald terugvordert.
3.13
Om te bereken hoeveel [eiser] aan [gedaagde] als redelijk loon verschuldigd is, moet vastgesteld worden hoeveel (onderdelen van) seizoenen van de opleiding [eiser] tot de opzegging op 17 april 2025 heeft gevolgd.
3.14
Op de website van [gedaagde] staat waar de seizoenen in ieder geval uit bestaan:
Seizoen 1:
Tijdens deze fase van de opleiding ben je voornamelijk als deelnemer betrokken bij de voorbereidingen, uitvoering en nazorg van een outdoor coachingsreis. Samen met de andere deelnemers zal je door outdoor coaches van [gedaagde] geïntroduceerd worden in de magnifieke wereld van de outdoor coaching. Geen betere manier dan om zelf deelnemer te zijn en een reis bij jezelf naar binnen te gaan. Deze fase en de daarin te maken reis zal veel impact op je hebben als deelnemer. In het eerste seizoen maak je als deelnemer namelijk kennis met de ongelofelijke kracht van de natuur én jezelf.
Seizoen 2:
Tijdens deze fase loop je als stagiair mee in een team van [gedaagde] dat een coachingsreis (of een B2B programma als dat je voorkeur heeft) voorbereid, uitvoert en na afloop afrond. Je maakt alle facetten dichtbij mee en je kan continue sparren met onze coaches en de andere deelnemers. In deze fase zal je ook ontdekken wat de impact is van zo’n reis op jezelf als begeleider. In dit seizoen doorloop je tevens de Groene Module; een weekend outdoor waarin je alles leert over het veilig leven, verplaatsen en coachen in een outdoor omgeving.
Seizoen 3:
In het 3e seizoen van de opleiding doe je volwaardig mee in het team dat een coachingsreis (of een B2B programma als dat je voorkeur heeft) verzorgd. Je krijgt alle vrijheden en verantwoordelijkheden die horen bij het onderdeel zijn van een uniek organisch en effectief coachingsproces voor vele mensen in een outdoor setting. Je draagt dan actief bij aan de coaching. Daarnaast doorloop je de MARCOM Module, de Commerciële Module en nemen wij je mee in het voeren van gedegen bedrijfsadministratie behorende bij een internationaal acterende outdoor coachingspraktijk.
Seizoen 4:
Dit is je afstudeerfase waarin je zelf een outdoor coachingsreis mag ontwikkelen, organiseren, leiden en verkopen. Uiteraard kan je rekenen op steun en faciliteiten van onze coaches en ons bedrijf. Onder de vlag van [gedaagde] sta jij zelf aan de basis van jouw unieke outdoorcoachingsreis of B2B programma (als dat je voorkeur heeft). De reis zelf (met alles wat erbij hoort) is je examenopdracht en je krijgt daarvoor alle tijd die je daarvoor nodig hebt. Seizoen 4 kan dus 3 maanden duren maar ook (veel) langer. We gaan immers
voor kwaliteit!
Gedurende alle seizoenen zijn er workshops, intervisiemomenten, voortgangsgesprekken, buddyhulp en lesmomenten voor je. Deze worden voor een deel verzorgd op ons kantoor te [plaats 3] maar natuurlijk zijn we ook daarvoor het liefste buiten. [9]
3.15
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] het opleidingstraject verder verduidelijkt. Zij heeft aangegeven dat de seizoenen niet aaneensluitend hoeven te worden doorlopen. De cursist mag zelf bepalen wanneer hij aan een seizoen begint en hoe snel hij de seizoenen volgt. Waar de ene cursist de opleiding binnen twee jaar afrondt, doet de andere cursist dit binnen zes jaar. [eiser] is na drie jaar gestopt met de opleiding, maar hieruit is dus niet af te leiden dat hij bijvoorbeeld drie seizoenen moet hebben gevolgd. Tijdens de opleiding heeft een cursist een grote mate van vrijheid om te bepalen wanneer en aan welke onderdelen van de opleiding hij deelneemt.
3.16
Gelet op de stellingen van partijen staat in ieder geval vast dat [eiser] seizoen 1 in zijn geheel heeft gevolgd. Hier zijn partijen het over eens.
