Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2965

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/16/603503 / HA RK 25-214
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:174 BWArt. 6:181 BWArt. 6:162 BWArt. 1019w RvArt. 1019z Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aansprakelijkheid restaurant voor val van afstapje in oud pand

Op 13 augustus 2023 is verzoekster in het restaurant [handelsnaam], gevestigd in een oud pand, gevallen over een afstapje en heeft daarbij haar rechterarm gebroken. Zij stelde het restaurant aansprakelijk voor haar letsel en de gevolgen daarvan. De aansprakelijkheidsverzekeraar van het restaurant wees de aansprakelijkheid af.

Verzoekster vorderde in een deelgeschilprocedure dat de rechtbank zou bepalen dat het restaurant aansprakelijk is en dat zij haar schade moet vergoeden. De rechtbank oordeelde dat het afstapje, gezien de aard van het oude pand en de zichtbaarheid door verschillende materialen, geen gebrek vertoonde en dat er geen gevaarzetting was. De kans op ongevallen werd als klein beoordeeld.

Veiligheidsmaatregelen zoals waarschuwingstape of borden waren niet noodzakelijk omdat het afstapje duidelijk zichtbaar was en de val van verzoekster voortkwam uit onoplettendheid doordat zij achter een medewerkster aanliep terwijl zij menukaarten ontving.

De rechtbank concludeerde dat het restaurant niet aansprakelijk is op grond van artikel 6:174 BW Pro (gebrekkige opstal) noch artikel 6:162 BW Pro (gevaarzetting). Het verzoek werd afgewezen en de kosten van de procedure werden begroot, maar niet aan verweerders opgelegd.

Uitkomst: Verzoek tot aansprakelijkheid en schadevergoeding wegens val van afstapje in restaurant wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/603503 / HA RK 25-214
Beschikking van 19 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster],
die woont in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaten: mr. R.H. Koopman en mr. H.H.D. van Velde,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V., h.o.d.n. [handelsnaam] ,

die is gevestigd in [vestigingsplaats] ,
2.
GOUDSE SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
die is gevestigd in Gouda,
verwerende partijen,
hierna samen te noemen: verweerders,
hierna afzonderlijk te noemen: [handelsnaam] en De Goudse,
advocaat: mr. C.J. van Weering,

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 16 producties, ingekomen op 3 december 2025;
- de brief van 17 december 2025 van de griffier van de rechtbank;
- de brief van 19 december 2025 van [verzoekster] met onder meer een toelichting op de schade;
- de oproepbrief van 8 januari 2026 voor de mondelinge behandeling van 7 april 2026;
- het verweerschrift, ingekomen op 31 maart 2026;
- de mondelinge behandeling van 7 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- de spreekaantekeningen van [verzoekster] .
1.2
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1
[verzoekster] is op 13 augustus 2023 in [handelsnaam] in [vestigingsplaats] (gevestigd in het voormalige oude postkantoor van [vestigingsplaats] ) in de hal van een afstapje gevallen en heeft toen haar rechterarm gebroken. Zij heeft [handelsnaam] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van haar val. De Goudse, de aansprakelijkheidsverzekeraar van het restaurant, heeft de aansprakelijkheid afgewezen. [verzoekster] vraagt in dit deelgeschil om te beslissen dat [handelsnaam] aansprakelijk is voor de gevolgen van haar val en dat verweerders hoofdelijk gehouden zijn haar materiële en immateriële schade te vergoeden. Haar verzoek wordt afgewezen. Ze is ongelukkig gevallen maar [handelsnaam] is voor de gevolgen daarvan niet aansprakelijk want er is geen sprake van een gebrekkige opstal en ook niet van gevaarzetting.

