Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:2963

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/16/607722 / JE RK 26-275
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling wegens verhoogde opvoedbehoefte van minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2016, vanwege een verhoogde opvoedbehoefte. De minderjarige heeft een genmutatie vastgesteld bij geboorte, wat leidt tot een verhoogde behoefte aan structuur en voorspelbaarheid. Bij onvoldoende structuur vertoont hij zelfbepalend, frustratie- en fysiek agressief gedrag. De moeder is momenteel niet in staat de benodigde stabiliteit te bieden zonder begeleiding.

De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling reeds eerder verlengd tot 2 mei 2026. De GI verzoekt nu verlenging voor een jaar, wat door beide ouders wordt ondersteund, hoewel de moeder bezwaar maakt tegen de door GI opgelegde beperkingen in het contact zonder wettelijke grondslag. De zorgregeling uit het ouderschapsplan, waarin 50/50 zorg is vastgelegd, is in de praktijk niet hersteld na eerdere schorsingen.

De kinderrechter oordeelt dat ondanks positieve ontwikkelingen de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige blijft bestaan en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is vanwege de moeizame samenwerking van de moeder met hulpverleners. De GI blijft noodzakelijk voor regie en ondersteuning. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd tot 2 mei 2027 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tevens wordt de GI opgedragen de zorgregeling met de moeder inhoudelijk en juridisch vorm te geven.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 2 mei 2027 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/607722 / JE RK 26-275
Datum uitspraak: 1 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam-Zuidoost,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. H.E. Brokers-van Dijk,
[vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026;
  • het bericht van de vader van 9 maart 2026;
  • het bericht van de vader van 25 maart 2026;
  • het bericht van de moeder van 10 april 2026;
  • het bericht van de vader van 23 april 2026;
  • de brief van de moeder met bijlagen van 24 april 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling (zitting) die gepland stond op 13 april 2026 heeft geen doorgang gevonden. Naar aanleiding van het bericht van de moeder van 10 april 2026 is de behandeling van het verzoek opnieuw op zitting gepland.
1.3.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [A] en [B] , namens de GI.
1.4.
Aan [C] , de broer van de moeder, is bijzondere toegang verleend tot de zitting.
1.5.
De vader is niet verschenen. Hij heeft zich bij bericht van 23 april 2026 afgemeld voor de zitting.
1.6.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening te geven.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] heeft op grond van het ouderschapsplan hoofdverblijf bij bij zijn vader.
2.3.
Op 3 februari 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 3 mei 2025. De kinderrechter in deze rechtbank heeft vervolgens bij beschikking van 2 mei 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 2 mei 2026.
2.4.
Daarnaast is bij beschikking van 3 februari 2025 de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] geschorst met ingang van 3 februari 2025 tot 17 februari 2025 en vervolgens tot 3 maart 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

4.1.
De vader heeft schriftelijk laten weten dat hij akkoord is met de verlenging van de ondertoezichtstelling.
4.2.
De moeder is het eens met het verzoek van de GI. Zij is het er echter niet mee eens dat het contact tussen haar en [minderjarige] door de GI wordt beperkt, zonder dat daar een wettelijke grondslag voor is. De moeder wil daarom dat op een voor [minderjarige] passend tempo wordt toegewerkt naar de zorgregeling die in het ouderschapsplan is vastgelegd.

5.De beoordeling

De beslissing
5.1.
De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.
De toelichting
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1]
5.3.
Ondanks ingezette hulpverlening en zichtbare positieve ontwikkelingen, is er nog steeds sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . Bij [minderjarige] is bij geboorte een genmutatie vastgesteld. [minderjarige] heeft daardoor een verhoogde behoefte aan structuur, voorspelbaarheid en begrenzing. Op het moment dat hij onvoldoende structuur of begrenzing ervaart, voelt hij zich niet veilig en bouwt de spanning op. Dit uit hij door zelfbepalend gedrag, frustratie en fysiek agressief gedrag richting anderen. De moeder is op dit moment nog niet voldoende in staat om [minderjarige] de stabiliteit en voorspelbaarheid te beiden die hij nodig heeft. Zij heeft tijdens de omgang begeleiding en aansturing nodig om emotionele rust en veiligheid te kunnen bieden. Na het contact met de moeder lijkt [minderjarige] moeite te hebben met het reguleren van zijn emoties. Hij is dan moeilijker corrigeerbaar, scheldt meer en toont wisselingen in emoties. Het is daarom belangrijk dat ook komend jaar de psychomotorische therapie van [minderjarige] wordt voortgezet. Daarbij is het vanwege de verzwaarde opvoedbehoefte van [minderjarige] , belangrijk dat de ouders worden ontlast in de opvoeding door middel van de ondersteuning van Zorg-Los, Credus, de dagbesteding bij Numodo en het deeltijdpleeggezin. Tot slot, is van belang dat de omgangsbegeleiding vanuit StapSterk wordt voortgezet en dat de GI gaat onderzoeken op welke manier het contact tussen [minderjarige] en de moeder inhoudelijk en juridisch dient te worden vormgegeven. Op verzoek van de GI was de zorgregeling geschorst door de kinderrechter tot 3 maart 2025. Ouders hebben in het ouderschapsplan een zorgregeling vastgelegd waarbij de zorg tussen de ouders 50/50 was verdeeld. Na de schorsing tot 3 maart 2025 heeft de kinderrechter geen beslissingen meer genomen over de contacten tussen [minderjarige] en de moeder. In de praktijk is niet teruggekeerd naar de 50/50 regeling. De GI stelt nog niet te kunnen vaststellen wat een voor [minderjarige] passende contactregeling met zijn moeder is. De GI heeft in februari 2026 bepaald dat de moeder en [minderjarige] 1 keer per 3 weken gedurende 3 weken contact hebben bij de moeder thuis onder begeleiding. De kinderrechter heeft benadrukt op zitting dat deze gang van zaken niet juist is. Een verandering van een tussen ouders afgesproken zorgregeling kan alleen als beide ouders daar daadwerkelijk mee instemmen of via een rechterlijke beslissing.
5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de moeder de samenwerking met de hulpverlening beëindigt als zij zich niet kan vinden in de feedback en adviezen. In de samenwerking met de hulpverlening heeft de moeder heftige beschuldigingen geuit en lijkt zij onvoldoende op haar eigen handelen te kunnen reflecteren. Daarbij is de vader niet altijd weerbaar genoeg om de belangen van [minderjarige] goed te kunnen bewaken. Ook hierom blijft de regie van de GI noodzakelijk.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
5.6.
Tijdens de ondertoezichtstelling zal onder meer aan de volgende doelen worden gewerkt:
  • [minderjarige] groeit op met ouders waarbij hij zich veilig en ontspannen kan voelen. Ze luisteren en kijken naar wat [minderjarige] nodig heeft en zetten het belang van [minderjarige] boven hun eigen belang.
  • [minderjarige] kan zijn emoties op een juiste manier uiten, zonder gebruik van fysieke agressie zoals slaan, schoppen of haren trekken.
  • [minderjarige] heeft een dagbesteding die hem helpt zijn sociale, verstandelijke en lichamelijke vaardigheden te versterken.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 2 mei 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. P.S. Bamberg als griffier, en op schrift gesteld op 11 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.