3.17
[eiser] zegt dat het bij dit ene seizoen is gebleven. Daarin volgt de kantonrechter [eiser] niet. [eiser] heeft in ieder geval een deel van seizoen 2 ook gevolgd. Hij heeft namelijk erkend de zogenaamde ‘Groene Module’ gevolgd te hebben. Uit het overzicht van de opleiding – zie onder 3.14. – blijkt dat de Groene Module in seizoen 2 thuishoort. Ook heeft [eiser] aangegeven dat hij samen met een andere cursist een cursus zou organiseren. Dit past niet in de beschrijving van seizoen 1, waar een cursist slechts een coachingsreis beleeft als het ware hij zelf een deelnemer. Pas in seizoen 2 onderscheidt een deelnemer bij een reis zich van een cursist. [eiser] liep in deze fase mee als stagiair in het team.
3.18
Tijdens alle seizoenen kon [eiser] ook deelnemen aan verschillende activiteiten, zoals workshops en gesprekken. [gedaagde] heeft verduidelijkt dat [eiser] pas aan deze activiteiten kon deelnemen nadat hij de coachingsreis uit seizoen 1 had afgerond; vanaf dat moment kon [eiser] aan alle activiteiten deelnemen. Verder heeft [gedaagde] toegelicht dat een cursist in iedere seizoen desgewenst kan deelnemen aan één activiteit of bijvoorbeeld dertig activiteiten. Dit verandert niets aan de prijs van een seizoen. [gedaagde] heeft bij haar conclusie van antwoord een overzicht overgelegd van alle activiteiten die [eiser] tot het moment van opzegging/17 april 2025 heeft gevolgd of had kunnen volgen (hierna te noemen: de activiteitenlijst). [10] Op de activiteitenlijst is te zien dat [eiser] ná de reis van seizoen 1 [11] aan één evaluatiegesprek en twaalf werkvormendagen kon deelnemen. Hij heeft daadwerkelijk deelgenomen aan één evaluatiegesprek en 3 werkvormendagen. Hiervan behoorden het evaluatiegesprek op 23 augustus 2021 en de werkvormendag van 10 september 2021 nog bij seizoen 1. Deze waren in navolging op de reis van seizoen 1 respectievelijk daar (zeer) korte tijd na. Uit het feit dat [eiser] hierna de Groene Module heeft gevolgd, blijkt dat hij seizoen 1 had afgerond. De activiteiten vanaf 2022 behoorden dan ook bij seizoen 2. [eiser] heeft vanaf dat moment deelgenomen aan twee werkvormendagen, in november 2022 en januari 2023. [gedaagde] heeft verduidelijkt dat [eiser] niet naar seizoen 3 mocht doorstromen vóórdat hij aan de coachingsreis van seizoen 2 had deelgenomen. Dat betekent dat [eiser] deze laatste twee werkvormendagen in het kader van seizoen 2 heeft gevolgd.
3.19
Concluderend stelt de kantonrechter vast, dat [eiser] van seizoen 2 i) de Groene Module heeft afgenomen en ii) twee werkvormendagen waarmee het onderdeel ‘activiteiten’ van seizoen 2 heeft afgenomen.
3.2
Vaststaat, gelet op de omschrijving van de opleiding, dat een coachingsreis ook onderdeel was van seizoen 2. [eiser] heeft in seizoen 2 niet deelgenomen aan deze reis. Daar zijn partijen het over eens. Partijen hebben aan de kantonrechter geen aanknopingspunten gegeven hoeveel een dergelijke reis zou kosten. Uit de rechtspraak blijkt dat de kantonrechter dit dan mag schatten. [12] De kantonrechter schat de kosten voor een outdoorreis, ingekocht door een professional als [gedaagde] die hier wellicht korting voor krijgt, op € 2.000,00. Omdat [eiser] niet aan deze reis heeft deelgenomen en het maximale bedrag dat seizoen 2 kon kosten is vastgesteld op € 3.500,00, kan het redelijk loon voor de door [gedaagde] verrichte werkzaamheden in het kader van seizoen 2 niet meer zijn dan € 1.500,00. Omdat [eiser] wel aan de
andere onderdelen van seizoen 2heeft deelgenomen, namelijk enkele werkvormendagen en de Groene Module, stelt de kantonrechter het redelijk loon voor verrichte werkzaamheden met betrekking tot seizoen 2 vast op € 1.500,00.
3.21
Gelet op het voorgaande stelt de kantonrechter het redelijk loon van [gedaagde] voor seizoen 1 en seizoen 2 vast op € 5.000,00 (= € 3.500,00 + € 1.500,00).