3.De beoordeling

De zaak leent zich voor een deelgeschil
3.1
[verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
3.2
In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of [handelsnaam] aansprakelijk is voor de gevolgen van de val van [verzoekster] . Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Het verzoek van [verzoekster] leent zich daarom naar haar aard voor behandeling in deelgeschil – wat tussen partijen ook niet in geschil is – en de rechtbank zal hieronder overgaan tot de inhoudelijke beoordeling daarvan.
De juridisch kaders: artikel 6:174 in Pro samenhang met 6:181 BW en artikel 6:162 BW Pro
3.3
[verzoekster] beroept zich ten eerste op artikel 6:174 in Pro samenhang met 6:181 BW te weten dat de bezitter van een opstal dan wel diegene die de opstal gebuikt in het kader van een bedrijfsmatige uitoefening (hier dus [handelsnaam] ) aansprakelijk is als de opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daarvoor gevaar voor personen oplevert. Ten tweede beroept zij zich op artikel 6:162 BW Pro en stelt dat sprake is van gevaarzettend handelen van [handelsnaam] omdat zij heeft nagelaten voldoende veiligheidsmaatregelen te treffen en te waarschuwen voor de afstap.
3.4
Van een gebrek in de zin van artikel 6:174 lid 1 BW Pro is sprake indien de opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan uit het oogpunt van veiligheid in de gegeven omstandigheden mag stellen. Of dit het geval is, hangt volgens vaste jurisprudentie af van het antwoord op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of de opstal, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen of zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans is op verwezenlijking van het gevaar en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn [1] . Deze criteria komen overeen met de Kelderluik- criteria, ontleend aan het standaardarrest over gevaarzetting bij een beroep op onrechtmatige daad [2] .
3.5
Op dat laatste beroept [verzoekster] zich subsidiair en voor de beoordeling daarvan spelen dezelfde Kelderluik-criteria een rol, te weten:
de waarschijnlijkheid van onoplettend of onvoorzichtig gedrag van de potentiële slachtoffers;
de kans dat daardoor ongevallen ontstaan;
de ernst van de mogelijke gevolgen van zulke ongevallen;
de bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.
De toedracht
3.6
Over hoe het is gegaan, heeft [verzoekster] het volgende toegelicht. Ze zat op 13 augustus 2023 samen met haar zus, zwager en broer op het terras. Ze ging naar binnen naar het toilet. Op de weg terug vroeg zij een medewerkster achter de bar om menukaarten. Die werden haar in de hal overhandigd. Ze wilde teruglopen naar het terras en in de hal viel zij van de afstap. Ze heeft de afstap niet gezien omdat die niet (goed) zichtbaar was. Het was een zonnige dag en het was een donkere hal met donkere muren en een donkere vloer.
Bij de mondelinge behandeling heeft zij toegelicht dat de medewerkster achter de bar één menukaart had, dat zij achter haar aan liep en de andere drie in de hal kreeg aangereikt. De menukaarten lagen daar op een tafeltje vlak bij het afstapje. Zij viel terwijl zij de menukaarten in ontvangst nam. Haar toelichting sluit aan bij hoe zij de toedracht in haar aansprakelijkstelling van 12 april 2024 heeft beschreven. Daarin staat:
“Zondag 13 augustus 2023 had mijn broertje uit Weert een tafel gereserveerd om 18.00 uur in uw restaurant voor 4 personen. Wij waren wat vroeg en gingen op het terras zitten. Ik ging even naar toilet en terug, op weg naar het terras van binnen naar buiten vroeg ik een medewerkster om menukaarten. Zij liep voor mij uit en wilde de kaarten (die in het halletje lagen) aan mij uitrijken.
Echter, ik zag daardoor het afstapje niet en kwam lelijk te val. Kon niet meer opstaan en werd per ambulance afgevoerd.”
Het gaat om een afstapje dat je kunt verwachten in een oud pand als dit
3.7
[handelsnaam] is gevestigd in het voormalige oude postkantoor van [vestigingsplaats] . Het gaat om een Rijksmonument, volgens verweerders gebouwd in 1911. Dat het een oud pand betreft, is ook bij aanzicht direct duidelijk. Dat blijkt uit de volgende foto die is opgenomen in het toedrachtsonderzoek door De Goudse dat [verzoekster] bij haar verzoek heeft gevoegd.
Afbeelding verwijderd i.v.m. herleidbaarheid.
3.8
[verzoekster] heeft ook foto’s van het opstapje bij haar verzoek gevoegd. Die komen overeen met de volgende foto in het toedrachtsonderzoek. Daarop is het opstapje te zien (vlak achter de voordeur) waarover [verzoekster] is gevallen.
Afbeelding verwijderd i.v.m. herleidbaarheid.
3.9
Het pand heeft binnen meer niveauverschillen. Dat is ook niet in geschil. Naar het oordeel van de rechtbank zijn niveauverschillen in een pand als dit ook te verwachten. Van een bezoeker mag daarom de nodige oplettendheid worden verwacht en worden verwacht dat deze met niveauverschillen rekening houdt.
De kans op ongevallen is klein
3.1
Volgens [verzoekster] zijn er vaker mensen over het afstapje gevallen, maar dat blijkt nergens uit en verweerders hebben dit gemotiveerd betwist. De kans om bij de ingang over het afstapje te vallen, is naar het oordeel van de rechtbank klein. Het gaat om een afstapje van 11 centimeter dat duidelijk zichtbaar is, ook omdat het om verschillende materialen gaat. Het hogere gedeelte is van hout en het lagere van beton en daar tussenin zit een ijzeren strip.
[verzoekster] is ongelukkig ten val gekomen
3.11
[verzoekster] is ongelukkig ten val gekomen met naar letsel en ook nog een vervelende nasleep na (complicaties bij) de tweede operatie, maar de kans dat het opstapje ernstig letsel kan veroorzaken, acht de rechtbank klein. [verzoekster] heeft jammer genoeg veel pech gehad.
[handelsnaam] heeft voldoende voorzorgsmaatregelen genomen
3.12
[verzoekster] heeft aangevoerd dat met een simpele en goedkope maatregel (geel-zwart waarschuwingstape) de afstap zichtbaar zou zijn geweest. Ook had volgens haar een waarschuwingsbord kunnen worden geplaatst of had het hoogteverschil kunnen worden overbrugd door een schuin oplopende vloer. Bij de mondelinge behandeling heeft zij aangevoerd dat ook gekozen had kunnen worden voor een LED-strip of een duidelijke waarschuwing door het personeel.
3.13
Naar het oordeel van de rechtbank had [handelsnaam] deze door [verzoekster] genoemde veiligheidsmaatregelen niet hoeven te treffen omdat het afstapje duidelijk genoeg te zien is, onder meer door de verschillende materialen (beton, ijzer, hout). Een waarschuwingsbord zou bovendien in de weg kunnen staan en ook als er wel geel-zwart waarschuwingstape of een LED-strip was aangebracht, zou het waarschijnlijk geen verschil hebben gemaakt. Uit haar eigen verklaring volgt namelijk dat zij is gevallen omdat zij achter de medewerkster aanliep en de menukaarten in ontvangst nam en dáárdoor het afstapje niet zag.
3.14
Tegen die achtergrond had het ook geen verschil gemaakt of de lamp in de hal nu aan was (dat stellen verweerders) of uit (dat stelt [verzoekster] ). Omdat het een zonnige dag was, ligt voor de hand dat op de terugweg naar het terras het zicht minder goed was, maar ook dat is ook een omstandigheid waarbij oplettendheid mag worden verwacht. Dat geldt temeer omdat [verzoekster] op de heenweg naar het toilet het niveauverschil heeft gezien en gemerkt en het afstapje op de terugweg dus niet als een verrassing kan zijn gekomen.
Conclusie: geen sprake van een gebrekkige opstal en geen sprake van gevaarzetting
3.15
De conclusie is dat [handelsnaam] niet aansprakelijk is voor de gevolgen van de val van [verzoekster] , niet op grond van artikel 6:174 BW Pro (gebrekkige opstal) en niet op grond van artikel 6:162 BW Pro (gevaarzetting). Het verzoek van [verzoekster] om te beslissen dat [handelsnaam] aansprakelijk is en verweerders gehouden zijn om haar materiële en immateriële schade te vergoeden is daarom niet toewijsbaar. Met deze uitkomst kan het verweer dat sprake is van eigen schuld van [verzoekster] onbesproken blijven.
De kosten van het deelgeschil worden begroot op € 2.398,75 exclusief btw
3.16
De rechtbank moet de kosten van deze deelgeschilprocedure begroten, ook als een verzoek niet wordt toegewezen. Dit staat in artikel 1019aa lid 1 Rv. Hoe de kosten moeten worden begroot is geregeld in artikel 6:96 lid 2 BW Pro. Daaruit volgt dat de rechtbank bij de begroting van de kosten de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets moet gebruiken; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat als een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.
3.17
De kosten voor dit deelgeschil bedragen volgens [verzoekster] € 10.073,25 inclusief btw. Dit bedrag is berekend met 27,5 uur en een uurtarief van € 260,00 voor mr. Koopman en € 305,00 voor mr. Van Velde (de patroon van mr. Koopman). Bij de mondelinge behandeling hebben beide advocaten toegelicht dat hun advocatenkantoor net als De Goudse is aangesloten bij de LSA BGK-regeling en dat het overeengekomen voorschottarief onder deze regeling voor deze zaak € 252,50 exclusief btw bedraagt. Verweerders hebben bij de mondelinge behandeling toegelicht dat zij het eens zijn met dit gehanteerde tarief, maar het aantal bestede uren vinden zij te veel.
3.18
De zaak is niet omvangrijk en ook niet complex: het is een beperkt en overzichtelijk deelgeschil. De rechtbank volgt partijen in hun overeengekomen uurtarief, maar het aantal uren dat is besteed en opgegeven past daar niet bij omdat het een juridisch overzichtelijke zaak is. De rechtbank stelt daarom het aantal uren bij [3] en begroot de redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak op 9,5 uren x € 252,50 exclusief btw, dus op € 2.398,75 exclusief btw. Daar moet het griffierecht van € 331,00 dat [verzoekster] aan de rechtbank heeft moeten betalen nog bij opgeteld worden. Omdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de kosten alleen begroten en verweerders niet veroordelen om dit te betalen.

4.De beslissing

4.1
wijst het verzoek af,
4.2
begroot de kosten van dit deelgeschil op € 2.398,75 exclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 331,00,
4.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.
pvt 4189

Voetnoten

1.HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236 , HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1674.
2.HR 5 november 1965, NJ 1966, 136 (Kelderluik).
3.Vgl. A.J. Van en D. Salhi “De kosten van de deelgeschilprocedure; (on)redelijk gematigd?” TVP 2025/2