Verweren van [gedaagde] slagen niet
3.22
[gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] veel werkvormendagen niet heeft gevolgd, terwijl hij dit wel had kunnen doen. Volgens [gedaagde] zijn dit werkvormendagen die [eiser] had kunnen volgen in seizoen 3 en 4 en hiervoor moet ook een redelijk loon toegekend worden. De kantonrechter gaat hier niet in mee.
3.23
[gedaagde] heeft namelijk aangegeven dat het niet mogelijk is om van seizoen 2 naar seizoen 3 te gaan zonder eerst de coachingsreis uit seizoen 2 gevolgd te hebben. [eiser] heeft deze reis niet gevolgd, waardoor hij dus seizoen 2 niet heeft afgerond en seizoen 3 niet is ingestroomd. [eiser] is dan ook geen redelijk loon voor seizoen 3 aan [gedaagde] verschuldigd, omdat [eiser] daar nog niet aan mocht deelnemen.
3.24
Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat het wel mogelijk is om tijdens de andere seizoenen al een deel van seizoen 4 te volgen, maar [gedaagde] heeft verduidelijkt dat [eiser] dit niet heeft gedaan.
3.25
De enkele omstandigheid dat [eiser] deel had kunnen nemen aan activiteiten/werkvormendagen die cursisten zouden kunnen volgen die al met seizoen 3 en 4 waren gestart, maakt niet dat [eiser] hiervoor zou moeten betalen. Het is het bedrijfsplan van [gedaagde] om tegelijkertijd aan cursisten die in verschillende seizoenen zitten dezelfde werkvormendagen aan te bieden. Dat betekent niet, dat [eiser] ook zou moeten betalen voor seizoen 3 of 4 terwijl hij daarmee nog niet was gestart.
3.26
[gedaagde] stelt dat er sprake is van wanprestatie aan de zijde van [eiser] omdat hij onvoldoende betrokkenheid toonde, niet deelnam aan de opleidingsdagen en zich ten onrechte inschreef voor reizen waarvoor hij (nog) niet in aanmerking kwam. [13] Dit verandert echter niets aan het feit dat:
  • [eiser] binnen de opleiding een grote mate van vrijheid had om het moment te bepalen waarop hij – na goedkeuring van [gedaagde] – aan een onderdeel zou beginnen en
  • [eiser] in de periode tot 17 april 2025 i) de reis uit seizoen 2 niet heeft afgenomen en ii) nog niet aan seizoen 3 en 4 was begonnen.
Bij de berekening van het redelijk loon na opzegging waartoe [eiser] gerechtigd is, gaat de kantonrechter uit van de onderdelen die [eiser] wel heeft gevolgd. Daarvoor is hij een redelijk loon aan [gedaagde] verschuldigd.
3.27
De kantonrechter stelt vast, dat [gedaagde] geen beroep heeft gedaan op de bepaling uit de wet die bepaalt dat een opdrachtnemer recht heeft op het volle loon omdat het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is. [14] Evenmin heeft hij feiten en/of omstandigheden daaromtrent gesteld. Of dit het geval is hoeft daarom niet beoordeeld te worden.
Artikel 8 uit Pro de algemene voorwaarden van [gedaagde] is niet onredelijk bezwarend
3.28
Tijdens de mondelinge behandeling is ook artikel 8 van Pro de algemene voorwaarden nog aan bod gekomen. [15] [eiser] zegt dat dit artikel onredelijk bezwarend is voor een consument en daarom vernietigd zou moeten worden. In het artikel staat dat de cursist de overeenkomst kan annuleren, maar dat hij/zij dan verplicht is de schade die [gedaagde] door de annulering leidt, aan [gedaagde] moet vergoeden. De cursist moet annuleringskosten betalen, die door [gedaagde] achteraf kenbaar gemaakt worden. Wanneer dit artikel vernietigd wordt, zou dit mogelijk als gevolg hebben dat ook niet op de wet en dus de artikelen voor bepaling van het redelijk loon teruggevallen mag worden, aldus [eiser] . De kantonrechter oordeelt echter dat het artikel niet onredelijk bezwarend is. In het artikel staat dat [gedaagde] achteraf vaststelt wat de annuleringskosten zijn, maar niet dat deze vaststelling bindend is en dat de cursist hier niets meer tegen in kan brengen. Ook volgt niet uit het artikel op welke wijze de annuleringskosten vastgesteld worden. Wellicht gebeurt dit juist aan de hand van de wet.
[gedaagde] moet € 8.612,50 aan [eiser] terugbetalen
3.29
Aangezien het redelijk loon van [gedaagde] voor de door haar verrichte werkzaamheden met betrekking tot de onderdelen van de opleiding die [eiser] heeft gevolgd, vastgesteld is op € 5.000,00, heeft [eiser] – als gevolg van de opzegging – € 8.612,50 (= € 13.612,50 - € 5.000,00) onverschuldigd betaald aan [gedaagde] . [gedaagde] moet dit bedrag aan [eiser] terugbetalen.
3.3
Omdat [gedaagde] dit bedrag niet binnen de daarvoor gestelde termijn [16] terug heeft betaald, moet zij ook de wettelijke rente [17] over dit bedrag betalen, met ingang van 18 juni 2025 tot dat dit bedrag is betaald. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de rente als zodanig niet betwist.
Beroep op verrekening slaagt niet
3.31
[gedaagde] heeft een beroep gedaan op verrekening. [18] Zij zegt dat [eiser] een tablet, een werkboek en bedrijfskleding in bruikleen [19] heeft gekregen van [gedaagde] . Nadat de overeenkomst is geëindigd, heeft [eiser] deze spullen niet aan [gedaagde] teruggegeven. De kosten van deze spullen wil [gedaagde] met de vorderingen van [eiser] verrekenen. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat hij deze spullen nog heeft en dat hij deze spullen de volgende dag aan [gedaagde] zal retourneren.
3.32
[gedaagde] stelt in feite dat zij een (te verrekenen) schadevergoedingsvordering [20] heeft op [eiser] , omdat [eiser] tekort is geschoten in zijn verplichting om voormelde spullen aan [gedaagde] terug te geven. De kantonrechter verwerpt deze stelling, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van verzuim [21] ter zake van deze teruggaveverplichting. [gedaagde] heeft weliswaar in de conclusie van antwoord kenbaar gemaakt dat zij deze spullen terug wil hebben, maar zij heeft [eiser] nog niet de gelegenheid gegeven om de iPad, het werkboek en de bedrijfskleding binnen een bepaalde termijn aan [gedaagde] terug te geven. [eiser] is dus nog niet in verzuim en er is daarom nog geen schadevergoedingsvordering ontstaan van [gedaagde] op [eiser] . Aangezien [gedaagde] nog geen schadevergoedingsvordering heeft om mee te verrekenen, slaagt het verrekeningsverweer niet.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.33
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 872,00. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Omdat de kantonrechter een deel van de hoofdsom afwijst, is het bedrag dat [eiser] vordert aan buitengerechtelijke incassokosten hoger dan het bedrag dat volgt uit het Besluit bij de toegewezen hoofdsom. De kantonrechter stelt de buitengerechtelijke incassokosten daarom vast op € 805,63 overeenkomstig het besluit en wijst dit bedrag toe.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiser] betalen
3.34
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. [22] Dit betekent dat [gedaagde] haar eigen proceskosten moet dragen en dat zij de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] aan hem moet betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.269,04
De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.35
De kantonrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad zoals [eiser] heeft gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 8.612,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 805,63 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3
veroordeelt [gedaagde] in de kosten; zij moet de proceskosten van [eiser] van € 1.269,04 aan hem betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.

Voetnoten

1.Een schriftelijke verklaring van de heer [A] .
2.Zijnde de aanvullende productie die [gedaagde] op 22 januari 2026 naar de griffie heeft gemaild.
3.Artikel 7:400 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
4.Zie het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2775).
5.Artikel 7:408 lid 1 BW Pro.
6.Artikel 7:411 BW Pro.
7.In de zin van 6:203 BW.
8.Artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).
9.De workshops, intervisiemomenten, voortgangsgesprekken, buddyhulp en lesmomenten worden hierna ook aangeduid als: de activiteiten.
10.Productie 1 [gedaagde] .
11.Die van 2 tot en met 11 juli 2021 in Zweden heeft plaatsgevonden.
12.Zie het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BG1680).
13.Zie bijvoorbeeld onder randnummer 5. en 32. van de conclusie van antwoord.
14.Artikel 7:408 lid 2 BW Pro.
15.Zie productie 3 [eiser] .
16.Zie productie 14 van [eiser] .
17.Artikel 6:119 BW Pro.
18.Artikel 6:127 BW Pro.
19.Artikel 7A:1777 BW.
20.Zoals bedoeld in artikel 6:74 BW Pro.
21.Artikel 6:81 e.v. BW.
22.Zoals bedoeld in artikel 237 lid 1 Rv Pro.